Neerlandistiek — Online tijdschrift voor taal- en letterkunde

Taal als toegangsbewijs

Hoe Europa discussieert over taaleisen voor migranten

15 mei 2026 · Marc van Oostendorp
Pieter Bruegel, De toren van Babel, 1563
Pieter Bruegel de Oude, De toren van Babel (1563). Kunsthistorisches Museum, Wenen — publiek domein (via Wikimedia Commons).

Overal in Europa moeten nieuwkomers aan steeds hogere taaleisen voldoen. Maar het taalonderwijs dat ze daarbij moet helpen, laat in veel landen nog veel te wensen over.

In mei 2025 kwam de Britse premier Keir Starmer met een plan: nieuwkomers in het Verenigd Koninkrijk moesten voortaan Engels leren op hoog niveau. Niet alleen arbeidsmigranten, ook meereizende gezinsleden zouden aan steeds hogere taaleisen moeten voldoen naarmate ze langer in het land verblijven. Wie de taal niet leert, verdient geen permanente verblijfsstatus, aldus Starmer.

De maatregel is opmerkelijk. Allereerst door wie ermee kwam: niet een rechtse of populistische partij, maar het sociaal-democratische Labour. Maar ook doordat Starmer aandrong op een taalniveau dat zelfs door geboren Britten zeker niet altijd gehaald wordt.

Steeds hoger klimmen

Het plan van Starmer is onderdeel van een trend. Sinds de migratie naar Europa in 2015 sterk toenam, scherpen vrijwel alle West-Europese landen hun taaleisen voor migranten voortdurend aan. Politici en beleidsmakers gebruiken daarbij meestal het zogeheten Europese referentiekader, dat zes niveaus van taalkennis aanduidt: A1, A2, B1, B2, C1, C2 (zie kader). Die niveaus worden gebruikt als een ladder: de migrant moet steeds hoger klimmen om geaccepteerd te worden.

Zo ook in de Lage Landen. In Nederland moeten nieuwkomers sinds de Wet inburgering 2021 binnen drie jaar B1-niveau Nederlands bereiken — een verhoging ten opzichte van het eerdere A2. (Hoe dat precies zit, was vorig jaar te lezen in nummer 6 van Onze Taal.) En in het Vlaamse regeerakkoord van oktober 2024 werd afgesproken het vereiste taalniveau te verhogen van A2 naar B1, wat begin 2025 formeel werd doorgevoerd.

Inhaalslag

De spanning tussen ambitie en werkelijkheid is ondertussen groot: terwijl de eisen aan nieuwkomers worden verscherpt, wordt er in veel West-Europese landen bespaard op het taalonderwijs. Zo kampt het taalonderwijs voor nieuwkomers in het Verenigd Koninkrijk met jarenlange verwaarlozing. Tussen 2009 en 2017 daalde het overheidsbudget voor cursussen Engels als tweede taal met 56 procent. De wachtlijsten zijn lang, het aanbod op hoger niveau is schaars, en verreweg de meeste cursisten komen niet verder dan de basisniveaus A1 of A2.

In de Europese race om de hoogste taaleisen heeft Frankrijk de laatste jaren een ware inhaalslag gemaakt. Tot 2024 hoefden migranten bij wijze van spreken slechts te beloven dat ze Frans zouden leren om te worden toegelaten. De immigratiewet van januari 2024 maakte daar een einde aan. Voor een meerjarige verblijfsvergunning is sindsdien het taalniveau A2 vereist, voor een tienjarige verblijfskaart B1, en voor naturalisatie geldt sinds begin dit jaar zelfs het ambitieuze B2. De wet werd gesteund door zowel de centrumrechtse coalitiepartijen als door de radicaal-rechtse partij Rassemblement National.

De migrant moet steeds hoger klimmen om geaccepteerd te worden.

Een groot knelpunt is, net als in het Verenigd Koninkrijk, dat het taalonderwijs in Frankrijk niet meegroeit met de strengere eisen. De overheid vervangt klassikale lessen steeds meer door online taalonderwijs, terwijl juist laaggeletterde migranten baat hebben bij persoonlijk contact.

