Neerlandistiek — Online tijdschrift voor taal- en letterkunde

“Wel iet wat verschelende, maar zó niet óf elck verstaat ander zeer wel”

16 mei 2026 · Machteld de Vos-Groenland
Opengeslagen editie van de Colloquia, et dictionariolum
Een editie van de meertalige Colloquia, et dictionariolum. Foto: publiek domein, via Wikimedia Commons.

In de Middeleeuwen bestonden talen zoals wij die nu kennen eigenlijk nog niet. Er was eerder sprake van een continuüm van talen die met algemene termen als ‘Welsch’ (voor talen die van het Latijn afstammen) of ‘Diets’ (voor Germaanse talen zoals het Nederlands en het Duits) werden aangeduid. De vroegmoderne tijd markeert het begin van een veranderende kijk op taal, en wordt ook wel het tijdperk van de ‘ontdekking van taal’ genoemd: voor het eerst ontstond het idee van een taal als een afzonderlijke, telbare, discrete en benoembare entiteit. Om te kijken hoe dit proces tot stand kwam, brengen Ulrike Vogl en ik in hoofdstuk vijf van mijn proefschrift in kaart hoe de auteurs van tien eentalige grammatica's van het Nederlands — geschreven tussen ca. 1550 en 1650 — en van negen meertalige leerboeken — Colloquia, et dictionariolum, gedrukt tussen 1527 en 1691 — naar het Nederlands en naar andere volkstalen verwezen en of, en zo ja, hoe, hun beschrijvingen het doel dienden om het Nederlands als een aparte taal te construeren.

Language Making

Het geven van namen aan talen, en ze daarmee zien als geordende en consistente eenheden, is een politiek geladen en typisch Europese bezigheid. De wortels van deze visie op taal zijn terug te voeren tot de vroegmoderne tijd. Vanaf dat moment werden taalkundige eenheden zoals ‘het Nederlands’ geconstrueerd, en dat soort eenheden zijn dus door de mens gemaakt. Dit proces wordt ook wel ‘Language Making’ genoemd.

Een heel zichtbare manifestatie van dit proces is taalstandaardisatie: door bepaalde taalvarianten te selecteren en te codificeren in normatieve werken, wordt de basis gelegd voor wat er wel of niet onder een taal valt. Ook de eerste grammatica's van het Nederlands uit de 16e en de 17e eeuw kunnen dus beschouwd worden als onderdeel van dit proces, en wel als heel vroege manifestaties ervan, want ze werden geschreven in een tijd dat er nog geen consensus bestond over de afbakening van de volkstaal, en er was ook nog geen vaste taalnaam beschikbaar waarmee naar die taal verwezen kon worden. Het is dus heel interessant om juist in deze periode te kijken hoe in deze werken het Nederlands werd ‘gemaakt’.

Taalnamen, framing en differentiatie

In dit artikel doen we dat door in zowel die eerste (eentalige) grammatica's als ook in vroegmoderne meertalige tekstboeken te inventariseren welke labels er voor wat we nu het ‘Nederlands’ noemen, gebruikt werden, en naar welke andere ‘(volks)talen’ er in deze werken wordt verwezen. Daarbij staan de volgende vragen centraal: met welke talen wordt het Nederlands vergeleken, in welke contexten, en hoe worden de verschillen of overeenkomsten tussen die talen geframed? Hoe worden de andere genoemde talen beoordeeld? Hoe consistent is het gebruik van taalnamen in de grammatica's en leerboeken? Zijn er veranderingen te zien in het gebruik van deze namen in de loop der tijd? En tot slot, kunnen we patronen van steeds consistentere differentiatie tussen de volkstalen ontdekken, met name als het gaat om de verschillen tussen het Duits en het Nederlands?

Een ‘Nederlands’ met nog wat vage grenzen

Niet geheel onverwacht bevatten de meertalige tekstboeken meer verwijzingen naar vreemde talen dan ons eentalige corpus. Beide corpora bevatten verwijzingen naar het Nederlands, Frans, Spaans, Italiaans, Duits en Engels; het meertalige corpus ook naar het Portugees, Hongaars, Tsjechisch en Pools, het eentalige ook naar het Fries en Deens.

Gezien het verschil in doel tussen beide corpora, hadden we verwacht dat ze die andere talen om verschillende redenen zouden aanhalen, maar dit bleek niet het geval: beide corpora verwezen voornamelijk naar andere volkstalen voor differentiatie- en analogiedoeleinden, dat wil zeggen, om de lezer te helpen zijn of haar eigen taal of een andere taal te begrijpen. Binnen de meertalige leerboeken dienden de meeste verwijzingen een didactisch doel: analogie en differentiatie werden gebruikt om de taalleerder te helpen. Binnen de eentalige grammatica's hielpen de meeste verwijzingen naar andere talen om de eigenaardigheden van de Nederlandse taal binnen een voor de lezer bekend raamwerk te plaatsen. Daarbij is het opvallend hoe de kennis van andere talen in beide corpora als vanzelfsprekend wordt beschouwd.

