2. Schrijven voor de kijkcijfers

Marc van Oostendorp

Hoofdstuk uit het boekje Computers en taal, oorspronkelijk verschenen bij Sdu, Den Haag, 1999.

Wie webredacteur wordt, begrijpt ineens waarom mensen bij de publieke omroep zo gefascineerd zijn door kijk- en luistercijfers. Ik heb de afgelopen jaren een paar weblocaties gemaakt en beheerd – dat wil zeggen, ik heb openbare plaatsen op Internet aangelegd waar iedereen die dat wil, informatie kan vinden over taal en literatuur. Zo'n weblocatie moet leven. Je kunt niet een verzameling informatie op een computer plaatsen, die computer op Internet aansluiten en dan de rest van de tijd met je armen over elkaar gaan zitten wachten totdat de bezoekers toestromen. Zelfs als er een tijdelijke stormloop zou ontstaan, komen veel bezoekers niet snel meer terug. Van mensen die terugkomen moet je het hebben, al is het maar omdat het precies die mensen zijn die hun enthousiasme voor een weblocatie met anderen zullen delen. Om je bezoekers te laten terugkeren, is doorlopend onderhoud nodig. Niemand komt ooit terug op een weblocatie waaraan voor het laatst iets veranderd is op 25 augustus 1995.

Een webredacteur is verantwoordelijk voor die inhoud en moet er dus ook voor zorgen dat de locatie vaste bezoekers krijgt. Om te zien of hij zijn werk goed doet, beschikt hij over dagelijkse kijkcijfers. Elke keer als iemand een webpagina opvraagt, wordt die aanvraag geregistreerd.

De computer die de pagina's levert, verzamelt elke keer dat er informatie wordt opgrevraagd, aardig wat gegevens over de potentiële lezers. Die gegevens worden door die computer één keer per dag – meestal diep in de nacht – verzameld en tot een rapportje verwerkt dat de webredacteur de volgende ochtend op zijn beeldscherm vindt. Stel: een klant bij de Internet-aanbieder Euronet bekijkt op zijn vrije avond wat webpagina's van woordenboekenuitgever Van Dale. De webredacteur van Van Dale weet dan de volgende ochtend dat er een klant van Euronet uit Nederland langs gekomen is, welke pagina's hij precies heeft opgevraagd, en in welke volgorde hij dat deed. Bovendien kan hij zien welk computerprogramma er gebruikt is om die pagina's te bekijken, welke versie van het besturingssysteem Windows de bezoeker gebruikt, en vanaf welke Internet-pagina hij naar Van Dale is doorverwezen. De enige informatie die de webredacteur niet kan achterhalen is wie de bezoeker precies is. In ieder geval kan hij dat niet zonder medewerking van de Internet-aanbieder, in dit voorbeeld Euronet. Als dat een net bedrijf is, zal het dergelijke informatie alleen aan derden verstrekken als de klant een ernstig misdrijf heeft gepleegd via het netwerk.

Nu is die extra informatie over wie er precies de weblocatie bezocht heeft ook helemaal niet nodig. De dagelijkse statistieken zijn zo al verslavend genoeg. Ik stel me voor dat ze dat voor een medewerker van een televisieprogramma ook zijn. Voordat je 's ochtends aan het werk gaat, werp je even een blik op de kijkcijfers. Het heeft misschien helemaal geen zin om dat echt elke dag te doen – van dag tot dag verandert er niet zo vreselijk veel in het gedrag van mensen – maar toch kun je het niet nalaten: hoeveel succes heeft dat nieuwe berichtje van gisteren? Waren er ondanks de voetbalwedstrijd en het mooie weer 's avonds toch nog genoeg mensen die even naar dat fraai vormgegeven nieuwe onderdeel kwamen kijken?

Als het goed is, stijgt het aantal bezoekers voortdurend. Het aantal mensen dat een Internet-aansluiting heeft, groeit al jarenlang razendsnel. Bovendien zijn oudere weblocaties beter `ingebed' in de rest van Internet dan nieuwe. Hoe ouder een weblocatie, hoe meer mensen op andere plaatsen op Internet ernaar verwijzen, en hoe groter de kans dat mensen er toevallig langskomen. Bovendien groeit als het goed is het aantal vaste bezoekers ook. Oude vaste bezoekers blijven komen, daar zijn het vaste bezoekers voor, en nieuwe vaste bezoekers melden zich elke dag. Dat doorlopend groeien van de weblocatie – als je een serieuze weblocatie goed bijhoudt, verdubbelt het aantal bezoekers elke tien maanden – verhoogt het genot van de statistiekverslaafde.

