De mysterieuze l

De l en de r hebben veel met elkaar gemeen. Ze kunnen allebei zowel in de groep medeklinkers aan het begin (krant, klant) als aan het eind (kerk, kelk) van een lettergreep staan ÷ en ze staan dan altijd direct naast de klinker. De enige klank waarmee ze die eigenschap delen is de n zoals u kunt zien aan de woorden knap en kans. Maar de n is nasaal, zoals we eerder hebben gezien, en de r en de l zijn dat allebei niet.

De gebruikelijke verzamelterm voor deze twee klanken is 'liquidae' ÷ een Latijns woord dat we zouden kunnen vertalen als 'vloeiklanken'. Een 'liquid' is ook in het Engels nog een vloeistof. Beide klanken worden gemaakt door de lucht wel uit de mond te laten stromen maar hem in die holte enigszins te vervormen. Bij de r gebeurt dat met de huig of met de tong, zoals we in het vorige hoofdstuk hebben gezien. Bij de l zet u de punt van uw tong tegen de achterkant van uw tanden en laat de lucht er vrij langs stromen. Bij beide klanken wordt de stroom in de mond met de tong in aanraking gebracht en komt in aanraking met het speeksel. Dat geeft ze allebei inderdaad een wat vochtig karakter, al weet ik niet helemaal zeker of dat nu de oorsprong van de naam verklaart.

Er zijn meer overeenkomsten tussen de twee klanken. Net als de r oefent de l een sterke invloed uitoefent op de klank van de voorafgaande klinker. Wie goed luistert, hoort inderdaad een verschil tussen de klinker in keel en die in keet, tussen de klinker in kool en die in koot. Het effect is een stuk zwakker dan bij de r, maar als u aandachtig luistert merkt u het wel op. De verandering gaat bovendien een aardig stuk in dezelfde richting als bij de r. Ook hier zitten de weergaven kììl en kòòl niet ver af van de klanken die u echt maakt.

Het effect is spectaculairder bij een andere klinker, namelijk de stomme e. Die klinkt in het woord vogel echt anders dan de klinker in adem of in open: ronder, meer als een o. Het is moeilijk om een verschil te horen tussen vogel en vogol, maar het is geen enkel probleem in het geval van adem en adom, of japen en japon.

De l heeft dus een 'rondende' invloed op de voorafgaande klinker. Ze voegt aan die klinker het kenmerk 'labiaal' toe. Op zichzelf genomen is dat merkwaardig, want om de l zelf te maken hebt u uw lippen helemaal niet nodig. U hoeft alleen uw tong in de juiste stand te buigen. Hoe de l dan een rondend effect kan hebben op de voorafgaande klinker, daar zijn de geleerden nog niet uit. Er is niemand die het met zekerheid weet.

Toch is het geen specialiteit van het Nederlands en zien we precies hetzelfde effect in andere talen. Zodra een l te dicht nadert op een voorafgaande klinker, begint die voorafgaande klinker te ronden. Interessant daarbij is vooral het begrip dicht naderen. We zien het effect bijvoorbeeld in de geschiedenis van het Servokroatisch, waar bepaalde klinkers voor een l veranderen in een o. Soms verandert de l ook zelf in een klinker. Die klinker is dan altijd labiaal.

Een voorbeeld daarvan zien we in de geschiedenis van het Frans. Die taal heeft woorden die al eeuwen lang eindigen op -al:

journal, carnaval, cardinal. In de middeleeuwen maakten de Fransen het meervoud van een woord door er een s achter te zetten. Die s schrijven ze ook nog steeds, al spreken ze haar meestal niet meer uit: hommes, femmes, maisons, enzovoort. Alleen bij de woorden die op -al eindigen is het verschil tussen enkelvoud en meervoud ook duidelijk hoorbaar. Het meervoud van die woorden eindigt namelijk in het schrift altijd op -aux en in de spraak op -o: journaux klinkt als zjoerno.

De Franse spelling is in afgelopen honderden jaren vrijwel niet veranderd. We kunnen daarom veel over de klankgeschiedenis van die taal leren door alleen maar naar de spelling te kijken. Om te begrijpen wat er in dit geval precies gebeurd is, moeten we ons verdiepen in de structuur van een lettergreep. Ik heb tot nu toe al enkele malen de lettergreep als klankvorm aangeduid, zonder precies duidelijk te maken wat ik met die aanduiding precies bedoelde. De typische lettergreep bestaat uit een klinker met enkele medeklinkers eromheen gegroepeerd:

L
/ / | \ \
C1 C2 V C3 C4
| | | | |
b l o n d

Bij een wat minder oppervlakkige studie blijkt dat we wat meer structuur kunnen aanbrengen. Allereerst kunnen we de lettergreep in tweeën delen. De eerste groep bestaat dan uit de eerste twee medeklinkers en de twee groep uit de klinker en de laatste twee medeklinkers. De eerste groep noemen we dan de aanzet en de tweede groep het rijm.

