Neerlandistiek — Online tijdschrift voor taal- en letterkunde

“Niet so seer gebruijkelick”

14 mei 2026 · Machteld de Vos-Groenland
Staafdiagram met soorten argumenten in vroege normatieve werken
Soorten argumenten die gebruikt werden in normatieve werken over het Standaardnederlands van ca. 1550 tot 1650 (% van het totaal, n = 1.011).

Tijdens de Renaissance werden verschillende West-Europese standaardtalen ontwikkeld, waaronder het Standaardnederlands. Vanaf circa 1550 werden normatieve werken geschreven, zoals spellinggidsen, woordenboeken en grammatica's, waarin voorlopige regels voor deze nieuwe standaardtaal werden geformuleerd. Eerder onderzoek heeft aangetoond dat bepaalde regels die we nu nog altijd voor het Nederlands kennen (bijvoorbeeld de regel voor het gebruik van ‘hen’ en ‘hun’), stammen uit deze vroegste normatieve werken. Maar waren deze normatieve werken daarnaast ook vormend op ideologisch gebied? Dat is de vraag die ik in het vierde hoofdstuk van mijn proefschrift probeer te beantwoorden, door in kaart te brengen met behulp van welke argumenten de vroegmoderne grammatici hun grammaticale keuzes verantwoordden.

Argumenten en taalideologieën

Schrijvers van normatieve werken verwerpen bepaalde vormvarianten, selecteren andere voor gebruik, en documenteren die keuzes. Vaak gebruiken ze daarbij een argument om de gemaakte keuze te verantwoorden. Dit gebeurde ook al in de 17e eeuw. Petrus Leupenius, bijvoorbeeld, bespreekt in 1653 het gebruik van ‘etc.’ en ‘&c’ en stelt dat hij deze vormen verwerpt omdat ze van buiten … ingevoert, … onse taale niet eigen, maar van anderen ontleent zijn. Dit argument is gebaseerd op een waarde die Leupenius aan de taal hecht, namelijk: dat taal puur moet zijn, vrij van de invloed van andere talen.

Naast puristische argumenten zijn er nog vele andere soorten argumenten die in zulke gevallen gebruikt kunnen worden. Het systematisch en kwantitatief analyseren van patronen in het gebruik van dergelijke argumenten en de waarden die eraan ten grondslag liggen, kan waardevol inzicht verschaffen in de taalideologieën van grammatici die de standaardtaal vormgaven. Als bijvoorbeeld blijkt dat Leupenius vaak puristische argumenten gebruikt, duidt dit erop dat hij geloofde dat het Standaardnederlands, om een goede taal te zijn, vrij moest zijn van buitenlandse invloeden. En als meer grammatici uit deze periode dit type argument regelmatig gebruikten, dan zou je kunnen stellen dat taalzuiverheid deel uitmaakte van de taalideologie van die tijd.

Grammaticale keuzes in de vroege vroegmoderne periode

In dit artikel heb ik dus in kaart gebracht welke argumenten gebruikt werden in de tien vroege normatieve werken die ik in hoofdstuk 2 en 3 ook bestudeerde. Ik richtte mij daarbij uitsluitend op argumenten die gebruikt werden voor het verantwoorden van grammaticale keuzes, dus geen keuzes op het gebied van bijvoorbeeld spelling of lexicon. In een eerdere studie bracht Marten van der Meulen al in kaart welke argumenten er gebruikt werden in normatieve publicaties die verschenen tussen 1917 en 2016, en dus kon ik zijn annotatieschema, in enigszins aangepaste vorm, gebruiken voor mijn onderzoek.

Uitkomst: goede grammatica differentieert, is consistent, lijkt op het Latijn en Grieks en weerspiegelt het gebruik van bepaalde authoriteiten

De resultaten laten zien dat vroege vroegmoderne grammatici vooral een beroep doen op argumenten die laten zien dat ze het belangrijk vinden dat het Nederlands wat betreft haar grammatica differentieert (Quality_Differentiation), mooi is (Quality_Beauty), grammaticale regels volgt (System_Grammatical), consistentie vertoont (System_Analogy_Dutch), overeenkomst vertoont met het Latijn en Grieks (System_Analogy_Latin/Greek), en veelvuldig gebruik (Use_Frequency) of het gebruik van bepaald autoriteiten (Use_Authority) volgt. Hieronder vind je van elk van deze argumentatietypes een voorbeeld. Hun afwezigheid in normatieve werken uit de (post)moderne tijd, gecombineerd met hun hoge frequentie in de vroege vroegmoderne tijd, wijst erop dat met name de nadruk op differentiatie, consistentie, gelijkenis met de klassieke talen en weerspiegeling van het taalgebruik van bepaalde autoriteiten kenmerkend is voor de vroegste grammatica's van het Nederlands.

