(Verschenen in Onze Taal, mei 2008)
Wat is het Franse woord voor 'vraaggesprek'? De Académie française, dat eerbiedwaardige instituut van schrijvers en intellectuelen dat de Franse taal bewaakt en altijd op zoek is naar woorden voor nieuwe begrippen, heeft erover beraadslaagd, alle alternatieven overwogen en uiteindelijk gekozen voor un interview. Hoe sterk staat een eeuwenoude instelling in deze ook voor het Frans zo woelige tijden?
Er is in ieder geval veel veranderd sinds de Académie in 1635 door kardinaal Richelieu, eerste minister onder koning Lodewijk XIII, werd opgericht. Er is ook veel hetzelfde gebleven. Veertig geletterde mannen moesten "er met alle mogelijke zorg en ijver aan werken om onze taal duidelijke regels te geven, en haar zuiver en welsprekend te laten zijn, en geschikt om kunsten en wetenschappen in te bespreken." Het voornaamste instrument daarvoor is altijd het eigen woordenboek geweest, de Dictionnaire de l'Académie française, waarvan de eerste druk verscheen in 1694.
"Hoe we onze missie vervullen? Iedere week herzien we een paar pagina's van het woordenboek", vertelde Marcel Druon (1918), lid sinds 1966,een paar jaar geleden. "We laten nieuwe woorden toe of wijzen ze van de hand, vaak door erover te stemmn; we herzien definities, leggen nieuwe betekenissen vast, en op welk stijlniveau een woord gebruikt wordt. We doen waarschuwingen, stellingen en oordelen uitgaan. We doen ons best om degenen die de Franse taal mishandelen zich schuldig te doen voelen. En als we bij de letter Z zijn, beginnen we opnieuw."
In de loop van de tijd heeft de Académie er taken bijgekregen. Ze is bijvoorbeeld verantwoordelijk voor een groot aantal, vooral literaire, prijzen en beurzen, heeft een spraakkunst van het Frans gepubliceerd, en was aan het eind van de jaren tachtig van de vorige eeuw betrokken bij een spellingshervorming.
Het wordt in de Franstalige wereld als een grote eer beschouwd om tot de Académie te worden toegelaten. Er zijn precies veertig zetels met ieder een eigen nummer en een eigen opvolgingsgeschiedenis. De in februari overleden romanschrijver Alain Robbe-Grillet (1922-2008) bezette bijvoorbeeld zetel 32, en Marcel Druon zit op nummer 30. Het is een traditie dat iemand die tot een zetel wordt geroepen een toespraak houdt om zijn voorganger te eren. De leden worden 'de onsterfelijken' genoemd, les immortels, naar de door Richelieu toegekende wapenspreuk Á l'immortalité! (Voor de onsterfelijkheid!) Ze dragen een speciaal, met groene biezen afgezet, uniform tijdens officiële bijeenkomsten, en ze hebben zelfs nog altijd het recht om een zwaard te dragen, behalve als ze priester zijn, of vrouw.
Het prestige van de Académie komt vooral voort uit het feit dat de onsterfelijken geacht worden de beste taalgebruikers te zijn van hun tijd. Toch zijn veel beroemde Franse schrijvers nooit tot de rijen der onsterfelijken toegetreden: Diderot, Molière, Balzac, Flaubert en Zola bijvoorbeeld. Ook de beroemdste Franse taalwetenschapper van de twintigste eeuw, André Martinet, heeft het uniform nooit mogen dragen.
Omgekeerd treden er af en toe leden toe van wie het onduidelijk is welke verdiensten ze hebben voor de Franse taal. Toen de voormalige president Valéry Giscard d'Estaing (1926) in 2003 tot het eerbiedwaardige gezelschap toetrad, schreef Maurice Druon een woedend stuk in Le Figaro, waarin hij wees op de magere literaire kwaliteiten van de politicus. Giscard had naast vier boeken over politiek geschreven en twee delen memoires, slechts één roman geschreven, Le passage, die algemeen als onleesbaar wordt beschouwd. Ook het lidmaatschap van Yves Pouliquen (1931), die vooral beroemd werd als oogarts, is omstreden.
Het lidmaatschap is voor het leven en slechts bij hoge uitzondering kunnen onsterfelijken worden geroyeerd – de eerste keer was overigens al in 1638, toen een lid zich schuldig had gemaakt aan diefstal. Voor het laatst gebeurde het na de Tweede Wereldoorlog, met enkele onsterfelijken die met de bezetter gecollaboreerd hadden.
