Neerlandistiek — Online tijdschrift voor taal- en letterkunde

Is dit nu wat we willen met het literatuuronderwijs?

22 mei 2026 · Helge Bonset
Albert Anker, Schrijvende knaap, 1875
Albert Anker, Schreibender Knabe (1875). Publiek domein, via Wikimedia Commons.

Wie de nieuwe conceptsyllabi Nederlandse Taal en Literatuur bekijkt, kan maar tot één conclusie komen: literatuur gaat deel uitmaken van het centraal examen Nederlands. Goed nieuws? Nee, zeker niet op deze manier.

Eerst even wat onvermijdelijke context. Een syllabus bevat de specificaties van het centraal examendeel van het examenprogramma. Deze specificaties zijn een uitwerking van de eindtermen voor het centraal examen. Het doel van een syllabus is om de leraar, en via hem zijn leerlingen, in staat te stellen zich een goed beeld te vormen van wat er in het centraal examen kan worden bevraagd. Doordat de Vakvernieuwingscommissie Nederlands nieuwe conceptexamenprogramma’s heeft ontwikkeld, moest de Syllabuscommissie Nederlands nieuwe conceptsyllabi ontwikkelen op basis daarvan (Conceptsyllabi, 2026).

De Vakvernieuwingscommissie heeft in haar rapport (Herder e.a., 2025) het subdomein C1, Literatuur als systeem, en daarmee eindterm 15 (vmbo) / 16 (havo/vwo), toegewezen aan het centraal examen, naast het schoolexamen. Daardoor moest de Syllabuscommissie Nederlands ook deze eindterm specificeren. De eindterm en de specificaties luiden als volgt:

Domein C Literatuur — Subdomein C1 Literatuur als systeem

Eindterm 15/16: De leerling toont inzicht in het gebruik van literaire middelen bij de interpretatie van teksten. (B)

Het gaat hierbij om:

Specificaties:

Gebruiken van kennis van literaire middelen voor het begrip van teksten (eindterm 1) en de evaluatie en reflectie op teksten (eindterm 2). Kennis van literaire middelen wordt daarbij niet op zichzelf bevraagd.

Beheersen van de volgende begrippen:

Het bovenstaande is letterlijk overgenomen uit de syllabus voor havo. De onbegrijpelijke nummering die de Syllabuscommissie hanteert, heb ik weggelaten. De begrippenlijst is voor vmbo gl/tl wat korter en voor vwo wat langer.

De Syllabuscommissie deelt geruststellend mee: ‘In het centraal examen worden geen definities van deze begrippen uit de lijst van literaire middelen gevraagd’, en: ‘Kennis van literaire middelen wordt (…) niet op zichzelf bevraagd.’ Maar als leerlingen de vraag krijgen of een assonantie zich bevindt in A) regel 5, B) regel 8, C) regel 11 of D) regel 15 van een gedicht, zullen ze toch moeten weten wat een assonantie ís. Dit is naar ik aanneem ook wat de Syllabuscommissie bedoelt als ze spreekt over het ‘beheersen’ van begrippen: dat een leerling weet wat het begrip inhoudt. En dat moet dus onderwezen worden. En hetzelfde geldt voor de anafoor, de drieslag en de symbolische ruimte (wat dat laatste ook moge zijn).

De bovenstaande begrippenlijst betekent niet alleen een forse verzwaring van de centraal examenstof voor de leerlingen, ze betekent ook een forse inperking van de vrijheid van de leraar om zijn literatuuronderwijs in te richten. De Syllabuscommissie stelt: ‘De toewijzing van deze eindterm (15/16, HB) aan zowel het centraal examen als het schoolexamen biedt scholen de ruimte om alle aspecten en termen die niet in het centraal examen worden bevraagd desgewenst een plek te geven in het schoolexamen.’ Maar de leraar die literatuuronderwijs niet primair ziet als het bijbrengen van brokjes kennis, maar als leesbevordering, of als vergroting van het empathisch vermogen van leerlingen of hun kennis van de wereld, zal evengoed, ten koste van eigen prioriteiten, tijd moeten steken in het onderwijzen van de metonymia of het abstracte motief. Want dat kan gevraagd worden in het centraal examen. En dat examen bepaalt in zijn eentje de helft van het eindexamencijfer van de leerling.

De Syllabuscommissie schrijft in haar toelichting: ‘De vragen in het examen hebben geen betrekking op de formele verhaal- en poëzieanalyse.’ Maar als dat waar zou zijn, zou de onderste helft van de begrippenlijst geschrapt kunnen worden. Dus kan het niet waar zijn. Het is ook niet goed in te zien hoe je dat type vragen zou kunnen vermijden, als je in het centraal examen een eindterm opneemt over het ‘beschrijven van thema, inhoud en vorm van verhalende, lyrische en dramatische teksten’.

