De oeroude klemtoon

Ook de Nederlandse klemtoon is op het eerste gezicht nodeloos ingewikkeld. De klemtoon kan soms op de laatste lettergreep (encyclopedie), soms op de één na laatste lettergreep (koning) en soms op de voorvoorlaatste lettergreep (kakelen) vallen. Het is zeer moeilijk vast te stellen waarom de klemtoon in een gegeven woord op een bepaalde lettergreep ligt.

Talen als het Frans, het Pools of het Hongaars hebben juist een uiterst inzichtelijk klemtoonpatroon. De klemtoon ligt in het Frans altijd op de laatste lettergreep van het woord, in het Pools altijd op de één na laatste en in het Hongaars altijd op de eerste. Zo'n systeem is makkelijk te leren en heeft bovendien wat taalkundigen noemen een 'delimitatieve' functie. Een luisteraar in het Frans of het Pools hoort duidelijk wanneer een woord is afgelopen; een luisteraar in het Hongaars hoort wanneer een nieuw woord begint.

Het is prettig dat die klemtoon er is, want sprekers zijn geneigd de woorden aan elkaar te lijmen. Iemand die spreekt produceert een vrijwel continue stroom klanken. Er is geen pauze tussen de woorden. De luisteraar moet zelf maar zien hoe hij die klankenstroom verdeelt in de juiste porties die hij als woorden kan beschouwen en kan opzoeken in zijn mentale woordenboek, de lijst woorden die hij in zijn hoofd moet hebben zitten. Het Nederlandse systeem is moeilijk te leren en bovendien kunnen we door alleen naar de klemtoon te luisteren, nauwelijks bepalen waar de grenzen tussen woorden liggen. We hebben als leerders en als luisteraars weinig houvast in zo'n systeem.

De klemtoon lijkt in het Nederlands dus alles behalve optimaal. U zou dan ook misschien verwachten dat die klemtoon in de loop der tijden verandert, mogelijk in de richting van een patroon zoals dat van het Frans, het Pools of het Hongaars. Merkwaardigerwijs is het tegendeel het geval. Voor zover we kunnen nagaan, had het Oergermaans, de moeder aller Germaanse talen, een klemtoon zoals het Hongaars die nu heeft: de nadruk viel bij onze verre voorouders altijd op de eerste lettergreep van het woord. Het Nederlands heeft dus in de loop van zijn geschiedenis om de een of andere reden dat mooie regelmatige patroon verlaten ten gunst van het rommeltje dat we nu hebben.

Wat die reden precies was, weten we niet. Er wordt wel gezegd dat het Latijn in de vroege middeleeuwen een invloed gehad moet hebben. Inderdaad lijkt het klemtoonsysteem dat we nu hebben in een aantal opzichten vrij sterk op dat van het Latijn. Ook in die taal ligt de klemtoon altijd op een van de laatste drie lettergrepen. Het Nederlands systeem is sindsdien lange tijd redelijk stabiel gebleven. Volgens sommige geleerden is er zelfs al zevenhonderd jaar niets veranderd.

Hoe weten we wat de klemtoon in de dertiende eeuw was? Uit de manier waarop mensen toen schreven valt op zichzelf weinig af te leiden. Net als nu plaatsten schrijvers zelden of nooit speciale tekens om de klemtoon aan te geven. De meest voor de hand liggende methode is in dit geval de studie van de dichtkunst. In verzen vinden we traditioneel patronen van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen. Het vaakst voorkomend in de moderne poëzie, dat wil in dit geval zeggen de dichtkunst sinds de renaissance, is het zogenaamde jambische patroon. Een jambe is een eenheid van twee lettergrepen, waarvan de eerste onbeklemtoond is.