Een ongewild gevolg van dat levenslange lidmaatschap is dat de gemiddelde leeftijd van de leden van de Académie française op dit moment op ongeveer 78 jaar ligt. Negen leden zijn ouder dan tachtig, en vijf zelfs ouder dan negentig. Eén lid hoopt dit jaar honderd te worden: de antropoloog Claude Lévi-Strauss (1908). Er zijn permanent enkele zetels vacant omdat de vorige bezetter ervan overleden is en de overige leden nog niet in staat zijn geweest om een nieuwe kandidaat te kiezen. De procedure daarvoor is namelijk ook nog eens tamelijk ingewikkeld. Toen president Nicolas Sarkozy in januari de Académie bezocht, konden slechts zestien van de veertig leden aanwezig zijn.
Daar komt nog bij dat veel beroemde schrijvers er helemaal geen zin in hebben om lid te worden; en uiteindelijk zijn het altijd de schrijvers geweest die de Académie haar prestige verleenden. In de afgelopen jaren hebben literaire beroemdheden als Milan Kundera, Jean Echenoz en Patrick Modiano allemaal bedankt voor een plaatsje in de Académie. De schrijver Philippe Sollers vertelde vorige maand tegen de krant le Nouvel Observateur: "Zeven jaar geleden vroeg Pierre Rosenberg, de voormalig conservator van het Louvre, die net verkozen was tot lid, me om een keer te dineren met Hélène Carrère d'Encausse, de secretaris van de Académie. Ze deed heel zenuwachtig, zei dat ze de hele tijd aan me had gedacht. Maar waarom zou ik aan die maatschappelijk komedie meedoen? Er zit geen enkele schrijver in de Académie die ik bewonder."
De enige grote schrijver die in recente jaren wel toetrad, was Alain Robbe-Grillet. Hij werd verkozen in 2004, maar is uiteindelijk nooit officieel ontvangen, omdat hij zich afzette tegen het protocol. Hij weigerde bijvoorbeeld het uniform te dragen, en ook om tevoren inzage te geven in zijn intreerede. Voordat al het gekrakeel hieromheen kon worden opgelost, was hij overleden.
"Ik weet dat er beroemde schrijvers zijn die niet tot ons willen toetreden", zegt Hélène Carrère d'Encausse in hetzelfde artikel. "De generatie van zestigers heeft een afkeer van alle instituties, hetgeen zonder twijfel moet worden toegeschreven aan de invloed van mei '68. Ik denk dat de jongere generatie weer wel graag lid zal willen worden. Want ik ben me ervan bewust dat de Académie nieuwe literaire persoonlijkheden moet aantrekken."
Dat de Académie nogal behoudzuchtig is, blijkt ook uit de ondervertegenwoordiging van taalgebruikers die geen in Parijs wonende mannen zijn. Pas in 1980 trad de eerste vrouw toe tot de rijen van de onsterfelijken, de schrijfster Marguerite Yourcenar (1903-1987). Op dit moment zijn vier van de veertig leden vrouw: de historica Hélène Carrère d'Encausse (1929), de actrice Florence Delay (1941), de schrijfster Assia Djebar (1936) en de filologe Jacqueline de Romilly (1913).
Ook de Franstaligen van buiten Europa zijn ondervertegenwoordigd, al is Djebar een Algerijnse en zijn sommige leden geboren in Argentinië, in China en op Corsica. Eerder dit jaar werd voor het eerst in de geschiedenis een Engelsman genomineerd: Michael Edwards (1938), een hoogleraar Engelse literatuur in Parijs. Hij haalde in die ronde nog niet de vereiste meerderheid en zal dus waarschijnlijk volgend jaar weer meedoen. Overigens doken in de Franse media rondom Edwards' verkiezing wel anonieme stemmen op dat de Engelse hoogleraar af en toe een taalfout maakte, "wat ook wel heel makkelijk te doen is in het Frans".
Het lijkt erop dat de Académie langzaam maar zeker prestige en autoriteit verliest. Hoewel ze een onderdeel is van de staat, hebben haar aanbevelingen geen wettelijke kracht, en zelfs overheidsinstellingen houden zich er niet altijd aan. Zo vindt de Académie dat er ook naar vrouwelijke ministers moet worden verwezen als le ministre, met het mannelijke lidwoord le. De socialistische premier Lionel Jospin stelde echter al in 1997 de regel in dat vrouwelijke ministers la ministre zouden heten, zoals dat trouwens in de rest van de Franstalige wereld – in Wallonië, in Canada en Zwitserland – ook gebeurt (zie kader).
