Universele grammaticaSommige geleerden wijzen op het verband tussen de taalbeschouwing van de zeventiende-eeuwse Verlichting en het gedachtegoed van de moderne taalopvatting die bekend staat als de generatieve grammatica.3 (Overigens hebben zoals we zojuist hebben gezien ook de formele semantiek en de mathematische taalkunde duidelijke wortels in de zeventiende eeuw.) Er zijn ook verschillen tussen Leibniz en zo iemand als Chomsky, al is het maar dat de laatste voor zover ik weet zich nooit met het probleem van een 'ideale' of 'universele' taal heeft beziggehouden.

De overeenkomsten zijn interessanter. Leibniz was erg geïnteresseerd in een soort comparatieve syntaxis, omdat hij hoopte op deze manier achter een ideale zinsbouw te komen voor de ideale taal: die taal zou precies al datgene bevatten wat alle talen gemeenschappelijk hebben en niets meer. Hij was dus ge•nteresseerd in een universele grammatica, en dat is nu precies waarin in de huidige tijd generatieve grammatici geïnteresseerd zijn, al is het om een andere reden: zij denken dat deze generatieve grammatica een aangeboren orgaan is, eigen aan de mens en dat elk willekeurig taalsysteem voor een belangrijk deel definieert. Chomsky heeft er overigens op gewezen dat dezelfde gedachte ook bij veel tijdgenoten van Leibniz aangetroffen kan worden - en Leibniz zal er zelf waarschijnlijk ook niet vreemd van hebben opgekeken.

We zouden ook andersom kunnen redeneren. De door de generatieve grammatica vastgelegde Universele Grammatica definieert dan in zekere zin een 'ideale taal' - of in ieder geval de grammatica van die taal. (De relatie tussen vorm en betekenis van individuele morfemen wordt al sinds lange tijd als noodzakelijkerwijs willekeurig gezien, en kan daarom niet het onderwerp zijn van taalkundige beschouwingen.) De ideale taal is die taal die precies voldoet aan de wetten van de grammatica.

De vraag doet zich nu voor of dan niet elke natuurlijke taal per definitie een ideale taal is. Al die talen voldoen immers per definitie aan de wetten die het natuurlijk taalvermogen stelt. Om op die vraag een antwoord te kunnen geven, moeten we bekijken hoe het probleem van de vijf inflectieparadigma's in het Latijn wordt opgelost in het generatieve kader. Nu is aan dit onderwerp toevallig onlangs uitgebreid aandacht besteed door een van de bekendste generatieve morfologen, de Amerikaan Mark Aronoff, in zijn boek Morphology by Itself.

De grammatica bestaat in sommige opvattingen uit twee componenten: een syntaxis en een fonologie. De syntaxis bepaalt hoe we woorden en woordeeltjes aan elkaar plakken: de en tafel wordt samen de tafel, en tafel en de wordt samen tafelde. De fonologie bepaalt vervolgens hoe zo'n combinatie van woorden of woorddeeltjes wordt uitgesproken: winkel plus -ier is winkelier, met klemtoon op de laatste lettergreep, wandel plus -aar wordt samen wandelaar, met klemtoon op de eerste lettergreep. De vorming van woorden is nu volgens sommige geleerden een syntaxis op woordniveau, of een speciaal geval van fonologie. Aronoff laat zien dat er dan echter nog altijd een idiosyncratisch residu bestaat. Dat is de eigenlijke morfologie by itself, en de keuze van de verschillende verbuigingsklassen in het Latijn is er een voorbeeld van. Ik noem dergelijke morfologie in het vervolg 'bijzondere morfologie'.

Van de syntaxis is duidelijk waar ze toe dient: woorden en woorddelen moeten nu eenmaal op een bepaalde manier aaneengeregen worden tot zinnen. De functie van de fonologie is intu•tief ook duidelijk: zinnen moeten nu eenmaal worden uitgeschreven. De functie van de bijzondere morfologie is veel minder duidelijk, en ze speelt daarmee (zeg ik) een heel andere rol in de grammatica dan de fonologie en de syntaxis.

Aronoff sluit in ieder geval aan op een duidelijke ontwikkeling in de grammaticatheorie: om alle soorten taalspecifieke eigenaardigheden te verwijzen naar het domein van de morfologie. Zoals we hieronder zullen zien, worden de claims op universaliteit zowel binnen de syntaxis als binnen de fonologie steeds groter. Het verschil dat vroeger wel gemaakt werd tussen kern en periferie - de eerste een verzameling 'universele' eigenschappen die alle talen delen, de tweede een verzameling taalspecifieke curiosa - wordt er een van fonologie en syntaxis aan de ene kant, en bijzondere morfologie aan de andere. Alles wat taalspecifiek is, alles wat geleerd moet worden, is morfologisch.

De ideale grammatica van Leibniz is in deze termen te karakteriseren als een taal zonder bijzondere morfologie. Als we eenmaal precies bepaald hebben hoe de Universele Grammatica eruit ziet, kunnen we dan een taal construeren die dit ideaal dicht benadert. Volgens Chomsky:4

It is, in fact, easy to design languages that satisfy UG even more closely than the complex mixtures and amalgams that we informally call "languages", just as it is easy to construct something that conforms more directly to the laws of motion than what we observe in the natural world, where all sorts of factors (e.g., electromagnetic fields) interfere. That's why scientists do experiments.

De vraag doet zich uiteraard voor waarom dit soort experimentele talen dan niet door taalkundigen ontworpen wordt, als het zo eenvoudig is dit te doen. Maar het idee is in ieder geval duidelijk: in theorie zou een taalkundige talen kunnen ontwerpen die een zeker ideaal benaderen, zonder storende interferentie. We zouden uit de theorie moeten kunnen afleiden wat de vorm van deze talen is. Laten we daarom eens kort kijken hoe deze theorie eruitziet.5

3 Chomsky (1966)
4 Brief aan M,. Mullarney, 14.06.1993
5 Voor de volledigheid: ik beperk me tot een zeer summiere weergave van de hoofdlijnen van de theorieën die ik toevallig het best ken; er bestaan veel alternatieve modellen van de grammatica. Ik heb de indruk dat de meeste ervan aanleiding kunnen geven tot soortgelijke conclusies, zonder dat ik deze indruk hier kan staven.

[minimalisme en optimaliteit]