Neerlandistiek — Online tijdschrift voor taal- en letterkunde

Avonturen van miss Marlow (2)

25 mei 2026 · Ewoud Sanders
Cover Avonturen van miss Marlow
Ewoud Sanders, Avonturen van miss Marlow. Eerste stappen van een kleinkind (Ploegsma, 2026).

Dierengeluiden

‘En de koe doet…?’

Ik lig op de bank, Marlow zit naast me — op m’n hoofdkussen. We lezen Mijn dierengeluidenboek.

‘Boe,’ zegt ze.

‘Kijk, dit is een hond,’ vervolg ik. ‘En de hond doet…?’

Dat weet ze natuurlijk ook, want Boeffie laat geregeld een woef horen.

Bij het schaap begin ik te twijfelen. Niet over de juiste imitatie — bèèèh! — maar over het nut van het voorlezen van dierengeluiden.

Kinderen houden van dieren. Ik ben weleens met Marlow naar een kinderboerderij geweest en dat gaan we vast vaker doen. Maar waarom zou je moeten weten dat een specht klop-klop! doet, een slang ssssssss! en dat een aap — volgens dit boekje — oe-oe-oe! zegt?

Soms krijg ik het plaatsvervangend benauwd van het besef hoe onvoorstelbaar veel jonge kinderen moeten leren. Zindelijk worden, taal, rekenen, sociaal gedrag, een bizarre berg aan kennis. En dat alles in een noodtempo.

Voor je het weet vraagt Marlow: ‘Zeggen vissen echt blurb? En waarom zegt een haan volgens jouw boekje kukeleku en volgens ons Engelse boekje cock-a-doodle-do? Het is toch hetzelfde dier?’

Ga er maar aan staan.

Nee dus!

Ja en nee behoren tot de meest gebruikte woorden wereldwijd. Verrassend is dat niet: in het dagelijks leven hebben we ze vaak nodig. Vandaar ook dat kinderen ze snel leren.

Inmiddels weet Marlow dat er vele manieren zijn om ja en nee te zeggen. ‘Marlow, wil je iets eten?’ ‘Nee.’ Dat is haar neutrale nee. Gewoon geen trek, geen zin, druk met andere dingen.

‘Marlow, wil je slapen?’ Die vraag beantwoordt ze doorgaans met een langgerekt ‘neeeeeeee,’ al dan niet ondersteund met een langzaam hoofdschudden en een enigszins verbaasde, verongelijkte blik. De ondertiteling zou kunnen luiden: nee gekkie, tuurlijk niet, hoe kom je erbij, ben je blind of zo, kun je niet zien dat ik nog lekker aan het spelen ben? Duh-huh.

Bij een dramatisch ‘nee’ gooit Marlow haar hoofd naar achter en wappert ze met haar handen. De ontkennings-nee doet zich geregeld voor bij het verschonen van haar luier. ‘Marlow, heb jij een poep gedaan?’ Terwijl ze haar hoofd langzaam maar resoluut van rechts naar links draait, zegt ze ‘nee, nee, nee,’ hoewel de geur een krachtig ‘ja’ verraadt.

Bij haar ja’s zijn dergelijke betekenisnuances minder duidelijk. Wel hoor je een verschil tussen een neutraal ja, een gedecideerde of enthousiaste bevestiging en oké, vooruit dan maar.

Haar nee’s kennen niet alleen meer nuances, Marlow zegt ze ook vaker. Momenteel behoort nee zelfs tot haar meest favoriete woorden. Dat komt waarschijnlijk doordat kinderen van Marlows leeftijd — hard op weg naar de twee — een flinke kluif hebben aan volwassenen. Die menen dat ze alles beter weten. Door vaak ‘nee’ te zeggen, op alle mogelijke manieren, laat je weten wie er werkelijk de baas is.

Taalbeheersing

Ik sta met Marlow bij een spoorwegovergang. Dat doen we vaker, want ze kijkt graag naar treinen. Uit het niets zegt ze: ‘Opa, ik praat beter Nederlands dan jij.’ Verbaasd kijk ik haar aan. ‘Echt waar?’ vraag ik. ‘Nee, grapje. Maar wel beter Engels. Ik ga met vakantie naar Engeland.’

Nooit bij stilgestaan, maar een voordeel van een tweetalige opvoeding is dat je leert dat talen een naam hebben. Ik bedoel: tegen een kind dat alleen z’n moedertaal leert, zul je niet snel zeggen: ‘Oh ja, nog iets anders, de woorden die je nu gebruikt horen bij een taal die wij Nederlands noemen. Nee-der-lands.’ Wel hoor ik Lauren soms tegen Marlow zeggen, als ze belt met haar Britse oma: ‘English please!’

Toevallig passeerde Marlows tweetaligheid onlangs de revue in een gesprekje met Stijn. Ik liep even met hem mee naar een speeltuin. Lillie in de kinderwagen, Marlow achter op m’n fiets. ‘Marlow had laatst een moeilijke dag,’ vertelde hij. ‘Ze wilde echt totaal niet meewerken, zei overal “nee” op. Heel vermoeiend.’ Ik voelde me een beetje opgelaten, want ik wist: alles wat Stijn nu zegt kan Marlow goed volgen. ‘Eigenlijk moeten we dit soort gesprekjes voortaan in het Engels voeren,’ zei ik. ‘Nee hoor,’ antwoordde hij lachend, ‘dat heeft helemaal geen zin, dat verstaat ze net zo goed.’

Op deze oppasdag is Marlow overigens helemaal niet recalcitrant, ze is de gezelligheid en vrolijkheid zelve. Kort nadat ze heeft gezegd dat haar Engels superieur is aan het mijne, hoor ik een trein aankomen. ‘Zullen we zwaaien?’ vraag ik. Ze doet dit met zoveel enthousiasme dat de machinist haar beloont. Hij toetert, laat z’n hoorn klinken, claxonneert — tja, wat is daar eigenlijk de juiste vakterm voor? Tyfoneren, zo ontdek ik later. Geen idee wat daarvan de Engelse tegenhanger is. Moet ik bij gelegenheid eens aan Marlow vragen.

Voor meer informatie over Avonturen van miss Marlow, zie de website van uitgeverij Ploegsma.

← Terug naar Neerlandistiek op zolder