Er schijnen Amerikaanse Internet-tijdschriften te zijn waarvan de medewerkers ook iedere dag een overzicht krijgen van het succes van hun artikels, afgezet tegen de resultaten van hun collega's. Als je dat elke dag overkomt, krijgt het na verloop van tijd ongetwijfeld invloed op je manier van schrijven. Wie wil er niet liever vijftienduizend dan tienduizend lezers per dag hebben? Internet is een voortdurend experiment, waarin je kunt uitproberen welke schrijftechniek het meeste succes heeft.

Dat geldt voor geen enkel ander medium waarvoor je schrijven kunt. Een auteur wiens boek niet verkoopt, kan altijd de uitgever de schuld geven, die te weinig moeite gedaan heeft dat boek op een prominente plaats in de boekwinkel te krijgen. Wie een artikel in een krant of een tijdschrift schrijft, weet nooit zeker of de schommelingen in de oplagecijfers nu wel of niet aan zijn bijdragen kunnen worden toegeschreven. Maar elk willekeurig artikel op Internet is voor wie de weg weet precies even gemakkelijk en precies even goedkoop te raadplegen als willekeurig welk ander artikel. Als jij artikels schrijft die minder lezers trekken dan de werkstukken van je collega's, ligt dat alleen maar aan je eigen stijl en onderwerpkeuze.

Schrijven voor Internet kun je het best doen door veel te oefenen. Er worden al regelmatig cursussen gegeven door zelfverklaarde deskundigen die beweren dat ze kunnen uitleggen hoe je moet schrijven voor het beeldscherm. Hoewel er waarschijnlijk best een paar tips en trucs te geven zijn, heb ik weinig vertrouwen in die deskundigen. Zij kunnen hoogstens theoretische kennis overbrengen, want praktijkervaring heeft vrijwel niemand. Niet alleen is het medium te jong, doordat de `oude' media zo weinig inzicht gaven in de echte kijkcijfers, kunnen we nu pas echt gaan leren wat schrijven voor grote groepen mensen is. Door elke dag de kijkcijfers te bestuderen, krijg je langzamerhand in je vingers wat de meeste mensen willen lezen.

Vieze woorden

Waar willen de meeste mensen over lezen? Dat is niet moeilijk, dat is natuurlijk maar één ding. Een gerenommeerd liefhebber van woordenboeken heb ik eens horen vertellen dat hij het als kind leuk vond om stiekem vieze woorden op te zoeken in de naslagwerken in de boekenkast van zijn ouders. Aan het gesnuffel en gezoek naar verboden woordjes in deftige ingebonden boeken had hij een levenslange fascinatie voor taal overgehouden.

Zo'n verhaal prikkelt de fantasie; in ieder geval de mijne. Dat zoeken naar verboden vruchten kan op Internet natuurlijk op een veel grotere schaal. Is dat geen manier om belangstelling voor de moedertaal te stimuleren? Door over seks te beginnen en dan langzaam maar zeker de aandacht om te buigen naar waar het werkelijk om gaat? Altijd en overal moet je propaganda maken voor taal en literatuur. Dat moet toch ook lukken met seks: ``Als we de klankrij van dat woord omdraaien krijgen we skes. Dat klinkt als een vreemd woord, dat je misschien in een dialect zou kunnen gebruiken, maar toch zeker niet in het Standaardnederlands. Liever zouden we sches zeggen. Hoe komt dat? Welnu,...'' Wie dan níét met rode oortjes zit te luisteren is geen gezonde Hollandse jongen of meid.

Ik schrijf een column voor Neder-L, een elektronisch tijdschrift over de Nederlandse taal- en letterkunde. Het is een leerzaam en keurig blad, maar ook in taal- of letterkundige beschouwingen valt af en toe een onvertogen woord, al is het maar bij wijze van voorbeeld. Wie de kijkcijfers van het tijdschrift bestudeert, ziet onmiddellijk het effect van een vies woord: kennelijk worden de desbetreffende pagina's ineens ook gelezen door mensen met een heel andere belangstelling dan een zuiver taal- of letterkundige.

