Alweer een cultuurschat minder
Allerlei talen horen bij Nederland. Het Fries, bijvoorbeeld, en het Twents, en de Gebarentaal en het Papiaments. Maar een heel belangrijke plaats in dat rijtje behoort toch wel aan het Jiddisch.
Het is in ieder geval in de bekende geschiedenis de migrantentaal die het langst in Nederland is gebleven: in de zeventiende eeuw vestigden Asjkenazische Joden zich hier, die hun taal meenamen uit Oost-Europa. In de loop van de eeuwen ontstond er een Nederlands dialect. Dat verdween weliswaar in de loop van de negentiende eeuw weer goeddeels — dankzij Napoleon waren Joden volwaardige burgers geworden, maar de overheid verplichtte ze daarom wel om alles in het Nederlands te doen. Het resultaat was dat aan het begin van de twintigste eeuw de meeste Joden waarschijnlijk Nederlands spraken — met Jiddische woorden, misschien, en een accent, maar toch vooral Nederlands. Er zijn nu in Nederland nog wel wat sprekers van het Jiddisch, maar het gaat dan over het algemeen om expats.
Cultuurgoed
In die tijd nestelde het Jiddisch zich op allerlei manieren in het Nederlands. In Amsterdam zijn ze er bijzonder trots op, maar in allerlei (stads)dialecten kennen ze van oorsprong Jiddische (vaak oorspronkelijk Hebreeuwse) woorden zoals attenoje. Andere woorden zijn doorgedrongen tot het algemeen taalgebruik zoals jatten en tof. De taal werd zolang hij gesproken werd altijd als minderwaardig beschouwd door de machthebbers, en precies daardoor kunnen we heel veel leren over verborgen kanten van het bestaan in Nederland door die taal te bestuderen.
Het Jiddisch is, kortom, Nederlands cultuurgoed. Een beschaafd land in een beschaafde wereld zou zoiets koesteren, en ervoor zorgen dat er minstens aan één universiteit — nou, vooruit, aan de Universiteit van Amsterdam — minstens één persoon zit die dat cultuurgoed hooghoudt.
Maar niets van dat alles.
Tot een jaar of tien geleden doceerde Shlomo Berger de taal aan de UvA. Hij gaf weliswaar geloof ik ook Hebreeuws, maar hij beschouwde volgens mij zelf Jiddisch als zijn hoofdtaak. Na zijn plotselinge dood werd die leegte lange tijd niet opgevuld, tot er vier jaar geleden ineens het verheugende bericht kwam dat er in ieder geval iemand was die vanuit Antwerpen colleges kwam geven.
Begrijpen
Maar dat blijkt nu maar van korte duur. Het ging om een tijdelijke voorziening, die betaald kon worden uit een project dat gefinancierd werd door een sponsor. Maar dat geld droogt nu weer op.
Kamerlid Chris Stoffer van de SGP heeft er een vraag over gesteld. Dat is heel fijn, al is die vraag niet in alle opzichten even goed geïnformeerd. Zo wordt er geen ‘studie Jiddisch’ opgeheven (was er maar een studie Jiddisch), maar slechts een pakketje vakken. Daarnaast gebruikt Stoffer als argument dat ‘de kennis en studie van het Jiddisch van groot belang is voor de positie van de Joodse gemeenschap in Nederland’.
Ik weet niet zo goed wat hij daarmee bedoelt — er zijn dus niet veel meer sprekers van het Jiddisch meer in Nederland (je vindt ze nog wel in Antwerpen, New York en Jeruzalem), maar het is vooral erfgoed van heel Nederland. Wie Nederland en het Nederlands wil begrijpen, kan niet zonder het Jiddisch.
Het is al vaker gezegd, ook door mij: we leven in een tijd waarin allerlei mensen hun mond vol hebben over onze cultuur en hoe bedreigd die is en dit en dat en wat al niet, maar waarin tegelijkertijd die cultuur op allerlei manieren wordt bedreigd. Het Jiddisch, en alle teksten in het Jiddisch, zijn een schat. Dat er in heel Nederland niemand is die dat ergens op de academie bestudeert, vind ik een schande.
← Terug naar Neerlandistiek op zolder