Superbrabants
Een jaar of tien geleden was ik bij mijn oma Sjaan. ‘Ik vat ’r hil efkes m’ne tas bij’, zei ik op weg naar mijn aantekeningenboekje. Ik was bij oma om haar moedertaal te documenteren en te leren. Het is de taal waar ik naast het Nederlands mee ben opgegroeid: het Midden-Brabantse Drunens. Ik had dat Drunens alleen nooit leren spreken, want ik was opgevoed in het Nederlands. Dat bleek nu wel weer: ‘Neeje, nie m’ne tas!’ zei oma streng maar liefdevol. ‘Ge moet zegge: m’n tas!’ Aha. Tas was dus een vrouwelijk woord, en daar zet je m’n voor, niet m’ne, want dat hoort bij mannelijke woorden. Ik noteerde het.
Voor haar proefschrift, waar ze in 2024 op promoveerde, interviewde Kristel Doreleijers Brabantse jongeren uit de regio Eindhoven. Het Brabants is ook niet hun moedertaal, maar zij voelen zich er net als ik fijn bij. Ze zijn er zelfs keitrots op, kwam uit Kristels gesprekken naar voren.
Dat herken ik. Als ik Brabants hoor — en dan het liefst dat van mijn geboortestreek — word ik blij. Het is de taal van de gezellige logeerweekenden bij opa en oma, de taal van de oudooms die sterke verhalen vertelden over knèèn en haos streûpe in de oorlog, en de taal van efkes op ’n bakske gaon bij onze gepensioneerde vriendin Tinie. Het is de taal waar ik me het beste thuis in voel, ook al ben ik er minder vaardig in dan in het Nederlands.
Met dat m’ne tas blijk ik ook in goed gezelschap te verkeren. Om te laten horen waar ze vandaan komen en waar ze zich thuis voelen, zo observeerde Kristel, geven jongeren hun taal weleens een Brabantse saus: een houdoe en skôn hier, een nee, gij! en veul daar, en zo nu en dan zelfs een Brabantse verbuiging — althans, wat ze daarvoor aanzien. Want als zij onzen oma, ’ne snoepske of ’nene koei zeggen, dan proeven hun grootouders lawaaisaus.
Uit Kristels onderzoek blijkt dat ouderen niet zo gelukkig zijn met de gooi die de jeugd naar het Brabants doet. Onzen zet je voor mannelijke woorden die beginnen met een b, d, h, t of klinker, maar vrouwelijke woorden krijgen ons; oma’s worden dus niet graag onzen oma genoemd. ’ne Snoepske is ook ‘halven bak’: het moet ’n snoepke zijn, met een e’tje en s’je minder. En ’nene koei klinkt voor de ouderen als een grote stieros uit Spaños: een belediging van hun moedertaal. Het lidwoord ’nene bestaat in het traditionele Brabants namelijk niet eens: het is een verdubbeld mannelijk ’ne (nota bene bij een vrouwelijke koei).
De ouderen die zich nu ergeren, hebben er zelf voor gekozen om het Brabants niet door te geven. Net als mijn oma, die er aanvankelijk helemaal niet op zat te wachten om uitgehoord te worden over haar Drunens, schamen ze zich voor hun moedertaal. In hun jeugd kregen ze te horen dat het Brabants onbeschaafd was. Praatte oma Sjaan ‘plat’ op school, dan zette de non haar in de hoek. Nederlands en niks anders!
De gevolgen van zo’n keuze kunnen desastreus zijn, want een taal die niet doorgegeven wordt, is op weg naar het graf. Het zal geen vijftig jaar meer duren voor de laatste echt vaardige spreker van het Brabants uit de tijd is, maar het is niet allemaal kommer en kwel. De jongeren van nu hebben de taal weliswaar niet goed kunnen verwerven, maar op wát ze kennen, zijn ze trots. Ze gebruiken dat repertoire op hun eigen manier, met overdreven vormen als ’nene koei. Hyperdialect heet zulk taalgebruik — oftewel Superbrabants.
Kort nadat Kristel haar proefschrift met veel succes had verdedigd, vroeg de Amsterdamse uitgeverij Ambo|Anthos haar om er een publieksboek over te schrijven. Op dinsdag 12 mei presenteerde ze het resultaat: Superbrabants. Dit prachtige boek laat zien hoe belangrijk taal is voor je identiteit. Dat doet het met sprekende voorbeelden waar we in heel Nederland mee bekend zijn, van New Kids, Snollebollekes en Undercover tot PSV-marketing, TikTok-trends en internetmemes.
Dr. Kristel Doreleijers is niet alleen een deskundig onderzoekster maar ook een bedreven vertelster. Je vliegt door Superbrabants heen alsof je aan een bakske koffie zit met een vriendin. Ondertussen leer je elke pagina boeiende en verrassende feiten over veranderende taal in Brabant — en bovenal over taal als iets van ons allemaal. Het is dan ook een boek voor iedereen die geïnteresseerd is in taal.
Het boek
Auteur Kristel Doreleijers
Uitgever Ambo|Anthos, Amsterdam (2026)
Omvang 200 pagina’s, paperback
ISBN 978 90 263 7207 0
Prijs € 21,99
Kristel Doreleijers (1993) groeide op in Eindhoven en studeerde Neerlandistiek en Taalwetenschappen aan de Universiteit Utrecht. Ze promoveerde aan Tilburg University op het ‘nieuwe’ Brabants. Nu doet ze bij het Meertens Instituut (KNAW) onderzoek naar jongerentaal.