De Nijmeegse taalkundige Peter-Arno Coppen schrijft bijvoorbeeld in het blad een column ``Linguïstische Miniatuurtjes'' waarin hij elke maand een andere bijzondere zinsconstructie in het Nederlands onder de loep neemt. Twee van de tientallen stukjes die Coppen schreef, heten: `Seks: Versnapering of pech?' en 'Kut op Dirk, waar slaat dat op?' Die stukjes zijn precies even serieus en deskundig geschreven als Coppens andere bijdragen, maar ze hebben dus wel een titel die mogelijkerwijs een breder publiek zouden moeten kunnen bereiken. Werkt het zo ook? Dat is een vraag die op Internet gemakkelijk te beantwoorden is.

Neder-L wordt elke maand naar de abonnees gestuurd via elektronische post, maar heeft daarnaast ook een weblocatie. Dus is er over elke maand statistische informatie beschikbaar. Ik heb de gegevens over een willekeurige maand, augustus 1998, eens bekeken. In Coppens persoonlijke top-3 – de lijst met de columns die deze maand het vaakst werden opgevraagd – stonden de twee columns met seks in de titel op de nummers 1 en 3. De column die Coppen in de maand augustus publiceerde (Uren schreeuwen om aandacht) stond op nummer 2. Die column verdween overigens in latere maanden uit de aandacht, terwijl de twee columns met opvallende titels er bleven staan.

Nu heeft Neder-L nog een columnist, Willem Kuiper, een mediëvist, die in zijn rubriek meestal actualiteiten beschouwt in het licht van de middelnederlandse literatuur. Nummer 1 in Willem Kuipers persoonlijke top-3 stond in augustus een column die hij in december 1997 schreef ('Heb je al gehoord van de zeven, de zeven'); in dit artikel werd gesproken over `tepels'. Nummer 2 was een column over homoseksualiteit (`Een geluk bij een ongeluk') waarin woorden voorkwamen als `schandjongens', `sodomie' en `hermafrodiet'. Pas op nummer 3 kwam een stukje waarin ik niets aanstootgevends kon vinden, over de verzakking van Kuipers huis (`Zo vast als een huis').

Seks in de top

Zoveel seks in de top, dat kan geen toeval zijn. Aan de andere kant staan de intieme delen in ieder geval bij Kuiper vrij goed verborgen in stukjes met nogal verhullende namen. Hoe hebben de lezers ze dan toch weten te vinden? Het antwoord moet volgens mij worden gezocht bij de zoekmachines die her en der aan Internet zijn gehangen. Zoekmachines zijn computerprogramma's die doorlopend Internet afzoeken en daarbij alfabetische indexen maken van miljoenen webpagina's. Wie een steekwoord opvraagt bij een zoekmachine, krijgt een lijst terug met pagina's waarop deze steekwoorden te vinden zijn. (De weblocatie van Neder-L heeft overigens zo'n zoekmachine over de eigen pagina's: daarin kun je dus vinden of een woord op een van de pagina's van die weblocatie staat.) Wie 'tepels' intikt, komt zo uit bij een beschouwing over de middeleeuwse samenleving; wie zoekt naar een seksuele versnapering leert en passant een zin ontleden.

Een blik op de statistieken van de weblocatie van Onze Taal versterkt deze indruk alleen maar. Een substantieel deel van deze weblocatie bestaat uit zogenaamde 'taaladviezen', stukjes waarin taalkundige vragen worden beantwoord. Al jarenlang steekt één advies wat populariteit betreft met kop en schouders boven alle andere uit. Dat is het antwoord op de vraag of je 'silicone borsten' moet schrijven, omdat 'silicone' een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord zou zijn, of 'siliconenborsten' omdat 'silicone' een zelfstandig naamwoord is. Op zichzelf is deze kwestie nogal vergezocht: hoeveel mensen zouden er nu per dag worstelen met de vraag tot welke woordsoort `silicone' behoort? Maar het veelvuldig gebruik van het woord 'borsten' maakt voor sommige mensen zo'n kwestie kennelijk toch interessant.

Het siliconenborsteneffect

Het feit dat kinderen vieze woorden opzoeken in Van Dale maakt het woordenboek natuurlijk niet tot een pornografisch werk, en dat pagina's met vieze woorden populair zijn op een weblocatie zegt niet heel veel over de gemiddelde bezoeker van die weblocatie. Zowel bij Neder-L als bij Onze Taal is bovendien de allerpopulairste pagina de inhoudsopgave waarop geen onvertogen woord valt. Het populairste artikel in Neder-L is al sinds lange tijd Wie is Wie in Het Bureau?, een lijst met de `echte' namen achter de figuren in de sleutelroman Het Bureau van J.J. Voskuil. Het populairste artikel op de weblocatie van Onze Taal is een lijst met koppelingen naar woordenboeken op Internet. Toch is er volgens mij een duidelijke tendens. Een website heeft niet alleen een voordeur, maar via de zoekmachines heeft het ook talloze achterdeuren. Mensen komen binnen omdat ze geïnteresseerd zijn in één van de steekwoorden. (Zo komt er op mijn persoonlijke pagina wel eens een Amerikaan langs die zich voor mij interesseert omdat hij zelf óók Oostendorp heet.)

