Antisemitisme als schandaal
In het nieuwe nummer van Nederlandse Letterkunde staat een verhelderend artikel van de letterkundige Gaston Franssen (UvA) over wat hij noemt ‘het scandaleuze als taalfiguur’ bij Jacob Israël de Haan. Aan de hand van een paar concrete voorbeelden laat Franssen zien hoe De Haan, nadat hij in 1904 geconfronteerd werd met een schandaal rondom zijn roman Pijpelijntjes, over een homoseksuele en eenzijdige liefde, gaandeweg zelf het scandaleuze ontdekte als een element dat hij kon gebruiken in zijn eigen werk — als taalfiguur.
Een goede analyse is uitbreidbaar naar andere voorbeelden. Voor mij wierp Franssens stuk een interessant licht op een schandaal waarbij De Haan betrokken was en dat Franssen helemaal niet noemt: dat rondom de bekende taalkundige Jac. van Ginneken, die door De Haan van antisemitisme werd beticht.
Wat is de ‘scandaleuze taalfiguur’? Steunend op een indrukwekkende hoeveelheid sociologisch en mediawetenschappelijk onderzoek (van onder anderen Thompson, Adut, Tumber & Waisbord) onderscheidt Franssen drie elementen: er moet iemand over een maatschappelijke of ethische grens gaan, die iemand moet daarop publiekelijk worden aangesproken, en die aanspraak moet weerklank vinden bij een publiek. Franssen wijst op de Bijbelse oorsprong van het begrip skandalon (struikelblok), dat zowel kan verwijzen naar wat van het ware geloof afhoudt als naar wat juist daarheen leidt. Dat is een dubbelzinnigheid die in De Haans werk doorklinkt.
Journalistiek en lyriek
Franssen analyseert twee teksten in zijn artikel. In de Open brief aan P.L. Tak (1905) van vlak na de ophef over Pijpelijntjes, reageert De Haan op zijn ontslag bij de socialistische krant Het Volk vanwege die roman. Hij keert daarbij de scandaleuze taalfiguur tegen hoofdredacteur Tak: niet De Haans roman is schandalig, maar Taks machtsmisbruik en zijn pogingen de zaak in de doofpot te stoppen. Zo creëert De Haan wat Franssen een ‘schandaal van de tweede orde’ noemt. In het decadente verhaal Over de ervaringen van Hélènus Marie Golesco (1907) wordt het scandaleuze allegorisch uitgewerkt: het (mannelijke) personage Heleen verwerpt en mishandelt een Jezusfiguur die voor laf conformisme staat, en omarmt de Duivel Sótòn als belichaming van individuele vrijheid. Franssen leest dit verhaal als een literaire echo van de Tak-affaire en als pleidooi voor het onvervreemdbare recht van het individu om zijn eigen weg te kiezen.
In zijn rijke artikel verklaart Franssen ook waaróm De Haan een voorkeur had voor het scandaleuze: als gemarginaliseerde figuur (arm, Joods, homoseksueel, politiek dwars) bood het succès de scandale hem een strategie om alsnog toegang te krijgen tot het publieke debat. Voor gemarginaliseerde mensen is het schandaal een manier om aandacht te krijgen of vast te houden. Het verklaart misschien ook waarom De Haan zich gaandeweg meer toelegde op journalistiek en lyriek — genres waarin die scandaleuze taalfiguur goed tot zijn recht komt.
Gemeenteraad
Nu Van Ginneken. De jezuïet en taalkundige Jac. van Ginneken publiceerde in 1913–1914 zijn tweedelige Handboek der Nederlandsche taal, dat een hoofdstuk ‘De Jodentaal’ bevatte. De Haan, die overigens een hartelijke correspondentie met Van Ginneken onderhield over diens taalkundig werk en die zijn Handboek over het algemeen lijkt te hebben gewaardeerd, bekritiseerde dit specifieke hoofdstuk in het openbaar scherp. Die affaire speelt een belangrijke rol in het onderzoek naar Van Ginneken, waar de discussie vooral gaat over de vraag of de beschuldiging nu terecht was, maar bij mijn weten minder in dat naar De Haan.
Deze aanvallen leidden ertoe dat de Amsterdamse gemeenteraad, die toen nog over hoogleraarsbenoemingen ging, tegen Van Ginnekens kandidatuur bij de Gemeenteuniversiteit van Amsterdam (de voorloper van Franssens UvA) stemde. Enkele jaren later zou Van Ginneken de eerste hoogleraar Nederlandse taalkunde worden aan de Katholieke Universiteit Nijmegen (de voorloper van mijn Radboud Universiteit).
Jezus-figuur
Ik heb het niet precies onderzocht, maar ik geloof dat dit misschien het eerste heldere geval is in de Nederlandse wetenschapsgeschiedenis waar het verwijt van antisemitisme tot zo’n duidelijk schandaal leidde.
De discussie rondom Van Ginneken kan goed begrepen worden in het model dat Franssen presenteert. De Haans aanspreking, opgepikt in de pers, vond zo’n weerklank dat het tot een concrete institutionele sanctie leidde: het blokkeren van een leerstoel. Dit is precies wat door Franssen aangehaalde theoretici als Thompson en Adut bedoelen met de constitutieve kracht van een schandaal: de gemeenteraad maakte het verwijt tot politiek feit.
Tegelijk laat de Van Ginneken-affaire ook iets specifieks zien voor De Haans gebruik van de scandaleuze taalfiguur. Hij paste hem in dit geval toe op een persoonlijk gewaardeerde correspondent. Voor zover ik weet bleven de verhoudingen tussen Van Ginneken en De Haan bovendien redelijk. Het schandaal was geen compleet vijandige confrontatie zoals bij Tak of bij de Jezus-figuur in het verhaal over Golesco, maar een gerichte aanklacht binnen een verder constructieve relatie. (Dat het kennelijk in die tijd mogelijk was dat een Jood verondersteld antisemitisme niet als bezwaar zag, is ook interessant.) Dat maakt het schandaal rondom Van Ginneken interessant als nuance op Franssens model: de scandaleuze figuur kan ook selectief worden ingezet, gericht op één specifieke uitspraak of tekst, zonder dat de hele persoon wordt verworpen.
← Terug naar Neerlandistiek op zolder