Aan het rijm heb ik in het voorafgaande al wat aandacht besteed. Bij het dichterlijk eindrijm kijken we alleen naar het rijm van de lettergreep. Blond rijmt op grond omdat de rijmen van die twee lettergrepen hetzelfde zijn, ook al zijn de aanzetten geheel verschillend. Een ander soort dichterlijk rijm is de alliteratie. Daarbij wordt nu juist gekeken naar de aanzetten van lettergrepen ÷ dat wil zeggen naar precies die klanken die wel samen in de lettergreep staan, maar niet in het rijm ÷ en niet naar de rijmen: blond allitereert met blauw.

Als we kijken naar dichterlijke rijmsystemen in de wereld, dan blijken ze zich altijd te houden aan de tweedeling tussen aanzet en rijm. Er is geen enkele taal bekend die bijvoorbeeld eist dat C2 en V hetzelfde zijn in twee rijmende woorden, zonder een verdere eis te leggen op C1, C3 of C4. In zo'n hypothetisch systeem zou blond wel rijmen op plots en klont, maar niet op bond. Hoewel er logisch weinig is aan te merken op zo'n systeem, wordt het toch nergens ter wereld aangetroffen. Kennelijk speelt het verschil tussen aanzet en rijm in alle talen van de wereld een zeer belangrijke rol.

Een andere plaats waar we een verschil tussen aanzetten en rijmen zien opduiken is in de analyse van vergissingen die mensen maken. Bij al het gepraat dat er de hele dag geproduceerd moet worden, gaat natuurlijk wel eens wat mis. Een veel voorkomende vergissing heet 'transpositie', de verwisseling van klanken in twee verschillende woorden. Die onbewuste vergissing blijkt zich vrijwel altijd te houden aan de grens tussen aanzet en rijm: klanken uit twee aanzetten kunnen met elkaar verwisseld worden, en klanken uit twee rijmen kunnen dat eveneens, maar het komt zelden of nooit voor, dat een aanzet met een rijm verwisseld wordt. Het is bijvoorbeeld wel mogelijk dat iemand per vergissing een sord boep bestelt, maar dat iemand in zijn zenuwen per ongeluk een dorp soep vraagt, komt eigenlijk niet voor. Op dit soort versprekingen kom ik later uitgebreid terug.

Er is dus reden genoeg om het plaatje van de lettergreep iets ingewikkelder te maken. We kunnen het voor het gemak als volgt tekenen:

L
/ \
A R
/ | / | \
C1 C2 V C3 C4
| | | | |
b l o n d

De L staat hier voor de lettergreep, de A voor de aanzet en de R voor het rijm. De lijnen geven aan dat A en R deel uitmaken van de L, C1 en C2 van de A, enzovoort.

De vraag rijst nu of we nog een verdere onderverdeling kunnen maken. Voor de aanzet boezemt die vraag weinig belang in: er is maar één manier om deze nog verder in tweeën te verdelen omdat hij uit hooguit twee klanken bestaat.

Bij het rijm wordt de vraag iets gewichtiger. Er zijn twee manieren waarop we het rijm in twee stukken kunnen verdelen: we kunnen C3 bij de klinker groeperen en C4 alleen achterlaten, of we kunnen juist de klinker apart zetten en C3 samen met C4 groeperen. Daarnaast bestaat natuurlijk ook de mogelijkheid dat er helemaal geen verdeling mogelijk is en dat alle drie de onderdelen van het rijm op gelijke voet staan.

Het is veel moeilijker te bepalen wat de juiste structuur van het rijm was dan om de onderverdeling van de lettergreep in aanzet en rijm vast te stellen. Terwijl de laatste onderverdeling dan ook door alle moderne fonologen geaccepteerd wordt, bestaat over de aanpak van het rijm wel onenigheid. De meeste fonologen menen, vermoed ik, dat de beste aanpak is om de klinker en de eerste medeklinker samen te groeperen. De uiteindelijke structuur van de lettergreep kunnen we dan als volgt tekenen:

L
/ |  
A R
/ | | \
/ | N C
/ | | \ |
C1 C2 V C3 C4
| | | | |
b l o n d

De N is de 'nucleus', de kern van de lettergreep en de C de 'coda'. Als tweede element van de nucleus heb ik hier C3 geschreven omdat de n die in voorbeeld die positie inneemt nu eenmaal een medeklinker, een consonant, is. In het Nederlands kan die plaats ook door een klinker ingenomen worden: in het woord klein wordt die plaats bijvoorbeeld ingenomen door een ie. Ik had hier dus ook V2 kunnen schrijven.

