Taal van de wadden: Inleiding

Voor mensen die belangstelling hebben voor taal zijn eilanden interessante gebieden. Aan de ene kant zijn ze geïsoleerd: het water dat tussen het eiland en de vastewal ligt, zorgt ook voor een taalkundige afscheiding. Allerlei taalveranderingen op het vasteland worden daardoor misschien minder snel overgenomen en men heeft op ieder eiland zijn eigen dialect. Tegelijkertijd staan de bewoners van de eilanden natuurlijk op allerlei manieren toch weer met de bewoners van de andere eilanden en de mensen van de vastewal in verbinding: vroeger bijvoorbeeld via de handel en de visserij, en tegenwoordig vooral vanwege het toerisme.

Dit alles geldt ook voor de Nederlandse Waddeneilanden. Eeuwenlang hebben er in het Waddengebied mensen gewoond, die in de loop van de tijd hun eigen taal hebben ontwikkeld, een taal waaraan ze elkaar nu nog herkennen en die ze, zoals we in dit boek zullen zien, ook nog koesteren. Tegelijkertijd verkeren de Waddeneilanden de laatste decennia in de merkwaardige omstandigheid dat er elk jaar, en zeker in de zomer, duizenden mensen meer op het eiland logeren dan er wonen. Die mensen hebben vaak nauwelijks een idee van de veelzijdigheid van de eigen taal van de eilanden -- als ze al weten dat er nog dialect gesproken wordt, want de meeste eilandbewoners schakelen moeiteloos over op het Nederlands, het Duits of het Engels als dat nodig is.

Bovendien komen de meeste toeristen natuurlijk in eerste instantie voor de natuur en niet voor de taal. Met dit boek hebben we de rijkdom van de taal van de Wadden zichtbaar willen maken, zowel voor de mensen die er wonen of er vandaan komen als voor de mensen die de eilanden af en toe bezoeken. We willen laten zien hoeveel er te beleven is aan die taal: hoe ze de geschiedenis van de eilanden weerspiegelt, maar ook het heden, hoe vernuftig het taalsysteem is dat erachter zit en hoe dat systeem door de mensen op het eiland nog elke dag gebruikt wordt.

Mengtalen

We nemen de Waddendialecten hier samen, omdat ze volgens ons veel met elkaar gemeen hebben. Het is niet zo gebruikelijk dat deze dialecten onder één noemer worden gebracht. Op een bekend dialectkaartje van de dialectologe Jo Daan van het Meertens Instituut worden de dialecten van Texel en Vlieland bijvoorbeeld ingedeeld bij het West-Fries, de dialectgroep van Noord-Holland, terwijl de overige dialecten van de Waddeneilanden gerekend worden tot het Fries of het zogenoemde Stadsfries. Het aardige is volgens ons dat de Waddendialecten tot op zekere hoogte een scala vormen van Friese en Hollandse elementen: het Schiermonnikoogse dialect is heel Fries, dat van Texel ligt dichter bij het West-Fries, en de meeste dialecten op de tussenliggende eilanden liggen er zo'n beetje tussenin. Bovendien heet het 'West-Fries' natuurlijk niet voor niets naar het Fries: de dialecten van noordelijk Noord-Holland vertonen op zichzelf al veel kenmerken van het Fries. Dat mengen van talen is alleen op de eilanden nog sterker.

Het Texels vertoont veel overeenkomsten met het West-Fries, maar wijkt er ook enigszins vanaf, net als trouwens de dialecten van Enkhuizen en Wieringen. Voor deze plaatsen rond de Zuiderzee en de Waddenzee zijn de contacten over water altijd belangrijker geweest dan die over land: al eeuwenlang hebben de bewoners van dit gebied elkaar in hun taalgebruik beïnvloed. Zo kent het Texels een groot aantal woorden die niet bekend zijn in de rest van West-Friesland, maar bijvoorbeeld wel op Urk en Wieringen. Wat betreft de uitspraak komen bijvoorbeeld de karakteristieke West-Friese tweeklanken ai (kaike en koike voor 'kijken') niet op Texel voor. Toch zijn er ook overeenkomsten, die zich vooral laten vinden in de woordvorming (de morfologie). In dit boek willen we de verschillen en overeenkomsten tussen de West-Friese en Friese eilanddialecten zichtbaar maken.

