‘ten ware den Koningh spoedige hulpe derwaers afsant’
De start van de standaardisatie van het Nederlands in de late zestiende en vroege zeventiende eeuw, met de publicatie van de eerste Nederlandse spellinggidsen, grammatica’s en woordenboeken, is al uitgebreid bestudeerd. Minder goed onderzocht is nog of en hoe deze vroege normatieve werken invloed hadden op het taalgebruik in die tijd. In hoofdstuk zes van mijn proefschrift onderzoeken Isabeau De Smet en ik die vraag aan de hand van een casestudy: sterke werkwoorden van de derde ablautklasse.
Sterke werkwoorden van de derde ablautklasse
De Nederlandse taal kent verschillende sterke werkwoorden, dat wil zeggen werkwoorden die van klinker veranderen in de verleden tijd. Deze werkwoorden zijn onderverdeeld in zeven verschillende werkwoordsklassen op basis van wat de ‘ablaut’ wordt genoemd; de klinkerwisseling. In de loop der tijd hebben sommige van deze werkwoordsklassen taalverandering ondergaan. Dit gebeurde bijvoorbeeld met de werkwoorden uit de derde ablautklasse, zoals geïllustreerd kan worden met het werkwoord zingen. Dit sterke werkwoord vertoonde een driedelig ABC-paradigma in het Middelnederlands:
zing(en) – zang, zongen – zingenZang met <a> werd gebruikt voor het verleden enkelvoud (‘ik, jij [sg.], hij of zij zong’) en zongen met <o> voor het verleden meervoud (‘wij, jullie [pl.] of zij zongen’). Een voorbeeld van die <a>-vorm vind je ook in de titel van dit stuk, waarin de koning hulp ‘(af)zand’, in plaats van ‘zond’. Onder druk van analogie (het meervoud had al <o>, het voltooid deelwoord ook) veranderde het enkelvoud van <a> naar het hedendaagse <o>. Zingen kreeg daarmee een ABB-paradigma:
zing(en) – zong(en) – zingenEerdere studies hebben laten zien dat deze verandering zich in de zeventiende eeuw heeft geconsolideerd, maar hebben nog niet onderzocht of de standaardisatie van het Nederlands, en de daarmee gepaard gaande codificatie van werkwoordparadigma’s, in de late zestiende en vroege zeventiende eeuw hierbij een rol heeft gespeeld. Onze studie probeert daarin verandering te brengen.
Grammatica’s, kranten, literaire werken, brieven en de Statenvertaling
Ons onderzoek benadert deze vraag in twee stappen. Ten eerste brengen we de normen voor werkwoorden van de derde ablautklasse in kaart in de 10 vroegste normatieve grammatica’s van het Nederlands, die ook voor hoofdstukken 2–5 geraadpleegd zijn. Ten tweede onderzoeken we het daadwerkelijke taalgebruik van deze werkwoorden in 17e-eeuws Nederlands. Hiervoor maken we voornamelijk gebruik van het Couranten Corpus. Vervolgens worden de resultaten voor kranten vergeleken met al eerder verzamelde data voor andere tekstgenres: literaire werken, brieven, en de eerste officiële Nederlandse Bijbelvertaling uit 1637. Deze corpusstudie biedt zo inzicht in (1) de mate waarin de normen in deze vroege grammatica’s contemporain taalgebruik hebben beïnvloed, en (2) of er in dit opzicht verschillen bestaan tussen verschillende tekstgenres.
We kijken daarbij naar twee substypes werkwoorden binnen de werkwoorden van de derde ablautklasse: 43 werkwoorden van het type ‘zingen’, dus met tegenwoordig een <o>-vorm voor de verleden tijd enkelvoud, en 6 werkwoorden van het type ‘helpen’, waarbij de <a>-vorm in de hedendaagse <ie>-vorm veranderde. Daarbij zoeken we niet alleen naar <o>-, <a>- en <ie>-vormen van de verleden tijd enkelvoud van die werkwoorden, maar ook naar de zwakke vorm (‘zingde’), en vormen met <u>, <i> en <e>.
Uitkomst: kranten nemen het voortouw
Hoewel we verschillen hebben gevonden tussen de twee typen werkwoorden (die bewaar ik voor het nog te verschijnen artikel), valt over het algemeen op dat normatieve invloed op gebruik in dit geval onwaarschijnlijk lijkt: de normen voor de bestudeerde werkwoorden van de derde ablautklasse lopen achter op de verandering in gebruik in plaats van deze te leiden. Bij die conclusie moet worden meegewogen dat er geen duidelijk voorschrift lijkt te bestaan voor de correcte vorm van de verleden tijd enkelvoud voor deze werkwoorden: de normen zijn voornamelijk impliciet en erg variabel. Dat roept de vraag op, zoals ik die ook al stelde naar aanleiding van hoofdstuk 2, hoe zulke diffuse normen überhaupt taalgebruik kunnen hebben beïnvloed.
Als we het taalgebruik tussen de verschillende bestudeerde genres voor deze werkwoorden vergelijken, dan valt op dat kranten met name voor de werkwoorden van het type die tegenwoordig een <o>-vorm hebben, nauwelijks variatie vertonen: 99,39% van de 8.046 gevonden vormen voor de verleden tijd enkelvoud van deze 43 werkwoorden gebruikt de <o>-vorm. In literaire werken en de Statenvertaling hebben we meer gevallen aangetroffen van de conservatieve <a>-vorm en ook van andere varianten, hoewel ook daar de <o>-vorm duidelijk het populairst is. Voor het genre van brieven hebben we helaas te weinig resultaten om daar conclusies aan te kunnen verbinden.
Allereerst zou dit gebrek aan variatie in kranten erop kunnen wijzen dat kranten — ondanks eerdere beweringen dat dit niet het geval was, omdat drukken met een drukpers nogal tijdrovend was en kranten één tot wel drie keer per week verschenen — bewust werden geredigeerd om variatie in het gebruik van de verleden tijd enkelvoud van deze werkwoorden te verminderen. De vraag blijft dan natuurlijk wel wat krantenredacteuren ertoe heeft bewogen om juist dit aspect te redigeren, en waarom ze voor de <o>-vorm kozen.
Daarnaast zou de aangetroffen uniformiteit binnen kranten, al vroeg in de eeuw aangetroffen en groter dan in de andere bestudeerde genres, erop kunnen wijzen dat kranten het voortouw namen in deze taalverandering, vooral omdat onze resultaten dus laten zien dat de voorkeur voor de <o>-vorm niet voortkomt uit de normatieve werken. Ook in de resultaten voor het werkwoordtype dat tegenwoordig een <ie>-vorm in de verleden tijd heeft, zien we hier een subtiele aanwijzing voor: kranten vertonen de <ie>-vorm in meer verschillende werkwoorden dan literaire werken. Dit zou een indicatie kunnen zijn dat, net als bij de werkwoorden met de <o>-vorm, kranten wellicht iets verder waren in deze taalverandering dan andere tekstgenres. Of het nu bewust of onbewust is, kranten lijken in het geval van de verandering van de verleden tijd enkelvoud van sterke werkwoorden van de derde ablautklasse het voortouw te nemen in het gebruik van de nieuwe vorm.
Eerder verschenen op LinkedIn, 22 mei 2026. Machteld de Vos-Groenland is Product Owner Digitisation bij de KB en historisch taalkundige.
← Terug naar Neerlandistiek op zolder