Ik hoop dat af en toe de aandacht van een surfer gevangen wordt door de siliconenborsten van Coppen of de tepels van Kuiper. Ik schrijf overigens zelf ook een column voor Neder-L. De populariteit van die column hield nooit over totdat ik een keer het idee kreeg om aandacht te besteden aan het siliconenborsteneffect. Mijn persoonlijke populariteit steeg meteen. Ook op mijn eigen webpagina op Internet krijg ik nu regelmatig bezoekers die aan een zoekmachine gevraagd hebben om ``foto's van siliconenborsten''. Vervolgens overlaad ik zo iemand dan met informatie over de elektronische versie van Karel ende Elegast en de manier waarop Nederlandse dialecten klinken. Ik zou het gezicht van zo'n bezoeker weleens willen zien. Gelukkig dat de Internet-computers daar nog niet in voorzien. Dan kwam er helemaal geen einde aan mijn ochtendgenoegen.

Je lezers vasthouden

Het is dus heel gemakkelijk om veel bezoekers te trekken: een paar borsten doet wonderen. Maar dan beginnen de problemen pas. Hoe houd je de aandacht van de eenmaal binnengekomen bezoeker gevangen en hoe zorg je dat je boodschap hem bereikt?

Veel makers van weblocaties begrijpen die vraag volgens mij overigens verkeerd. Zij denken dat het nodig is om een bezoeker die eenmaal binnen is, zolang mogelijk gevangen te houden op hun weblocatie. Hij moet vooral niet doorklikken naar de concurrent. Makers van commerciële weblocaties aarzelen daarom vaak om verwijzingen aan te brengen naar informatie op andere plaatsen op Internet. Sommigen gaan daarbij zo ver dat ze liever informatie kopiëren op hun eigen weblocatie dan dat ze een verwijzing aanbrengen. Wie verwijst, raakt zijn lezer kwijt, denken zij.

Volgens mij trekken dat soort webredacteuren de vergelijking met de televisie te ver door. Een televisiemaker probeert natuurlijk te allen tijde te voorkomen dat de kijkers gaan zappen. Blijf kijken! Ga niet weg! Zo dadelijk komt er iets heel spannends! Als iemand naar een andere zender gaat kijken, ziet hij het materiaal dat jij tegelijkertijd uitzendt, niet meer.

Voor Internet gaat dat niet op. De digitale bestanden op een weblocatie zijn minstens even geduldig als papier. Als een gebruiker middenin een verhaal doorklikt, kan hij best na enige omzwervingen terugkeren. Als het verhaal maar interessant genoeg is. Bovendien is het mijn overtuiging dat iedereen op Internet af en toe wil doorklikken: ik heb nog nooit iemand ontmoet die een hele avond op één weblocatie was blijven hangen. Je moet je bezoekers daarin tegemoet komen.

Informatie kopiëren naar je eigen weblocatie is volgens mij al helemaal uit den boze. Voor de gebruiker is de informatie op een computer in Leeuwarden precies even bereikbaar als die op een machine in Sydney in Australië. Het heeft dan ook geen zin die informatie te verplaatsen of te kopiëren. Integendeel, het maken van zo'n kopie brengt allerlei problemen met zich mee: als iemand na het kopiëren een tikfoutje verbetert, zijn er ineens twee versies, waarvan heel moeilijk te achterhalen is welke van de twee de beste is.

De populairste weblocaties zijn de zoekmachines en de catalogi, de afdelingen waarop heel veel verwijzingen staan naar andere plaatsen op Internet. Die weblocaties trekken de meeste bezoekers en daarom ook de meeste adverteerders, hoewel het gemiddelde bezoekje eraan hooguit een paar minuten duurt. Het gaat er volgens mij dan ook niet om hoe lang iemand per keer op een weblocatie blijft hangen. Je bent pas een goede Internet-schrijver als je ervoor kunt zorgen dat je lezers vaak naar je terugkeren.