Het naast elkaar plaatsen van al die talen diende echter nog een ander doel, vooral in de eentalige grammatica's, en wel: het vormen van de Nederlandse taal. Die kon immers alleen gevormd worden in relatie tot die andere volkstalen. In de grammatica's vinden we dan ook voorbeelden van minder neutrale verwijzingen naar die andere talen, wat zelden voorkomt in de meertalige gespreksboeken. Belangrijker dan de concurrentie met de andere volkstalen was echter de concurrentie met de klassieke talen, het Grieks en het Latijn. Álle volkstalen moesten nog groeien in prestige (en afbakening) om die concurrentie daadwerkelijk aan te kunnen.

Daarop vormt de differentiatie tussen het Nederlands en het Duits een belangrijke uitzondering. Naar het Nederlands wordt in beide corpora verwezen met de taalnamen ‘Duits’, ‘Nederduits’ en ‘Nederlands’. Daarnaast wordt ‘Hollands’ gebruikt in de eentalige grammatica's en ‘Vlaams’ in de meertalige boeken. Het meertalige corpus laat een duidelijke chronologie zien in de taalnamen die op de titelpagina worden gebruikt: tot 1565 gebruiken ze uitsluitend ‘Duits’, daarna consequent ‘Nederduits’. Deze abrupte overgang hangt waarschijnlijk samen met het feit dat het Duits (‘Hoogduits’) in 1576 aan de Colloquia werd toegevoegd. De endoniemen voor het Nederlands in de tekst van de boeken blijven echter meer variatie vertonen, wat doet vermoeden dat het de directe juxtapositie van het Nederlands en het Duits op de titelpagina is wat leidt tot consistent onderscheidende labels.

De hogere mate van variatie in de meertalige boeken zelf lijkt op wat we in de eentalige grammatica's aantreffen: hoewel de titels een voorkeur voor ‘Nederduits’ laten zien, worden de taalnamen ‘Duits’ en ‘Nederduits’ vaak naast elkaar gebruikt in de werken zelf, en dit blijft zo gedurende de gehele bestudeerde periode. Het nu gebruikte ‘Nederlands’ is nog weinig populair. De populariteit van ‘Nederduits’ kan verklaard worden uit het feit dat deze een dubbel doel kon dienen: het onderscheidde ‘Hoogduits’ (Duits) duidelijk van ‘Nederduits’ (Nederlands), met de tegenstelling ‘hoog’ versus ‘neder’, maar behield tegelijkertijd de link met de oorspronkelijke en bredere benaming ‘Duits’, waarbij het slechts specificeerde om welke variant het ging. Differentiatie náást connectie, dus.

In de eentalige grammatica's wordt het onderscheid tussen het Nederlands en het Duits ook expliciet besproken, in termen van ‘onze’ versus ‘hun’ taal. Belangrijk is echter dat we zien dat wat als het ‘onze’ wordt beschouwd, verschilt tussen de grammatica's én in de loop der tijd verandert: Spiegel (1584) beweerde een grammatica te schrijven voor een taal die zich uitstrekte van de Noordzee tot de Oostzee; Ampzing (1628) voor een (Nederlandse) taal die in wezen Duits was; en tot slot Leupenius (1653) voor een Nederlands dat duidelijk was onderscheiden van het Duits. Deze afbakening zijn puur ideologisch, en echte voorbeelden van Language Making: de Nederlandse taal bestaat niet als zodanig, maar er wordt expliciet besloten wat er wel en niet onder valt.

Al met al wordt in de meertalige gespreksboeken en eentalige grammatica's niet alleen ruimschoots aandacht besteed aan de verschillen tussen de volkstalen, maar ook, en misschien nog wel meer, aan de overeenkomsten, gemeenschappelijke wortels en de onderlinge verstaanbaarheid tussen die talen — allemaal onderwerpen waarvan je zou verwachten dat ze aan belang inboeten of zelfs worden onderdrukt wanneer een taalcontinuüm wordt opgedeeld in netjes onderscheiden losse talen. Misschien was meertaligheid simpelweg te wijdverbreid in deze regio om in dit vroege stadium van de standaardisatie van het Nederlands te worden genegeerd. Er werd in deze periode dus zeker een aparte, afgebakende Nederlandse taal gecreëerd, zowel in naam, in relatie tot andere volkstalen, als in wat deze precies inhield, maar de grenzen ervan waren nog, en misschien niet geheel ongewenst, vaag.

Dit stuk verscheen eerder op LinkedIn. Machteld de Vos-Groenland is historisch taalkundige.

← Terug naar Neerlandistiek op zolder