Minimalisme en optimaliteit In de generatieve syntaxis en fonologie zijn op dit moment twee theorieën populair die volgens mij, zeker in onderlinge samenhang, een goed inzicht geven in het menselijk taalvermogen: het minimalisme en de optimaliteitstheorie.

Belangrijk aan het minimalisme6 is in dit verband in de eerste plaats dat het beweert dat de kern van het menselijke taalvermogen een 'perfect' systeem is, dat beschreven kan worden in een grammatica die alleen maar gebruik maakt van de hoogstnodige middelen. De grammatica van een taal - van elke taal - kan beschreven worden met een wonderlijk klein aantal wonderlijk eenvoudige beschrijvingsmiddelen. Voor zover we imperfecties aantreffen, hebben deze volgens Chomsky te maken met het betreurenswaardige feit dat we talen nu eenmaal moeten uitspreken. De grillen van het menselijke spraakapparaat zorgen voor eventuele oneffenheden die we in de menselijke taal kunnen ontdekken. Wat dit betreft is er een parallel met de ideeën van Leibniz, die het feit dat zijn taal uiteindelijk moest worden uitgesproken ook zag als een minder belangrijk detail. De ideale taal zou in een puur minimalistisch model niet worden uitgesproken maar bijvoorbeeld via telepathie worden overgeseind.7

Nog belangrijker aan het minimalisme is dat deze theorie impliceert dat de grammatica's van alle talen in wezen hetzelfde zijn. Er is die ene volmaakte grammatica, dat ene perfecte algoritme dat beschrijft hoe woorden kunnen worden samengevoegd in een zin, en de grammatica's van alle talen bestaan in essentie uit dat algoritme. Talen kunnen alleen van elkaar verschillen in de manier waarop met de spraakorganen wordt omgesprongen, of, vooral, in hun bijzondere morfologie.

Als ik het goed begrijp, zijn er (als we de klassieke morfologie buiten beschouwing laten) eigenlijk twee soorten morfologische verschillen tussen talen. De eerste is dat sommige talen kunnen een bijzondere morfologie hebben die in andere talen uiteraard (de morfologie heet niet voor niets taalspecifiek) ontbreekt. Maar er is ook een abstracter woordstructuur: dat de syntaxis van taal A anders lijkt dan die van taal B komt alleen doordat het universele algoritme in taal A op andere woorden werkt dan in taal B. Een klein voorbeeld: in het Nederlands worden vraagwoorden verplaatst naar de eerste plaats in de zin:
1 a Jan koopt een boek.
b Wat koopt Jan?
In het Chinees blijven vraagwoorden echter op dezelfde plaats staan als niet-vraagwoorden:
2 a Zhangsan mai-le shu
Zhangsan koopt een boek
b Zhangsan mai-le sheme
Zhangsan koopt wat

We kunnen ons nu afvragen wat eigenlijk het verschil is tussen het Nederlands en het Chinees. Er zijn twee mogelijke antwoorden op deze vraag. Het eerste antwoord is dat het Chinees andere grammaticaregels heeft dan het Nederlands. Bijvoorbeeld: het Nederlands heeft de regel 'Verplaats vraagwoorden naar voren', die in het Chinees ontbreekt. Het minimalisme heeft echter een ander antwoord op deze vraag: volgens deze theorie is er een soort abstract verschil tussen de eigenschappen van het Nederlandse vraagwoord wat en het Chinese vraagwoord sheme: het Nederlandse woord heeft de eigenschap dat het met alle geweld naar voren verplaatst wil worden, het Chinese woord heeft deze eigenschap niet. Het zou in theorie mogelijk zijn om het Chinese woord in een Nederlandse zin te gebruiken. Het zou dan niet verplaatst worden.

Het is dan ook niet mogelijk om in dit geval te bepalen welk van de twee talen - het Nederlands of het Chinees - het ideaal het best benadert. Een taal moet, aangenomen dat ze vraagwoorden moet hebben, aan die vraagwoorden nu eenmaal een bepaalde woordvorm meegeven. Taalverschil is zo bezien een kwestie van woordkeus. Het hangt er maar net vanaf welk taalteken men kiest om een bepaald idee uit te drukken. Ik geloof niet dat er iemand is die weet welke mogelijke vorm de beste is. Ik denk dat er geen beste vorm is, al is het in theorie mogelijk dat ooit iemand een goed criterium vindt.

Een probleem van het minimalisme is dat het geen goede theorie over fonologie biedt. Zoals gezegd, wordt het feit dat taal ook moet worden uitgesproken als een tamelijk lastige bijkomstigheid gezien. Naar mijn idee wordt dit gat voor een belangrijk deel gedekt door de optimaliteitstheorie, die enorm populair is onder fonologen. Waar het minimalisme een theorie biedt over de computationele kern van taal, het onveranderlijke perfecte systeem en de woordvormingskeuzen die nu eenmaal gemaakt moeten worden, biedt optimaliteitstheorie in de eerste plaats een verantwoording van het compromisachtige karakter dat veel talen die niet via telepathie overgeseind worden nu eenmaal kenmerkt.

6 Chomsky (1995), Freidin (1997)
7 Chomsky (1995)

[optimaliteit]