De meeste verzen van Vondel zijn alexandrijnen. Dat betekent dat ze bestaan uit twaalf lettergrepen, onderverdeeld in zes jamben, die ik voor de eerste regel van Gijsbrecht van Aemstel hieronder weergeef met haakjes:

(. /) (. .) (. /) (. .) ( . /) (. /) .
Het he mel sche ge recht heeft zich ten lan ge les te

Boven beklemtoonde lettergrepen heb ik een accentje gezet en boven onbeklemtoonde lettergrepen een punt. Zoals u ziet hoeft er niet in elke jambe noodzakelijkerwijs een klemtoon te staan. Wie in de tweede en vierde jambe in deze regel van Vondel een klemtoon leest, leest niet goed. Maar als er een klemtoon is dan staat die altijd rechts in de jambe.

U ziet ook dat aan het eind van een regel in sommige gevallen nog een onbeklemtoonde lettergreep mag overschieten. De regel die we hier zien heeft dertien lettergrepen in plaats van zes keer twee. Zo'n laatste lettergreep noemt men in de studie van dichtvormen al vele honderden jaren extrametrisch.

Wie verder leest in Gijsbrecht van Aemstel, of in vrijwel elk ander drama van Vondel, krijgt al snel een gevoel voor de dichtmaat en het ritme. Dat is op zichzelf al een duidelijke indicatie dat er aan de klemtoon van het Nederlands weinig veranderd is. Zeventiende-eeuwse dichters klinken in onze oren zo regelmatig, dat ze wel vrijwel dezelfde klemtoonregels moeten hebben gehad als wij. Ook de klemtoon in de taal van Vondel en Hooft was dus al een rommeltje, vergeleken met het Frans en het Hongaars.

Als we teruggaan in de tijd, terug naar de middeleeuwen, dan stuiten we op een probleem. Het jambische patroon dat de renaissancegedichten zo toegankelijk maakt voor fonologisch onderzoek, is waarschijnlijk een Italiaanse uitvinding, die dichters in heel Europa zijn gaan imiteren. Ook in Nederland heeft dat Italiaanse systeem het op een gegeven moment gewonnen van het oudere inheemse systeem.

Dat inheemse systeem was het zogenaamde Germaanse heffingenvers. Het ongelukkige van dat systeem voor ons is dat het alleen vastlegde hoeveel lettergrepen in een regel beklemtoond moesten zijn. Hoeveel onbeklemtoonde lettergrepen er tussen twee klemtonen mochten liggen, lag niet vast. Het blijft daarom voor de hedendaagse onderzoeker gissen waar de klemtonen, de 'heffingen', precies lagen.

Als we het begin van Karel ende Elegast bekijken, dan lezen we de eerste regels van dat gedicht ongeveer als volgt:

Vráye histórie ende al wáér
Mághic u téllen. Hóérter naer!
Het wás op ene ávontstónde,
Dat Kárel slápen begónde
Tínghelem ópten Ríjn

Elke regel heeft drie heffingen, denken we dan, maar zeker is hier niets. De heffingen hadden indertijd ook op heel andere plaatsen kunnen liggen. Wie kan garanderen dat de middeleeuwse minnaars der letteren dezelfde regels niet met een heel andere klemtoon lazen? Dat ze bijvoorbeeld de volgende klemtonen legden?

Vráye historíé ende al wáér
Mághic u téllen. Hóérter naer!
Het wás op ene avóntstondé,
Dat Karél slápen begondé
Tinghélem ópten Ríjn

Onder deze lezing blijft het gedicht nog een onberispelijk drie-heffingenvers.

We hebben, kortom, maar weinig houvast aan deze versvorm. Pas als de Italiaanse uitvinding van de jambe door Nederlandse dichters is overgenomen, valt er wat te leren over de klemtoon. We zouden nu kunnen denken dat die Italiaanse import pas op gang kwam in de renaissance. Tot die tijd leefden er in onze streken immers alleen onbeschaafde barbaren die er lustig op los zopen en dobbelden, en niet de discipline hadden die een jambisch metrisch systeem vereist. Gelukkig was Italië al eerder in de mode. In de dertiende eeuw werden er in de Nederlanden teksten geschreven waarvan we nu met redelijk grote zekerheid kunnen aannemen dat ze jambisch waren.

