Neerlandistiek — Online tijdschrift voor taal- en letterkunde

Hoe taalkundige samensmelting weer tot splitsing leidt

Allofonen versus fonemen

25 mei 2026 · Aron Groot

Vergelijk de eerste klank in het woord lopen eens met de laatste klank in het woord kaal.

Dat zijn twee totaal verschillende klanken. De eerste [l] zit helemaal voor in je mond, tegen je tanden aan. De tweede [ɫ] zit achter in je mond, bijna tegen je huig aan.

Toch schrijven we deze twee klanken in het Nederlands met één en dezelfde letter: l.

Dat is interessant, want de klanken [d] en [t] liggen tongtechnisch gezien véél dichter bij elkaar — en die schrijven we met twee verschillende letters: d en t.

Daar is over nagedacht. Een dak en een tak zijn twee verschillende dingen, maar als je lopen met een achter-[ɫ] of kaal met een voor-[l] uitspreekt dan klinkt dat misschien vreemd, maar je hebt niet per ongeluk een ander woord gezegd.

Meer taalkundig verwoord: de [l] en de [ɫ] zijn in het Nederlands allofonen van het foneem /l/. De [l] duikt op aan het begin van een lettergreep, de [ɫ] aan het einde van een lettergreep. Ze wisselen elkaar als het ware af.

Illustratie bij het stuk van Aron Groot
Illustratie bij Aron Groots stuk op Gevleugelde woorden.

Maar allofonische afwisselingen kunnen op termijn wel degelijk tot een fonemische splitsing leiden. Zo heb je in het Sanskriet de woorden kád (‘wat?’) en catúr (‘vier’). De Latijnse equivalenten zijn quod (‘wat voor / welke?’) en quattuor (‘vier’).

Op basis van deze correspondentie (en aanvullend bewijs uit andere talen) reconstrueert men de Proto-Indo-Europese voorlopers als *kʰód en *kʰettwōr. Deze leeft in het Latijn voort als qu, maar heeft zich in het Sanskriet opgesplitst in k en c (spreek uit: tsj).

Deze splitsing gaat terug op een allofonische afwisseling. Voorafgaand aan de klinker *o in *kʰód werd de in het Proto-Indo-Europees waarschijnlijk achter in de mond uitgesproken; de *o zit immers ook achter in de mond. Voorafgaand aan de klinker *e in *kʰettwōr werd de meer naar voren uitgesproken; de *e zit immers ook voor in de mond.

Maar in het Sanskriet zijn deze Proto-Indo-Europese *e en *o samengesmolten tot de klinker a. Vandaar al die a’s in woorden als chakra, nirvana, samsara, enzovoorts.

Het resultaat van deze samensmelting is dat de twee allofonen ( voor in de mond vs. achter in de mond) elkaar niet meer afwisselen. Ze komen nu immers allebei voorafgaand aan de a voor. De achterin-variant werd het foneem k en de voorin-variant werd het foneem c.

Zo leidt samensmelting tot splitsing. En zo blijven we bezig.

Eerder verschenen op Gevleugelde woorden, 9 mei 2026. Met dank aan Aron Groot voor de toestemming tot overname.

← Terug naar Neerlandistiek op zolder