Neerlandistiek — Online tijdschrift voor taal- en letterkunde

Praten met taalkundigen

14 mei 2026 · Marc van Oostendorp
Honoré Daumier, Les Bons Bourgeois, 1846
Honoré Daumier, uit de serie Les Bons Bourgeois (Le Charivari, 1846). Publiek domein, via Wikimedia Commons.

Omdat de hoofdredacteur dezer dagen wordt weggehouden van dagelijkse beslommeringen, had hij gisteren gelegenheid om met allerlei collega's te praten. Conversaties met taalkundigen hebben altijd een extra dimensie, omdat je terwijl je de taal bespreekt, zelf ook nog weer een heleboel nieuwe taal produceert.

Zo sprak de hoofdredacteur met een Italiaanse promovenda die studeert bij een Italiaanse universiteit waar ze alleen over literatuur mag schrijven, maar die vooral graag over taal nadenkt, en omdat die grens tussen taal en literatuur kennelijk in Siena niet zo makkelijk overschrijven, was ze naar Nederland gekomen om er met taalkundigen te praten over Lavorare stanca, de debuutbundel (1955) van Cesare Pavese. Die is geschreven in anapesten: steeds twee onbeklemtoonde lettergrepen, gevolgd door een beklemtoonde.

Terwijl in Nederland in de jaren vijftig de experimentelen alle metrum afschudden, zocht Pavese in Italië de vernieuwing in dit soort regelmaat. Leent het Italiaans zich voor zoiets? De promovendus denkt van wel, en ze probeert te laten zien hoe je het dialect van Turijn, waar Pavese vandaan komt, de verzen nog begrijpelijker maakt.

De Italiaanse promovenda was de deur nog niet uit, of er meldde zich een Nederlandse student uit de andere stad. Hij studeerde Nederlands, en deed een vak waarin hij op een begrijpelijke manier over taal moest leren schrijven. Dat is nuttig want een student die een jaar of twee gestudeerd heeft, is het vermogen om van nature begrijpelijk te zijn meestal al volkomen afgeleerd, terwijl de meeste mensen die je tegenkomt, helaas, geen taalkundigen zijn. Bij dat begrijpelijke schrijven hoorde ook dat je iemand moest uithoren die over diens vak allerlei wolligheden uitsprak, en de functie van uitgehoorde werd in bekleed door de hoofdredacteur.

Ze spraken over hoe taal verandert, en onvermijdelijk kwam het gesprek op ‘geen probleem’. De hoofdredacteur heeft genoeg ervaring om te weten dat hij daarmee de gemiddelde vertegenwoordiger van GenZ op de grens van de verbijstering kan brengen. Hij raadt het alle andere halve bejaarden ook aan: neem zo’n twintiger en vertel wat een schokje je altijd voelt als een jongere die je net hebt bedankt voor een plastic bekertje, zegt ‘geen probleem!’

Voor jongeren is dat zo gewoon dat ze zich niet eens kunnen voorstellen dat iemand dat anders voelt, dat iemand onwillekeurig denkt ‘dat moest er nog eens bijkomen, dat het een probleem was dat ik een koffie van je koop!’ Ook deze Nederlandse student kon het zich nauwelijks voorstellen, zodat het een goed gesprek werd. Maak je geen zorgen, student! Over dertig jaar zijn er voor jou weer verse jongeren die zich niet kunnen voorstellen wat jij voelt als zij heel gewone dingen zeggen.

Er waren ook gesprekken die niet zo vrolijk begonnen, zoals met een jonge collega die vertelde dat ze in het eerste jaar dat ze aan het werk ging, werd overladen met werk en toen ze daarover klaagde de directeur, óók een taalkundige maar van het minder gezellige soort, haar had gezegd dat ze dan misschien een andere baan moest gaan zoeken. Terwijl ze nog maar een paar maanden in dienst was. Gelukkig voor de hoofdredacteur ging ook dat gesprek al heel snel over het wereldwijde experiment dat de mensheid aan het voeren is met genderneutrale taal, en of je uit de taalwetenschappelijke literatuur voorspellingen kunt afleiden over wat voor succes al dat inclusief schrijven en bepaalde nonbinaire voornaamwoorden zullen hebben.

Toen was het alweer tijd om met de trein terug te gaan naar de eigen stad, waar ook weer allerlei andere welbespraakte taalkundigen de hoofdredacteur opwachtten.

← Terug naar Neerlandistiek op zolder