Het oudste voorbeeld van zo'n tekst is waarschijnlijk het dertiende-eeuwse gedicht Het leven van Sinte Lutgart, een levensbeschrijving van een populaire heilige door de dichter Willem van Afflighem. Niet zo lang geleden werd overigens ook van dit gedicht aangenomen dat het in heffingenverzen geschreven was. Pas enkele jaren geleden publiceerde de Utrechtse hoogleraar in de fonologie Wim Zonneveld een artikel hij aantoonde dat het hele gedicht wel degelijk jambisch was. Wie het begin van het gedicht leest, vraagt zich af hoe het eigenlijk mogelijk is dat het zo lang geduurd heeft voor iemand dat zag:

1Nu hebbic u met ware warden
En deel der Viten van Lutgarden
Verclart, gi heren ende vrowen
Daer ic in mire goeder trowen
Gepinet hebbe al sonder wanc
Te houdene al den selven ganc
In didsche, ende in den selven wegen
Te gane, die ic vant geslegen
In den latine vore mi
Nu hebbic van der maget vri
Geseghet hoe si wart geboren
Ende oc van Gode sent vercoren.

Het gedicht begint overigens een beetje abrupt, waarschijnlijk doordat een voorafgaande inleiding zoek is geraakt. Natuurlijk zouden deze eerste overgeleverde regels net zo goed een 'toevallig' stukje jambische vorm kunnen zijn in een gedicht dat overigens een gewoon Germaans heffingenvers is. In dat soort gedichten ligt immers niets vast over de onbeklemtoonde lettergrepen en omdat regelmatige afwisselingen tussen beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen ook in niet-dichterlijke spreektaal veel voorkomen, vinden we in meer heffingenverzen dit soort fragmentjes. Maar wie de Lutgart hardop leest, merkt dat er vrijwel geen onregelmatigheden zijn.

Er zijn wel een paar dingen die u moet weten om de jambe in volle glorie te kunnen zien. Zo hebben de regels 1 tot en met 4, 7 en 8 en 11 en 12 allemaal een extrametrische lettergreep. En als een stomme e voor een andere klinker komt te staan, dan tellen die twee klinkers samen als één lettergreep. Misschien verdween de stomme e daar. Regel 5 moeten we dan lezen als Gepinet hebb' al sonder wanc / Te houden' al den selven ganc. Hoe het echt geklonken heeft, weten we natuurlijk niet. In ieder geval klonken latere dichters wel zo ÷ en ze schreven dan soms ook een apostrof. Vondel is weer een voorbeeld. Hij schreef versregels als de volgende (allebei uit het gedicht 'Lof der zeevaert'):

En danssen op de koorde, en klautteren als katten
[...]
[...]'t kompas dat karse brengen
Door d'ongebaerden plas [...]

In het eerste voorbeeld heb ik de stomme e onderstreept, die moet verdwijnen om de regel zes mooie jamben te laten krijgen. In het tweede voorbeeldje heeft de dichter zelf aangegeven dat een stomme e niet hoeft te worden uitgesproken door hem te vervangen door een apostrof. Vooral bij het lidwoord de werd die methode veel gebruikt.

Ook in het dagelijks spraakgebruik verdwijnt een stomme e vrij gemakkelijk. Wie een beetje snel praat, zegt al snel knuff'len en mooi' artikelen. Willem van Afflighem hoorde dat en maakte er gebruik van in zijn gedichten, net zoals veel dichters na hem dat gedaan hebben. Als u dat weet, leest zijn hele Lutgart als één lang jambisch gedicht.

Dit is een sterke aanwijzing dat de klemtoon in de afgelopen zevenhonderd jaar niet veranderd is. Het zou wel heel erg toevallig zijn als we duizenden regels in ons moderne klemtoonpatroon konden voordragen en daarbij het gevoel kregen een jambisch gedicht te lezen, terwijl het middeleeuws Nederlands eigenlijk een geheel ander klemtoonpatroon had en de Lutgart in een gewoon heffingenvers geschreven is.

