De puntjes op de oe

Het Nederlands is niet alleen een taal vol raadsels, maar ook vol verkleinwoordjes. Veel talen hebben dat soort woorden helemaal niet; het Frans en het Engels bijvoorbeeld. Het Duits heeft ook wel verkleinwoorden, maar toch in veel beperktere mate dan het Nederlands, waarin we verkleinwoorden kunnen maken van zo ongeveer elk woord dat we kunnen bedenken. Couperus was een groot kunstenaar wat dat betreft, maar de gemiddelde Nederlander kan er ook wat van. Bovendien is er nog veel variatie mogelijk. Er is geen achtervoegsel in onze taal dat zoveel dialectverschillen laat zien.

Daar komt nog eens bij dat het geen sinecure is om een Nederlands verkleinwoord te maken. Er zijn op zijn minst vier verschillende manieren om dat te doen. Aan sommige woorden moet u -tje voegen (koe-tje), aan andere -etje (ring-etje); aan sommige woorden moet u -pje toevoegen (raam-pje), aan andere -kje (koning-kje) of -je (sloof-je). De regels die bepalen welk van die verschillende mogelijkheden u moet kiezen zijn buitengewoon ingewikkeld; het verschil tussen groter als en groter dan is er niets bij. Ze verwijzen naar het soort medeklinker waar het grondwoord op eindigt ÷ raam kiest -pje omdat het eindigt op een labiale m, koning kiest -kje omdat het eindigt op een velaire ng ÷ maar ook naar klemtoon: ring en koning kiezen verschillende achtervoegsels omdat de één wel en de ander niet eindigt op een beklemtoonde lettergreep. Ook de vorm van de laatste klinker lijkt er toe te doen zoals we kunnen afleiden uit de verschillen tussen speel-tje en spel-etje en tussen raam-pje en ram-etje.

Als ik de volledige regels zou opschrijven, zou de uitleg daarvan vele bladzijden beslaan. Toch beheerst u die regels feilloos. Als ik u vraag de verkleinvorm van postel te geven, kan ik voorspellen welk antwoord u geeft: posteltje. Ik weet zeker dat u de vorm -tje kiest, ook al hebben u en ik die verkleinvorm nooit gehoord.

Wanneer u een dialect spreekt, beheerst u daarnaast nog veel meer ingewikkelde regels. Als uit Rotterdam komt, kent u bijvoorbeeld die prachtige regels die bepalen dat u soms wel en soms niet ie zegt in plaats van je. Als u uit het zuiden of uit het oosten van Nederland komt, bent u pas echt interessant. In plaats van -je zegt u dan -ke. Uw moeder noemt u moeke en een lampje noemt u een lempke. U zegt natuurlijk ook weer niet in alle gevallen -ke. Na een t zegt u bijvoorbeeld net als de meeste andere Nederlanders -je. In plaats van handje zegt u hentje. Er zijn ook bepaalde woorden waar u achter -ske zegt: kuukske, koningske, boekske, vliegske, woningske, maagske. Alle stammen waar u die s toevoegt, eindigen op een k, een g of een ng. Precies die drie klanken worden op dezelfde velaire plaats in de mond gearticuleerd, met de achterkant van de tong omhoog. Ook het achtervoegsel begint met zo'n velaire klank. Daar moet de verklaring liggen.

Ik heb al een paar keer laten zien dat gelijke klanken in talen niet graag naast elkaar staan. Dat was onder andere de reden waarom katje in het Rotterdams geen kattie wordt. Ook hier zien we dat effect. Een velaire klank staat niet graag naast een velaire k. Dat potentiële probleem wordt opgelost door die tussengeschoven s die de twee gelijkgepoolde magneten uit elkaar houdt. Dat die klank nu net precies een s moet zijn, is iets dat we ook kunnen begrijpen. Het moet een klank zijn die niet in een lettergreep opgenomen hoeft te worden. De s is precies zo'n klank.

Het interessantste fenomeen, vooral in de dialecten van Oost-Nederland, is umlaut. De verkleinvorm van hand is hendje ÷ de a wordt dus een e. De verkleinvorm van boek is buukske ÷ de oe wordt een uu. Als we een en ander systematiseren, kunnen we het volgende overzicht opstellen:

Verandering Voorbeeld
a wordt e man - menneke
o wordt u rok - rukske
oe wordt uu boek - buukske
oo wordt eu noot - neutje

 