In deze taalkundige waarden zijn de wortels te zien van de standaardtaalideologie die vanaf de vroege 19e eeuw ontstond; meer precies, van het deel van die ideologie dat ‘taal’ verbindt met ‘norm’ (ook wel de ‘correctheidsideologie’ genoemd) en dat waarde toekent aan de regelmaat van de taal. Dit was de focus van de grammatici die het Standaardnederlands vormden in de beginfase. De bijkomende verbinding met sociale identiteit (het deel dat ‘taal’ verbindt met ‘natie’), die een tweede en cruciaal onderdeel van de standaardtaalideologie vormt, speelde in deze vroege periode nog geen grote rol in de argumentatie.

Bovendien toonden mijn resultaten twee belangrijke verschillen tussen de vroege vroegmoderne en de (post)moderne periode: (1) de laatste periode vertoonde een hogere mate van consensus en daarmee van canonisering van het normatieve discours dan de eerste periode; en (2) de aard van de metataal die in normatieve publicaties werd gebruikt, was in de latere periode expliciet prescriptief, maar in de eerdere periode vooral ogenschijnlijk descriptief/impliciet prescriptief. Dit geeft aan dat, wat betreft de gebruikte metataal, het normatieve discours in de vroegste periode van het Standaardnederlands zich ergens tussen beschrijving en voorschrift bevond.

Voorbeelden van de belangrijkste argumentatietypes

Quality_Differentiation

“Liever seggen wy ook ‘gy bent’, dan ‘gy syt’, tot onderscheid van den tweeden persoon in het meervoud, dat men altyd moet betrachten, wanneer men het krygen kann.”

Leupenius 1653, p. 65; Caron 1958, p. 46

Quality_Beauty

“Maer noch af-sienelicker is het dus-danige Tael-spreuken in plaetse van het twede geval te gebruyken, als ‘Mijn oom Zijn kint’, ‘Mijn Vader zijn Broeder’, ‘Der vrouwen Haer dochter, &c.”

Van Heule 1633, p. 56; Caron 1971b, p. 42

System_Analogy

“'Ten is ook so vremd niet in onse tale, als wel sommige meenen, dat het woordeken ‘gij’ eens ende onveranderlick soude blijven in sijn enkel ende veelvoudig getal: want dit en is niet alleenlick in dit woordeken ‘Gij’, maar ook in eenige andere woorden gebruijkelick: so seijtmen; ‘die looft God’, ‘die loven God’, ‘sy looft God’, ‘sy loven God’. blijvende de woorden ‘die’ ende ‘sy’, gelijk het woordeken ‘gij’, onveranderlick in haare buijginge, ende nochtans niet te min onderscheijdelick in haar getal door het gevolg der t'samenvouginge.”

de Hubert 1624, pp. 4r–4v; Zwaan 1939, p. 394

System_Grammatical

“XVI. EEN VOORTVAEREND MAN, EEN MAN VOORTVAERENDE VAN AERDT, Liever een MAN VOORTVAEREND VAN AERDT; om dat VOORTVAEREND hier geen Participum is, maer Nomen.”

Zwaan 1939, p. 283

Use_Frequency

“Anderzins so wanneer het Gevall blijkt uijt het voorgaande ledeken, ofte dat het met eenige vvoorden meer bekleed vvord, so en is sulks so seer niet van noode, immers in dit woord: so seijt men, ‘den goeden God sij lof’, ‘doet des hemels God belijd’: ende niet so seer gebruijkelick, ‘den goeden Gode’, ‘des hemels Gode’.”

de Hubert 1624, p. *8r; Zwaan 1939, p. 127

Use_Authority

“Dit waernemen der Gevallen in het Veelvoudig, is by de Ouden altijt gebruykt geweest, ook by Koornhert, Aldegonde, Grotius, Ampsingius, ende andere.”

Van Heule 1625, p. 24; Caron 1971a, p. 25

Machteld de Vos-Groenland hoopt op 23 juni a.s. te promoveren als historisch taalkundige.

← Terug naar Neerlandistiek op zolder