Het Texels kun je dus zien als een West-Fries dialect. Dat geldt ook voor het dialect van Vlieland. Maar omdat er van het Vlielands weinig op schrift is gesteld, komen de meeste voorbeelden van West-Fries taalgebruik die we in de volgende hoofdstukken noemen uit het Texels. Het Texels en het Vlielands hebben veel met elkaar gemeen. Dat is niet zo vreemd omdat de eilanden altijd nauw met elkaar in verbinding stonden. Zo werd de post eeuwenlang via Texel naar Vlieland overgebracht. In de twintigste eeuw zijn er bovendien veel Texelaars op Vlieland gaan wonen. Omdat we weten dat het vroegere dialect van Vlieland, dat al honderd jaar niet meer gesproken word, erg veel gelijkenis vertoonde met het Texels, zullen we deze dialecten meestal in één adem noemen.

Ambtenarentaal

Op Ameland en Terschelling worden het Hollands en het Fries op een nog andere manier gemengd: omdat die eilanden lange tijd onder Hollands bestuur hebben gestaan, heeft zich bijvoorbeeld in het dorp Midsland op Terschelling langzamerhand een dialect ontwikkeld waarin het Hollands van de bestuurders zich mengde met het Fries van de plaatselijke bewoners. Op die manier ontstond een taal die lijkt op de dialecten van de grotere steden van Friesland, zoals Leeuwarden. Een voorbeeld van die taal vinden we in het volgende gedichtje over de Waddeneilanden (veel van de lastige woorden uit deze en alle volgende teksten in dit boek zijn opgenomen in de woordenlijst in hoofdstuk 8):

Rottumeroog is een klein land,
Mar Skiermonnikoog is sterk bemand;
De Amelander skalken
Hewwe stolen drie balken,
Avons in'e maneskijn,
Daarom sal 't haar wapen sijn,
Skilingen het 'n hoge toren,
Flielan het siin naam ferloren,
Texel is maar een seegat,
De Helderse Traanbokken segge dat.

Waar dit Waddengedicht voor het eerst is opgedoken, is niet duidelijk. Waarschijnlijk is het in de achttiende eeuw opgetekend door een Friese schipperszoon. Toch is dit fragment niet in het Fries opgesteld (dat zien we bijvoorbeeld aan een woord als avons dat in het Fries vertaald zou zijn als jûns), maar in de Hollands-Friese mengtaal die in de zestiende eeuw is ontstaan in de Friese steden toen Hollandse ambtenaren daar hun invloed gingen uitoefenen, het zogenoemde Stadsfries. Op de eilanden Terschelling en Ameland zijn soortgelijke mengtalen ontstaan, doordat de van oorsprong Friese inwoners in contact kwamen met de Hollanders en de Hollandse taal. Men gaat ervan uit dat de eerste bewoners van de Waddeneilanden Friezen waren. In alle dialecten van de vijf Nederlandse Waddeneilanden vinden we dan ook nog Friese overblijfselen.

De dialecten van Ameland en Midsland (Terschelling) zijn - net als het Stadsfries - mengdialecten: ze dragen zowel Hollandse als Friese elementen in zich. Het Stadsfries heeft een Friese zinsbouw en uitspraak, terwijl de woordvorming en de woordenschat gedeeltelijk Fries en gedeeltelijk Hollands zijn. Deze indeling kunnen we oook aannemen voor het Amelands en het Midslands. Toch hebben deze dialecten ook eigen ontwikkelingen doorgemaakt, en zijn ze enigszins afwijkend van het Stadsfries in de Friese steden. Het Stadsfries is in sommige opzichten te vergelijken met het West-Fries, maar doordat het Stadsfries altijd omringd is geweest door Friese dialecten, is het Friese aandeel hierin een stuk groter dan in het West-Fries. De verschillen tussen de Waddendialecten en het Stadsfries zullen in de volgende hoofdstukken uitgebreid aan de orde komen. Onze voorbeelden komen voornamelijk uit het Amelands, omdat er naar het Midslands nog niet zoveel onderzoek gedaan is. Het Amelands bestaat overigens uit twee dialecten. Het dialect van het oosten (de dorpen Nes en Buren) verschilt van het dialect van het westen (de dorpen Hollum en Ballum) in de uitspraak, in de woordvorming en de woordenschat.