Deelnemen

In Duitsland is de situatie wat dat betreft wel wat anders. Wie wil naturaliseren, moet Duits spreken op niveau B1, en daarnaast slagen voor een inburgeringstoets. Maar daar staat ruimhartige hulp van de overheid tegenover: nieuwkomers krijgen zo nodig honderden uren taal- en oriëntatieles aangeboden, grotendeels gesubsidieerd door het Duitse ministerie van Integratie.

De huidige regering probeert vooral te bevorderen dat nieuwkomers zo snel mogelijk deelnemen aan de Duitse samenleving: de normale route naar naturalisatie vereist minimaal vijf jaar verblijf met bewezen taalkennis en economische zelfstandigheid. Tegelijk zijn de inburgeringscursussen de laatste jaren nog uitgebreid, verbeterd en sterker gekoppeld aan vakopleidingen. Wie goed inburgert, wordt daarmee vanzelf beter in de taal.

Afschrikken

Ook in Scandinavië wordt flink geïnvesteerd in taalonderwijs. Toch zijn er verschillen tussen de landen. Denemarken hanteert de strengste taaleisen van West-Europa: voor naturalisatie heb je een niveau vergelijkbaar met B2 nodig, aangevuld met een pittig inburgeringsexamen (én verplicht handenschudden bij de naturalisatieceremonie, ooit ingevoerd om islamitische nieuwkomers af te schrikken). Veel levert dat overigens niet op. Uit onderzoek blijkt dat zelfs na dertien jaar verblijf minder dan veertig procent van de migranten het vereiste taalniveau bereikt. Of iemand het haalt, hangt daarbij minder af van hoe graag diegene wil integreren, maar van hoe hoog opgeleid die was bij aankomst in Denemarken.

Zweden stelde tot voor kort helemaal geen taaleisen voor staatsburgerschap. Maar ook in Stockholm is het debat aan het kantelen. De Zweedse regering werkt aan voorstellen voor verplichte basiskennis van het Zweeds en een inburgeringscursus. Noorwegen heeft de eisen al aangescherpt: sinds 2022 is voor naturalisatie B1 vereist, waar eerder A2 volstond.

Aan de rand

Het zuiden van Europa trok zich lange tijd veel minder aan van taaleisen dan het noorden, maar ook in bijvoorbeeld Spanje en Italië woedt de discussie inmiddels volop. Italië voerde in 2018 de B1-eis voor naturalisatie in, op initiatief van toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Matteo Salvini van het radicaal-rechtse Lega. Het Italiaanse constitutionele hof bepaalde in maart vorig jaar echter dat de wet mensen discrimineert die bijvoorbeeld door leeftijd of aanleg niet goed zijn in talen leren, zodat die wet nu buiten werking is.

Spanje hanteert vooralsnog de laagste lat van West-Europa: voor naturalisatie na tien jaar verblijf is slechts A2 vereist. De grote conservatieve oppositiepartij Partido Popular wil dat niveau echter sterk optrekken: naar B2, als onderdeel van een breder programma van ‘integratie met voorwaarden’.

Overal in Europa worden de taaleisen dus geleidelijk strenger, terwijl er lang niet altijd genoeg mogelijkheden zijn voor nieuwkomers om goed onderwijs te krijgen. Bovendien laat onderzoek zien dat te hoge drempels averechts werken: ze selecteren niet op hoe goed iemand kan of wil integreren, maar op opleiding en sociale klasse. Het gevolg: een groeiende groep langdurige inwoners die formeel en feitelijk aan de rand van de samenleving blijft staan.

Wat betekenen de taalniveaus?

In alle EU-lidstaten worden taaleisen uitgedrukt aan de hand van de niveaus van het Europees Referentiekader voor Talen (ERK), dat zes treden kent:

De niveaus C1 en C2 worden vooralsnog nergens van migranten verlangd. Het kan in de praktijk jaren studie vergen om een niveau hoger te komen.

Eerder verschenen in Onze Taal, nummer 3, 2026. Zie onzetaal.nl.

← Terug naar Neerlandistiek op zolder