En nu mijn vraag: waar zijn we in vredesnaam mee bezig? Is dit nu wat we willen met het literatuuronderwijs? Denken we dat leerlingen enthousiaste lezers worden of blijven als we ze op hun centraal examen kennisvragen gaan stellen over literaire teksten? Vragen als: ‘In regel 7–12 is sprake van een open plek. Wijs deze aan en leg uit waarom het een open plek is.’ Denken we echt dat we daarmee hun ‘diep begrip’ van ‘rijke teksten’ zullen vergroten? Dat we ze zo liefde voor literatuur bijbrengen?

Misschien wek ik met het bovenstaande de indruk dat de syllabuscommissie maar wat heeft zitten doen. Maar dat is niet het geval; ze heeft consequent de fatale beslissing uitgewerkt die is gemaakt door de Vakvernieuwingscommissie toen deze eindterm 15/16 toewees aan het centraal examen. Ook heeft ze drie raadplegingen gehouden, twee voor docenten, en een voor leden van vaststellingscommissies en constructiegroepen. Schokkend vind ik dat in geen van die raadplegingen, blijkens het verslag ervan, gesproken is over mogelijke ongewenste effecten van de gemaakte keuze op het literatuuronderwijs. Integendeel, de docenten drongen bij eindterm 15/16 aan op een lijst van literaire middelen, en de leden van de vaststellingscommissies en constructiegroepen wilden aan die lijst nog extra begrippen toevoegen.

Hoe valt dit te verklaren? Waren de deelnemers allemaal gevangen in de trend van Kennis met een grote K, die door veel neerlandici wordt omarmd? Of waren ze vooral bezig met houvast voor hun leerlingen en henzelf, zekerheid over wat er op het examen gevraagd zou gaan worden? Zodat de vraag naar het effect van al die literaire middelen en begrippen op het literatuuronderwijs buiten hun gezichtsveld kwam te liggen? Ik hoop het laatste, want dan is misschien nog bezinning mogelijk.

Wat zou er moeten gebeuren om de dreigende negatieve effecten van deze syllabus op het literatuuronderwijs tegen te gaan?

De eerste stap moet zijn om de toewijzing van eindterm 15/16 aan het centraal examen ongedaan te maken. Daarmee verdwijnt vanzelf ook de hele begrippenlijst hierboven. Maar dan is er nog wel het gegeven dat eindterm 1 en 2, die betrekking hebben op leesvaardigheid en daarom deel uit moeten maken van het centraal examen, spreken van ‘zakelijke en literaire teksten’.

Dit probleem valt op twee manieren op te lossen. De eenvoudigste is dat in de syllabus vermeld zou worden dat het centraal schriftelijk examen alleen betrekking heeft op zakelijke teksten. Vragen over literaire teksten en literaire middelen kunnen dan helemaal achterwege blijven. Als dat een brug te ver is, omdat men per se ook literaire teksten wil bevragen in het centraal examen, kunnen aan de specificaties van eindterm 1 en 2 een aantal begrippen worden toegevoegd die van belang zijn voor het begrip van zowél zakelijke als literaire teksten. Die zullen afkomstig zijn uit de categorieën Beeldspraak en Stijlfiguren van de lijst hierboven, waarbij een strenge selectie moet worden toegepast.

Als Literatuur per se deel moet gaan uitmaken van het centraal examen Nederlands, geef het dan een plek die het toekomt. Ruim een tweede examenzitting in en laat leerlingen daarin een essay schrijven over literatuur, zoals gebeurt in het International Baccalaureate (Bonset, 2021). Of laat ze een literaire tekst analyseren en evalueren. Doe op zijn minst onderzoek naar deze mogelijkheden. Alles beter dan de brokjes kennis die de leerlingen nu in hun examen dreigen te krijgen, en die ten koste zullen gaan van hun trek in literaire teksten.

Literatuur

Bonset, H. (2021). Wat kunnen we leren van het IB-examen Nederlands? Deel 2: Het literaire essay. Levende Talen Magazine, 108(7), 16–20.

Conceptsyllabi Nederlandse Taal en Literatuur (2026). examenblad.nl/2026/onderwerpen/conceptsyllabi.

Herder, A., Pleumeekers, J., & Schaik, N. van (2025). Toelichtingsdocument conceptexamenprogramma’s Nederlandse taal en literatuur voor vmbo, havo en vwo — Versie 2. SLO.

← Terug naar Neerlandistiek op zolder