Een gemeenschappelijke geschiedenis

De overige Waddendialecten (de dialecten van Oost- en West-Terschelling en dat van Schiermonnikoog) worden traditioneel ondergebracht bij het Fries (zie het kaartje van Jo Daan). De Friese taal wordt onderverdeeld in drie regionale dialecten, namelijk het Kleifries, het Woudfries en het Zuidhoeks. Daarnaast worden drie afwijkende Friese dialecten onderscheiden, die gesproken worden in Hindeloopen, op Terschelling en op Schiermonnikoog. Deze dialecten wijken voornamelijk af in hun uitspraak, terwijl de grammatica verder vrijwel overeenkomt met die van het Fries. Enige invloeden van het Gronings zijn in het Schiermonnikoogs ook wel zichtbaar, dus hier is eveneens sprake van een zekere vermenging.

Toerisme en import

Bovendien is het de moeite waard om niet alleen naar de taal te kijken, maar vooral ook naar de mensen die de taal gebruiken en de meningen die zij hebben over hun eigen taal (hoofdstuk 6). Omdat alle eilanden met toerisme en bewoners van buiten de eilanden te maken hebben, kunnen we het taalgebruik op de eilanden met elkaar vergelijken. Natuurlijk zijn er naast deze overeenkomsten ook verschillen aan te wijzen tussen de Waddendialecten, zoals in de uitspraak van sommige woorden (hoofdstuk 3), in de woordenschat en de woordvorming (hoofdstuk 4) of in de zinsopbouw (hoofdstuk 5). Die verschillen zijn te verklaren doordat de eilanden vroeger enerzijds nogal geïsoleerd waren, en aan de andere kant bij hun gerichtheid op zee in contact waren met mensen in andere streken van het land, en zelfs in het buitenland.

Eilanders hadden door de zeevaart natuurlijk onderlinge contacten, en uit die contacten kwamen soms huwelijken tussen eilanders voort. Dat verklaart een deel van de gelijkenissen tussen de Waddendialecten. Maar de meeste overeenkomsten zijn te verklaren doordat de dialecten een vergelijkbare ontwikkeling hebben doorgemaakt.

Spreken tegen de wind in

Een overeenkomst tussen de Waddendialecten waar men in de literatuur vaker op heeft gewezen, is die in de uitspraak. Men zou op de eilanden wat zangeriger spreken dan elders. Dit kenmerk wordt ook wel voor andere kustdialecten genoemd.

Sommige eilanders beweren dat hun taal wat schreeuweriger is omdat zij altijd tegen de wind in moeten praten. Pieter van Cuyck schreef in 1789 over de inwoners van Texel: "Ook spreken zy, en vooral de Vrouwlieden, op een lymenden toon, dien zy op verschillende wyzen verhoogen en verlaagen". En de dialectonderzoeker Johan Winkler beweerde in 1874: "De gewoonte om zingerig te spreken hebben de Amelanders met andere eiland- en strandbewoners gemeen". Ook in een beschrijving van de Noord-Hollanders wordt hun taal gekarakteriseerd door "de zangerige toon, met een hoog uithaaltje aan het eind van elke zin". En tegenwoordig horen de eilanders, en dan met name de inwoners van Texel en Vlieland, dit nog steeds wel in hun dialect: "Het is een beetje verwant aan het Noord-Hollands hè, dat zingerige. Van 'waar ga je naartoe?'", zei een Vlielandse met wie we spraken bij de voorbereiding van dit boekje. En een Texelaar zei: "Ik ben de afgelopen dagen veel in het rusthuis geweest en dan kom ik bij mensen van tachtig jaar. En dan is 't van 'nou m'n kiend ga zitte!' Ouwe vrouwen zijn dat dan maar dat is zo gezellig. Ja 't geeft een goed gevoel. 'Weljajet, welninnet, oh joh kiend ga zitte', ze zingen gewoon."