Toch hebben geleerden dat laatste decennia lang geloofd. Ze konden niet geloven dat al zo vroeg in de middeleeuwen jambische gedichten werden geschreven. En ze waren waarschijnlijk ook meer geïnteresseerd in de historische en literaire waarde van het gedicht dan in de klemtonen. In Nederland zijn meer onderzoekers naar de middeleeuwse literatuur dan naar de middeleeuwse taal.

Het is opvallend hoe regelmatig het hele gedicht is. Nu bevatten de bovenstaande twaalf regels relatief korte woorden. Ze tellen hooguit twee of drie lettergrepen, waarbij dan minstens één lettergreep hoort bij een vervoeging of een verbuiging en die heeft waarschijnlijk geen klemtoon. Maar ook in langere woorden moeten tijdens de middeleeuwen de klemtoon op dezelfde lettergreep hebben gelegen op de plaatsen waar hij nu nog altijd ligt. Ik geef zomaar wat regels met een langer woord:

Dit es dat werde sacrament
Van disciplinen, noch finere
In karitaten wesen moet
Die profetië die es bleven

In al die moderne woorden ligt de klemtoon op de plaats waar we hem in ons eigen taalgebruik ook zouden leggen. Een regel als de volgende komt in het hele gedicht nergens voor:

In die karitaat wesen moet

Een regel als deze zouden we alleen jambisch kunnen lezen als we de klemtoon op een onnatuurlijke plaats zouden leggen, natuurlijk op de lettergreep (ri) in karitaat. Dit soort onnatuurlijke regels vinden we in het hele gedicht nergens.

Zijn er nu helemaal geen problemen? Is dan echt alles helemaal hetzelfde gebleven in het Nederlandse klemtoonsysteem? Het antwoord is dat er één groep woorden is waar de klemtoon op een andere plaats ligt dan we zouden verwachten. Die woorden zijn de namen van enkele personen en plaatsen in het gedicht.

De naam Lutgart hebt u misschien nooit gehoord maar waarschijnlijk legt u de klemtoon in dat woord automatisch op de eerste lettergreep en zegt Lútgart, net zoals u Bérnard zegt. Maar als uw voorvader in de middeleeuwen ook al in deze streken woonde, zei hij waarschijnlijk Lutgárt. In ieder geval staat die naam overal in het gedicht op een plaats waar hij zo lijkt te moeten worden uitgesproken:

Lutgart, die magt van groten prise

Maar weet, Lutgart, sijt des gewes

Het is een groot raadsel waarom uitgerekend de namen in de loop der jaren hun klemtoon veranderd hebben. Meestal zijn mensen conservatiever met namen dan met andere woorden. Een naam is voor veel mensen bijna heilig ÷ die veranderen we niet. We zien dat bijvoorbeeld in de spelling. De meest barokke en ouderwetse spelling vinden we bij namen: Pieck, d'Haene, Dhondt. Meneer Janssen wordt kwaad als u 'Jansen' boven een brief aan hem schrijft. En toch heeft uitgerekend bij die namen de klemtoon zich in de loop der tijden aangepast.

Daarbij moet dan wel gezegd worden is dat die klemtoon bij Nederlandse namen kennelijk naar de eerste lettergreep van het woord verschoven is: Lutgárt is Lútgart geworden. Misschien heeft die eerder genoemde delimitatieve functie van klemtoon daar iets mee te maken. Juist bij een naam is het belangrijk dat de luisteraar goed hoort over wie u het hebt. Door die naam met een klemtoon te beginnen, kunt u bereiken dat de luisteraar even extra goed oplet. Misschien is deze aandachttrekkerij belangrijk genoeg geweest om alle conservatisme te overwinnen.

terug / inhoudsopgave / vooruit