In het Duits verwijst de term 'umlaut' ook naar de dubbele punt die op de klinker geschreven wordt om hem een andere klank te laten weergeven: ä is e, ü is uu, ö is eu. U ziet dat dit verschijnsel vrij sterk lijkt op Turkse klinkerharmonie: ook daar verandert een a soms in een e, een oe in een uu en een o in een eu. In het oostelijk Nederlands en in het Duits gebeurt er in bepaalde woorden iets waardoor niet-coronale klinkers ineens coronaal worden. Nu hebben we voor het Turks aangenomen dat klinkerharmonie betekent dat het kenmerk 'coronaal' zich hecht van de ene klinker aan de andere. We zouden daarom kunnen veronderstellen dat hetzelfde hier gebeurt. Het achtervoegsel voor de verkleinvorm in het Oergermaans had waarschijnlijk inderdaad een coronale klinker in zich. Dat achtervoegsel klonk in die taal ongeveer als kin of chin. Van die klinker kon gemakkelijk zijn domein uitbreiden naar de klinkers in het stamwoord:

boek(s)kin
|
coronaal

Het is dus heel wel mogelijk dat het Duits en het Nederlands vroeger in dit opzicht vrij sterk leken op het moderne Turks. Het opmerkelijke is dat de klinker zowel in het Oostnederlands en het Duits veranderd is in een stomme e. Het achtervoegsel is -chen in het Duits en -ken in de oostelijke dialecten van het Nederlands en -tje in het Standaardnederlands. Nu kunnen we van de stomme e veel zeggen, maar coronaal is ze niet. De punt van de tong komt bij de uitspraak van deze klank niet te pas.

In de loop van de geschiedenis heeft de klinker van het achtervoegsel dus het kenmerk 'coronaal' losgelaten. Misschien kunnen we ons dat het beste tamelijk letterlijk voorstellen. De verbinding tussen het kenmerk en de klinker verdween maar het kenmerk zelf, de aanwijzing in de partij, werd niet uitgewist:

kVn
coronaal

 

Ik schrijf hier een V voor de klinker omdat ik niet precies weet hoe de klinker eruitzag nadat hij zijn kenmerk, de verbinding met de coronale eigenschap, had losgelaten en omdat het er ook niet zo erg veel toe doet. In ieder geval is hij in alle dialecten waarover we het hier hebben uiteindelijk een stomme e geworden.

Het kenmerk 'coronaal' zweefde nu los in het achtervoegsel rond. In de standaardtaal hechtte het zich uiteindelijk aan de medeklinker die daardoor t of, in de meeste Hollandse dialecten zoals het Rotterdams, tj werd. Nadat de n in de zeventiende eeuw uit de standaardtaal verdween, zag het Hollandse achtervoegsel er uiteindelijk als volgt uit:

tjV
coronaal

 

Het coronale kenmerk was naar een medeklinker verhuisd. De klinkerharmonie was daarmee afgelopen want daarin worden medeklinkers nooit betrokken.

In het Duits en in de oostelijke en zuidelijke dialecten van het Nederlands is het kenmerk coronaal blijven zweven. Pas als er een klinker in de stam beschikbaar komt, kan het kenmerk zich hechten:

boek(s)kVn
coronaal

 

De umlaut is een 'zwevend' kenmerk geworden, dat zich hecht aan de dichtstbijzijnde klinker. Er zijn kennelijk redenen waarom die dichtstbijzijnde klinker geen stomme e mag zijn. Niet alleen de stomme e van het achtervoegsel zelf wordt niet uitgekozen ÷ ook eventuele stomme e's van de stam worden overgeslagen. In de verkleinvorm van vader krijgt de eerste klinker een umlaut, de stomme e van de laatste lettergreep wordt overgelagen. Het woord klinkt dus als vederken.

Voor fonologen is dit idee van een 'zwevend' kenmerk niet vreemd. Met name in de analyse van tonen is het een vertrouwd verschijnsel. In de fonologie van vooral Afrikaanse en Oostaziatische talen spelen tonen een rol die sterk te vergelijken is met de rol die kenmerken als 'coronaal' en 'labiaal' spelen in het Nederlands. In onze taal maakt het wel uit of een woord met een coronale (taart) of met een labiale (paart) klank begint, maar het maakt niet uit op welke toonhoogte u een woord uitspreekt.

In een Afrikaanse taal als het Kikuyu of een Aziatische taal als het Chinees maakt die toonhoogte wel een verschil. Het woord si heeft in het Chinees een geheel andere betekenis wanneer u hem op een lage toon uitspreekt dan wanneer u hem op een hoge toon uitspreekt. In het eerste geval betekent het woord 'gedicht', in het tweede geval betekent het 'proberen'. Het is dus niet zo vreemd om aan te nemen dat in die talen hoge en lage tonen deel uitmaken van woorden en van delen van woorden. De twee Chinese woorden si zien er dan als volgt uit.

si si
|
|
H
L

 

De H staat voor een hoge, de L voor een lage toon. Deze plaatjes zijn niet wezenlijk anders dan bijvoorbeeld het plaatje van het Oudgermaanse achtervoegsel kin.