We komen nog even terug op het Waddengedicht van hierboven. Het is een fragment uit een visserslied dat in verschillende geschiedenisboekjes opduikt, maar wel steeds in een andere gedaante. Zo worden de laatste vier versregels genoemd in een boekje van Geert Aeilco Wumkes, die van 1893 tot 1898 dominee was in Hoorn op Terschelling, en de geschiedenis van het eiland optekende. Volgens Wumkes gaat het om een vissersliedje dat door Terschellinger vissers werd gezongen. In zijn versie van het lied is Texel een 'waaigat' en zingen de 'Heldersche kraaien' dat. Ook wordt dit vers vermeld in een artikel van Willem Kikkert in het blad van de Historische Vereniging Texel (december 2002). Hier luidt de laatste zin: 'want lui uit Gelder zeggen dat'. Het zou volgens de auteur gaan om een matrozenliedje uit Mecklenburg, uit ca. 1750.

Hieronder staat nog een versie uit het boek Schiermonnikoog. Het eiland der grijze monniken, dat in 1938 verscheen. Het gaat hier om een fragment van een langer gedicht, dat in het genoemde boekje uit 18 regels bestaat: de Duitse Waddeneilanden komen daar namelijk ook aan bod. De schrijver vermeldt ook dat brokstukken van dit gedicht op de verschillende Nederlandse en Duitse Waddeneilanden rondzwermen onder de bevolking. Dit geeft ons een aanwijzing over de literaire traditie op de eilanden: die was voornamelijk mondeling (zie ook hoofdstuk 8). Dat zal de reden zijn dat er van dit gedicht zoveel versies circuleren, want bij het van mond-tot-mond overdragen van een tekst verandert er vanzelf voortdurend van alles:

Rottum is een klein land,
Schiermonnikoog is wel bemand,
Amelander Skalken
Hebben gestolen drie balken,
Des avonds in de maneschijn,
Daarom zal 't hun wapen zijn.
Terschelling heeft een hooge toren,
En Vlieland heeft zijn naam verloren.
Texel is een zeegat,
En de Heldersche meisjes die weten dat.

In dit gedicht wordt trouwens nog een eiland genoemd, waarover we in dit boek niets zullen zeggen. We zijn niet de enigen die Rottum over het hoofd zien. De meeste mensen kennen het schoolse ezelsbruggetje TVTAS wel, dat een makkelijk hulpmiddeltje is om de volgorde te onthouden van de eilanden Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog. Rottum, dat weer bestaat uit de drie eilandjes Rottumeroog, Rottumerplaat en de Zuiderduintjes, wordt niet genoemd in dit rijtje. Het is dan ook een klein land en -- wat nog veel belangrijker is -- onbewoond.

Rottumerplaat verwierf landelijke bekendheid door het verblijf van Jan Wolkers en Godfried Bomans. Beiden brachten in 1971 een week door in de verlatenheid van dit eiland, en onderhielden dagelijks radiocontact met Willem Ruis om hun ervaringen met de rest van Nederland te delen. Van een dialect van een onbewoond eiland kan geen sprake zijn, zolang we de taal van de vogels niet meetellen, en precies die taal had (de latere Texelaar) Jan Wolkers tijdens zijn verblijf ontdekt:

Nog eens over de meeuwen. Het zijn per slot van rekening mijn buren. Alleen al om de geluiden die ze maken, om hun taal, zou je hier jaren kunnen zitten om die te bestuderen. Ze hebben een scala van klanken, uitdrukkingen en gezegden die die van de mens verre overtreft. Misschien dat je alleen in het Chinees een zo genuanceerd getokkel en gekakel hebt.

(Fragment uit het dagboek van Jan Wolkers, Groeten van Rottumerplaat.)

De taal van de mensen op de overige Waddeneilanden is even fascinerend als het Chinees of de taal van de meeuwen. Dat willen we in dit boek laten zien.

Mathilde Jansen en Marc van Oostendorp.