Cold Case Hansie
Pseudonimica
Rond 1900 bracht een klein aantal uitgevers — niet de meest gerenommeerde — een vloed van geschriften op de markt waarmee niets anders beoogd werd dan ’s lezers zinnen te prikkelen. In dat opzicht spanden de romans van Hansie de kroon. Wie Hansie was bleef tot op de dag van vandaag een mysterie.
Alsof het de lezer verheugd zou doen opveren werd in Het Nieuws van den Dag van 24 november 1903 paginabreed geadverteerd met vier herdrukte romans boven de titels waarvan in vet kapitaal, en ook nog eens onderstreept, ‘Mari J. Ternooij [sic] Apèl’ prijkte. Wat uitgever Moransard daarmee voor had is een raadsel. Als auteur had Ternooy Apèl nog allerminst naam gemaakt, en van dat romankwartet was onder zijn naam eerder alleen Dood-zonde (Buys 1899) verschenen. Mademoiselle Céline (1902) en Komedianten (1903), evenals Marie, in 1889 wel door Ternooy Apèl uitgegeven, stonden op naam van Bram van Dort, ook in de advertentie genoemd, maar alleen bij Marie, en tussen haakjes, in kleine letter.
Als vijfde herdruk had Moransard bovendien Bram van Dams Doortje Vlas in de aanbieding. Ook die schrijversnaam was een pseudoniem, maar het openbaren van diens identiteit was blijkbaar minder opportuun. Toch had het Nieuwsblad al in 1893 laten weten dat W.C. Tengeler in 1887 van Doortje Vlas zowel schrijver als uitgever was. Aan bellettrie had Tengeler zich gewaagd onder de naam Plox, maar bij Doortje Vlas, bij Mooie vrouwen en Zinnelijke liefde, beide uit 1905, kwam ‘Bram van Dam’ wel zo betrouwbaar over. Dat Bram van Dort nogal eens zou worden vereenzelvigd met deze Bram, producent van soortgelijk geestverheffing tegengaand werk, kon niet uitblijven, zoals in Nop Maas’ Seks!… in de negentiende eeuw en de Theaterencyclopedie.
Van Dort, Van Dam — kennelijk garandeerden pseudoniemen allesbehalve discretie. Des te opmerkelijker dat nooit opgehelderd is wie zich verschool achter Hansie, auteur van Het nachtboek van een kinderjuffrouw, van Beestmensch de aartsvrouwenverleider en van Nymphomane, sensationeel-realistische roman uit de voorname wereld, tussen 1904 en 1906 uitgekomen bij respectievelijk Daniëls, Van Klaveren en Moransard, het drietal uitgevers dat de markt voor minder oorbare lectuur destijds domineerde. Uit catalogi van vroeg-twintigste-eeuwse particuliere leesbibliotheken, bewaard in de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek, blijkt dat de pennenvruchten van Van Dort en Van Dam daar gerust over de toonbank konden, maar dat aan vraag naar die van Hansie hoogst zelden kon worden voldaan: eenmaal Het nachtboek (leesbibliotheek Eisendrath, 1904), eenmaal decent titelloos als ‘Hansie. Realistische levensroman’ (leesbibliotheek Honigh, 1905). Nog in 1943 kwam zowel Nachtboek als Beestmensch voor op een lijst van ontoelaatbaar drukwerk, opgesteld door het ‘Rijksbureau tot Bestrijding van den Vrouwenhandel en den Handel in ontuchtige Uitgaven’; het oeuvre van Van Dort en Van Dam kwam niet in aanmerking.
Anders dan ‘Bram van Dort’, ‘Bram van Dam’, lijkt een pseudoniem als ‘Hansie’ niet willekeurig gekozen. Op negentiende-eeuwse centsprenten verschijnt die aparte verkleinvorm als ‘Hansie-me-Gek’, in de volksmond, aldus het tijdschrift Eigen Haard van 1912, bijnaam van ‘Hans de gek’, een van de ter opvrolijking van dwalende bezoekers uitgestalde beelden in doolhoven, ooit populaire uitgaansgelegenheden. Ook een soort harlekijn, in 1895 opgesteld bij de uitgang van een doolhof gedurende de Amsterdamse Wereldtentoonstelling, werd volgens het Nieuws van den Dag betiteld als ‘Hansie-me-Gek, de Potsige Hans’. Die eerste benaming zou nu en dan opduiken in toneelrecensies, wanneer te zeer op de lachlust van het publiek leek te zijn gespeculeerd, zoals in Het Nieuws van den Dag van 1913: ‘ze wilde naïver zijn dan naïef en deed als Hansie-me-Gek’, of wanneer een acteur, getuige Het Nieuws van den Dag van 1915, als enige niet ‘loopt, spreekt en doet […] als Hansi-me-gek’ terwijl de overige spelers zich gedroegen ‘als halve garen’.