In sommige talen kan de tweede plaats zelfs alleen door een klinker worden gevuld. In zulke talen kan men dus taa zeggen en eventueel taan of taat maar in ieder geval niet *tant omdat in dat laatste woord de n in de nucleus zou moeten verschijnen. C4 mag door elke medeklinker worden ingenomen maar de tweede positie van de nucleus is gereserveerd vor klinkers.

Het Frans is geen volmaakt voorbeeld van een dergelijke taal, maar er was in vroeger dagen wel een sterke tendens te bespeuren om medeklinkers te weren aan het eind van een lettergreep. Nog steeds wordt de laatste t van petit alleen uitgesproken als hij niet aan het eind van een lettergreep hoeft te staan. In de vrouwelijke vorm van het woord pe-ti-te bijvoorbeeld, waar de stomme e zorgt dat de t de medeklinkerplaats aan het begin van een lettergreep kan vullen. Lettergrepen die eindigen op twee medeklinkers waren in het Oudfrans al helemaal schaars.

Het verwarrende is dat in de moderne tijd de bezwaren tegen woorden die eindigen op een medeklinker lijken te zijn losgelaten door de Fransen. Jonge Fransen creëren juist steeds meer woorden die juist wel op een medeklinker eindigen en zeggen fac in plaats van faculté en prof in plaats van professor. De taalkundige krachtvelden lijken zich dus op dit moment aan het veranderen in het Frans. We vinden nog sporen van de oude verhoudingen ÷ er is nog geen Frans kind aangetroffen dat de laatste t in petit uitspreekt ÷ maar misschien zijn over een paar honderd jaar woorden die eindigen op één of meer medeklinkers in het Frans net zo gewoon als in het Nederlands of in het Engels.

In ieder geval zijn er tijden geweest dat het anders was. Toen gold het adagium: hoe minder medeklinkers aan het eind van een lettergreep, des te beter. Laten we nu de laatste lettergreep van journal eens bekijken. We kunnen aannemen dat die de volgende inwendige structuur heeft:

L
/ |
A R
| | \
| N C
| | \
C1 V C2
| | |
b a l

Ik neem aan dat de n in de C1-positie staat; ik had ook C2 kunnen schrijven, dat maakt weinig verschil. Belangrijker is dat de l in de positie C4 geplaatst is, en dus in de coda. Daar zijn de eisen minder streng, een medeklinker mag daar, anders dan in de nucleuspositie C3, best staan.

In het meervoud veranderden er een paar dingen. Er werd een s toegevoegd aan het eind van het woord en deze s moest een plaatsje in de lettergreepstructuur zien te vinden. De enige plaats was de coda. In het Frans zijn coronalen wat minder privileges toebediend dat in het Nederlands. De s moest daarom in C4. Maar dat betekende dat de l een plaatsje moest opschuiven, dichter naar de klinker, om een plaats in de nucleus te vullen. De resulterende lettergreep kon er alleen als volgt uitzien:

L

A R

N C

C1 V C3 C4

n a l s

De l was nu gevangen in een plaats in de nucleus. Die plaats was echter strikt gereserveerd voor klinkers en klinkerachtige elementen. Omdat de l onder een dergelijke druk de neiging heeft om te veranderen in een labiale klinker, zoals we in het Nederlandse vogel hebben kunnen zien, werd dat de u. Een tijdlang moeten de Fransen toen iets hebben gezegd als zjoernaus, met een klank die veel leek op onze huidige au-klank. Weer later is de s verdwenen en zijn de a en de u samengesmolten tot een o-achtige klank.

Dat in de geschiedenis van het Nederlands een vergelijkbaar proces heeft plaatsgevonden, kunnen we zien als we deze taal vergelijken met de talen van de naaste buren, het Engels en het Duits. Waar Engelsen en Duitsers nog old, cold, fold en alt, kalt en falt zeggen, hebben de Nederlandstaligen er oud, koud en vouw van gemaakt.

Hoezeer ik de lettergreep nu ook uit elkaar getrokken heb en in de kleinste samenstellende delen heb geanalyseerd, heb ik nog altijd niet verklaard, waarom eigenlijk een l veranderd in uitgerekend een labiale klinker. Zoals gezegd zijn de geleerden er nog niet uit. We zien het effect in een zeer groot aantal talen ÷ alleen in Europa al kunnen we het proces dus zien in het Nederlands en het Frans, maar ook in het Servokroatisch, het Portugees en het Catalaans. Toch heb ik nog nooit iemand een bevredigende verklaring van het verschijnsel horen geven. Er zijn nog genoeg zaken in de wereld waar we niets van begrijpen. Elke taal is nog vol raadsels.

terug / inhoudsopgave / vooruit