Buiten de overheid is het gezag van de Académie nog zwakker. "De Académie is een clubje oude, sympathieke, bangige heren die geen gedoe willen", zei de schrijver Jean Raspail onlangs. "Het werk voor de taal, de basis van de Académie, lijdt eronder. Ze speelt geen rol meer. Twee tekenen van verval bedriegen niet: de lijst met prijzen van de Académie wordt nergens meer gepubliceerd. En er komt geen journalist meer naar hun openbare vergaderingen."
Veel Fransen laten zich, net als andere Europeanen, nog maar weinig gelegen liggen aan autoriteiten waar het over taalzaken gaat. Bovendien wordt ook Frankrijk overspoeld door de moderne tijd, met zijn talloze Engelse woorden voor steeds weer nieuwe uitvindingen. Dat is waarschijnlijk voor geen enkele organisatie bij te houden, laat staan voor een waarvan de gemiddelde leeftijd zo hoog ligt. Dit werk is inmiddels uitbesteed aan een ambtelijke commissie van het Ministerie van Cultuur, maar toen vijf jaar geleden het woord courriel voorstelde ('e-mail', een samentrekking van courrier électronique 'eletronische post'), haalden veel Franse internetgebruikers hun schouders op, en bleven 'e-mail' gebruiken. Op dit moment heeft dat laatste woord 4,5 miljoen treffers op Google, terwijl courriel 3,5 miljoen treffers haalt – waarvan veel uit Québec, dat inmiddels heel wat puristischer is dan Frankrijk.
Toch heeft nog niet iedereen de Académie opgegeven. Pierre Encrevé, voormalig adviseur van cultuurminister Jack Lang, en een van de bekendste moderne taalkundigen, meent bijvoorbeeld dat juist het uiterst conservatieve optreden van de Académie de toekomst van het Frans als cultuurtaal garandeert: "Neem het Engels", zei hij in een interview met het culturele magainze Biffures. "De Engelstaligen hebben de band met hun klassieke cultuur doorgesneden. Terwijl een kind van zeven of acht dat in Frankrijk school is gegaan, heel goed de Fabels van La Fontaine kan begrijpen, die toch uit de zeventiende eeuw stammen, en zelfs in de oorspronkelijke spelling, moet je niet proberen een jonge Amerikaan verzen van Shakespeare te laten lezen, zelfs niet in aangepaste spelling. Daar snapt hij niets van. De Académie française, ingesteld in de zeventiende eeuw, en het schoolsysteem, hebben een relatieve stabiliteit gegeven aan onze schrijftaal."
Bovendien wijzen sommige commentatoren op de kracht van de tradities. Is de Académie française geen achterhaald relict van de verlichting? "Het Engelse koningshuis is nog ouder", zegt de onlangs tot de Académie toegelaten schrijver Dominique Fernandez (1929), "en dat bestaat ook nog steeds."
In weerwil van het wat stoffige imago en de hoge leeftijd van de leden, presenteert de Académie française zich ook uitvoerig op het internet. De eigen website bevindt zich op www.academie-francaise.fr; een elektronische versie van de negende (sinds 1972 in bewerking zijnde) editie van het woordenboek staat op atilf.atilf.fr/academie9.htm. Op canalacademie.com bevindt zich een internetradiostation dat aandacht besteed aan de werkzaamheden van verschillende Franse academies, waaronder de Académie française.
De grootste taaldiscussie in Frankrijk betrof de afgelopen jaren de manier waarop naar vrouwelijke persoonsnamen moet worden verwezen: is een vrouwelijke minister le of la ministre. In 1984 stelde de toenmalige regering een commissie in om ervoor te zorgen dat er meer specifieke vrouwelijke functienamen kwamen, met het lidwoord la. De Académie française werd hier niet in gekend, en verzette zich ertegen, met als argument dat het lidwoord le in het Frans niet alleen specifiek naar mannelijke personen verwijst, maar geslachtsneutraal is. Door la te gebruiken zou men juist te veel onderscheid tussen mannen en vrouwen maken. De kwestie werd weer actueel aan het eind van de jaren negentig, toen de regering besloot inderdaad voortaan over la ministre te spreken. De Académie protesteerde opnieuw. In 1998 gaf de minister de onsterfelijken gedeeltelijk gelijk. Voor functies als 'de minister', waarbij het in officiële documenten vaak irrelevant is wat voor persoon haar vervult, zou het strikt genomen beter zijn alleen de neutrale vorm met le te gebruiken. Aan de andere kant wees de minister erop dat het juridisch en praktisch heel moeilijk zou zijn nog in het feitelijk taalgebruik in te grijpen