Nu speelt niet alleen Hansie’s Beestmensch zich af in de toneelwereld, maar ook Ternooy Apèls Dood-zonde, evenals Komedianten van diens alter ego Van Dort. En zowaar blijkt Ternooy Apèl, op de planken vanaf 1890, zich daar tegen wil en dank te hebben voorgedaan als Hansie-me-Gek. Voortdurend had hij, volgens Boon’s Geïllustreerd Magazijn van 1903, moeten verdragen dat het schouwburgpubliek ‘te onpas om hem had gelachen […], terwijl hij zijn hoogst-ernstige rol zo sober mogelijk had gespeeld’: ‘’t Was net, alsof de toeschouwers hem, telkens als hij ’n niet-komische rol speelde en heel nauwgezet speelde, lachend toeriepen: ‘je houdt je goed hoor, met je gemaakten ernst, oolijke grappenmaker, die je bent!’’ Eerst na jaren zou hij dat stigma kwijtraken, om in 1912, inmiddels directeur van de Nederlandsche Tooneelvereeniging, zijn carrière als gerespecteerd acteur af te sluiten.
Intussen had acteur Ternooy Apèl als auteur het niet ver gebracht. Een dichtbundel uit 1890 bleef onopgemerkt, geen van zijn toneelstukken hield lang repertoire, de onder eigen naam gepubliceerde romans Om het mensch-worden (Van Klaveren 1897), Dood-zonde (Buys 1899), evenals de novellenbundel Eenzamen (Holland 1895), sloegen niet aan, al haalden de laatste twee nog wel een herdruk. Beter ontvangen werd het heel wat minder hoog gegrepen werk waaraan hij zijn naam niet had willen lenen: Bram van Dorts Marie (1889) werd vóór 1910 viermaal herdrukt, Mademoiselle Céline (1902) in dezelfde periode driemaal. Komedianten (1903), amper gewaagd, kreeg echter slechts eenmaal een herdruk. Blijkbaar moest het pikant zijn, wilde het lopen.
Aanleiding genoeg voor Ternooy Apèl, van de literaire erehemel al uitgesloten, om zich toe te leggen op stellig goed in de markt liggende romannetjes die in onstichtelijkheid Van Dorts geesteskinderen verre te boven gingen, waarbij hij als nooit prijsgegeven pseudoniem koos voor de geuzennaam Hansie. En voor diens ‘realistische’ lectuur leek er inderdaad klandizie genoeg: Het nachtboek van een kinderjuffrouw, uitgekomen in 1904, werd in zeven jaar vijfmaal herdrukt. Maar kennelijk had het grote publiek van Hansies gepeperde kost meteen al genoeg. Haalde Beestmensch (1905) nog een tweede druk, Nymphomane (1906) al niet meer. Dat was een domper. Hansie nam de pen niet meer op.
Als Hansie beëindigde Mari J. Ternooy Apèl naar alle schijn zo zijn schrijverscarrière, met werk dus waarvoor hij zich als beginnend auteur moet hebben gegeneerd. Zie het prospectus van het in 1888 door hem uitgegeven tijdschrift Holland-Vlaanderen, ‘gewijd aan Letteren, Wetenschap en Kunst’ — het haalde één jaargang —, waarvan hij redactiesecretaris was: ‘Niet alle naturen zijn bestand tegen de verlokkingen der zinnelijkheid en daarom is alles wat de sensualiteit bevordert streng af te keuren. Er is eene hoogere liefde dan de zinnelijke en ook eene hoogere kunst dan die ’t te doen is om de aandoeningen van den zinnelijken mensch te beschrijven.’ Maar met wisselende rollen had acteur Ternooy Apèl ongetwijfeld weinig moeite.
Bronnen. Nieuwsblad voor den Boekhandel 60, 28 juli 1893, p. 564; Nop Maas, Seks!… in de negentiende eeuw (2006) p. 151; Eigen Haard 38, 15 juni 1912, p. 383; Het Nieuws van den Dag 11 mei 1895; idem 18 oktober 1913; idem 22 november 1915; Boon’s Geïllustreerd Magazijn 5, 1903, p. 106, p. 178; Bedrijfsdocumentatie M.J. Ternooy Apèl — Amsterdam. Allard Pierson Depot KVB PPA: 591:7.
← Terug naar Neerlandistiek op zolder