Neerlandistiek — Online tijdschrift voor taal- en letterkunde

Papieren tijger

22 mei 2026 · Ewoud Sanders · WoordHoek
Tijger in Ranthambhore
Tijger in Ranthambhore. Foto: Bjørn Christian Tørrissen, CC BY-SA 4.0, via Wikimedia Commons.

De domme gans, de mierenneuker en de kloothommel: in onze taal verwijzen we graag naar dieren. Een roofdier dat momenteel opgang maakt is de papieren tijger. Dat danken we aan een man die ik liever niet in iedere WoordHoek wil aanhalen, maar hé, hij is momenteel de koers van de wereld aan het verleggen. Als een kip zonder kop zeg maar, dan wel als een olifant in een porseleinkast.

Volgens de huidige president van de VS is de NAVO een papieren tijger. Ziet er sterk uit, die organisatie, maar stelt in feite niks voor. Onzin natuurlijk, maar dat doet er hier niet toe.

De zegswijze een papieren tijger heeft een interessante geschiedenis die in de Dikke Van Dale als volgt wordt samengevat: ‘Naar een uitlating van de Chinese leider Mao Zedong (1893–1976), augustus 1946’.

Klopt dit? Nee, zeker niet. Mao speelt in deze geschiedenis wel een rol, maar zeker niet de hoofdrol.

Papieren tijger is van oorsprong een Chinese uitdrukking. De Britse zendeling Robert Morrison tekende deze zegswijze als eerste op. ‘Che low foo, een papieren tijger, een vals voorwendsel om mensen bang te maken’, schreef hij in 1828 in zijn Vocabulary of the Canton Dialect.

Vanaf 1836 vinden we deze uitdrukking in het Engels, de vroegste Nederlandse vindplaats dateert van 1855. De Sheboygan Nieuwsbode, een Nederlandstalige krant in de VS, schreef toen: ‘Een snoevend persoon, die echter, zoo als veelal het geval is, zijne handen stil te huis houdt, noemen de Chinezen eenen “papieren tijger”.’

In de decennia daarna wordt de papieren tijger geregeld opgevoerd als een voorbeeld van ‘Chinese geestigheid’ of ‘Chinese beeldspraak’. De toelichtingen lopen uiteen. Het zou om een lafaard gaan die over zijn moed pocht. Dan wel om een onschadelijke zwetser. Een Nederlandse krant uit 1923 geeft als definitie: ‘Een pochhals lijkt op een papieren tijger: in de verte kan hij angst inboezemen, maar het geringste windstootje gooit hem omver, en kan hem wegblazen.’

In augustus 1947 zei Mao Zedong, grondlegger van de Volksrepubliek China, in een interview met de Amerikaanse journaliste Anna Louise Strong: ‘De atoombom is een papieren tijger die de reactionairen in de VS gebruiken om mensen bang te maken. Hij ziet er verschrikkelijk uit, maar dat is hij in feite niet.’

Dit interview gaf deze uitdrukking vleugels. Opeens maakte de hele wereld kennis met de papieren tijger. Dit ontging Mao niet. Bij herhaling, tot aan het begin van de jaren zeventig, verklaarde hij dat hij deze uitdrukking had bedacht. Dit is in verschillende documenten vastgelegd, onder meer in een officieel memorandum van Henry Kissinger, de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken.

Het gevolg was dat kranten deze bewering overnamen. Zo had NRC Handelsblad het in 1971 over ‘de papieren tijger van Mao Tse Toeng’.

In feite is Mao’s toe-eigening dus onterecht. Niet alleen was deze uitdrukking al ruim een eeuw daarvoor opgetekend, in 1941 noemde Chiang Kai-shek, Mao’s grote politieke tegenstander, de Chinese communisten ‘tijgers op papier’.

Dat Mao zich er zo nadrukkelijk op liet voorstaan dat hij de bedenker was van deze beeldspraak, laat zien dat hij een ijdele praatjesmaker was. Net als die oranje lawaaipapegaai in het Witte Huis die ik niet in iedere aflevering van WoordHoek wil noemen.

Dit stuk verscheen eerder in Argus.

← Terug naar Neerlandistiek op zolder