In het Kikuyu, een van de belangrijkste talen van Kenia, kunnen we zien dat ook tonen kunnen zweven, net als het kenmerk coronaal in de Oostnederlandse dialecten en het Duits. Op het eerste gezicht hebben de woorden van het Kikuyu merkwaardige melodieën. Een werkwoord in die taal kan worden voorafgegaan door twee voorvoegsels die respectievelijk aangeven wie of wat het onderwerp van de zin is en wie of wat het lijdend voorwerp is. Bovendien kan het werkwoord gevolgd worden door een achtervoegsel dat aangeeft of we spreken over verleden, tegenwoordige of toekomstige tijd.

Een voorbeeld van een Kikuyu-werkwoord is to-mo-ror-ire. Dit woord betekent: wij kijken naar hem. to betekent hierbij 'wij', mo betekent 'hem', ror 'kijken naar' en ire geeft de tegenwoordige tijd aan. Nu ligt over dit woord nog een toonpatroon, dat we in de spelling van het Kikuyu als volgt weergeven: tò-mò-ròr-ìré. Het accent grave op een klinker (ò) geeft een lage toon aan, het accent aigu (ó) een hoge toon. Het woord 'wij kijken naar hem' begint dus met vier lage tonen en eindigt met een hoge toon.

Laten we eens naar wat meer woorden en hun melodieën kijken. Ik zet ze hier onder elkaar:

tò- ròr- ìré má- rór- ìré
L L L H H H L H
wij kijken zij kijken

 

tò- mò- ròr- ìré má- mó- ròr- ìré
L L L L H H H L L H
wij kijken naar hem zij kijken naar hem

tò- mà- rór- ìré má- má- rór- ìré
L L H L H H H H L H
wij kijken naar hen zij kijken naar hen

 

tò- tòm- íré má- tóm- íré
L L H H H H H H
wij sturen zij sturen
tò- mò- tòm- íré má- mó- tóm- ìré
L L L H H H H H L H
wij sturen hem zij sturen hem
tò- mà- tóm- ìré má- má- tóm- ìré
L L L L H H H H L H
wij sturen hen zij sturen hen

Op het eerste gezicht valt er weinig systeem in deze rijtjes te ontdekken. De stam ror heeft soms een hoge en soms een lage toon. Hetzelfde geldt voor de stam tom, de voorvoegsels ma en mo, en voor de eerste lettergreep van het achtervoegsel ire. Als we wat beter kijken, springen er toch wat regelmatigheden in het oog. Zo zijn de eerste twee tonen van alle woorden dezelfde. De toon van de laatste lettergreep van elk woord is altijd hoog. En de toon van de lettergreep die op ma volgt is ook altijd hoog.

De laatste observatie is de belangrijkste. We kunnen de merkwaardige melodieën van het Kikuyu begrijpen als we aannemen dat elk deel van het woord zijn toon bijdraagt, en dat al die tonen zweven. De verschillende woorddelen hebben dan de volgende tonen:

to ma mo ror tom ire
L H L L H H

 

Het woord to-mo-ror-ire ziet er in eerste instantie als volgt uit:

to ma ror ire
L H L H

Alle tonen zweven nog en moeten ergens aangehecht worden. De laatste toon is makkelijk: die hecht zich gewoon aan de laatste lettergreep van het woord:

to ma ror i re
  |
L H L H

Alle volgende tonen hechten zich nu aan de volgend vrijgekomen lettergreep. Omdat de i van ire nog vrij is, hecht de lage toon van ror zich aan die klinker. De hoge toon van ma hecht zich aan ror, de lage toon van to hecht zich aan ma:

to ma ror i re
  | | | |
  L H L H

 

Alleen de eerste lettergreep van het woord is nu nog toonloos. Om dit probleem op te heffen wordt de eerste toon hier aangehecht:

to ma ror i re
\ | | | |
  L H L H

 

U kunt zelf nagaan dat de melodieën van de overige woorden uit het Kikuyu op dezelfde manier begrepen kunnen worden. Hoewel de patronen op het eerste gezicht dus behoorlijk onoverzichtelijk lijken, zijn ze eenvoudig te begrijpen ÷ als we maar aannemen dat het Kikuyu zwevende tonen heeft, net zoals in het Duits en de oostelijke dialecten van het Nederlands zwevende coronalen. Het mooie is dat dit begrip 'zweven' een op het oog ongelooflijk ingewikkeld verschijnsel als toon in het Kikuyu in één klap weet te verhelderen.

terug / inhoudsopgave / vooruit