Het proefschrift van ... Klarien van der Linde: Schoow

Marc van Oostendorp

[Dossier Dissertatie]

(Dit artikel verscheen in juli/augustus 2001 in Onze Taal.)

"Er moet me iets van het hart", schreef A.P.G. Seijkens in 1992 in Onze Taal. "Steeds vaker wordt [de] l, vooral door jongeren, uitgesproken als een zuivere w (…) Laatst hoorde ik twee meisjes praten over hun 'schoow'. Opzettelijk liet ik ze dat woord herhalen: 'schoow'! Wist ik niet eens wat een 'schoow' was? Zij meenden zelf werkelijk dat zij 'school' zeiden!"

De fonologe Klarien van der Linde onderzocht het door Seijkens beschreven verschijnsel en merkte dat kinderen die hun moedertaal leren uitspreken relatief vaak dit soort vergissingen maken. Soms leiden die vergissingen tot een taalverandering. Van der Linde ontdekte bovendien dat ook sommige patiënten met een taalstoornis zich vaak op deze manier vergissen - maar niet allemaal. Van der Linde promoveerde dit voorjaar aan de Rijksuniversiteit Groningen op een proefschrift over dit onderwerp.

Dimensies

De nieuwe uitspraak van de l is sinds A.P.G. Seijkens meer mensen opgevallen. Zeker in de Randstad zijn er nauwelijks nog jongeren die géén [schoow] zeggen. Het is ook geen nieuw soort verandering. Ooit is kalt/cold veranderd in koud en alt/old in oud, en andere talen maken ook weleens een dergelijk proces door. In het Frans veranderde journals in journaux (dat woord werd toen waarschijnlijk met een [au] uitgesproken) en op dit moment schijnen ook Britse jongeren steeds vaker [miwk] te zeggen tegen milk.

Hoe zit die taalverandering in elkaar? We kunnen de klanken van een taal volgens Van der Linde in verschillende dimensies plaatsen. Eén zo'n dimensie is de plaats in de mond waar we ze maken: de t, de n, de s, en de i voor in de mond, de k, de a en de g achter in de mond, de m, de o, de f en de b bij de lippen. Een andere dimensie is relatieve klinkerachtigheid: om een typische klinker (bijvoorbeeld een a) te maken, open je je mond en laat je de lucht vrijelijk naar buiten stromen; bij de uitspraak van een echte medeklinker (bijvoorbeeld een p) sluit je je mond even en laat je even helemaal geen lucht door. De meeste taalklanken bevinden zich wat klinkerachtigheid betreft ergens tussen een a en een p in. Voor een f bijvoorbeeld sluit je je mond wel een beetje, maar net niet helemaal, zodat er een ruisend geluid ontstaat.

Unieke instructies

De plaats waar iemand klanken maakt, is objectief te meten, maar relatieve klinkerachtigheid niet. Met röntgenstralen en andere technieken kun je in iemands hoofd kijken terwijl hij praat, en zo vaststellen waar hij of zij de klanken precies produceert. Er zijn geen soortgelijke technieken beschikbaar om na te gaan hoe sterk een klank op een klinker lijkt.

De verandering van l naar w is volgens Van der Linde een verandering in klinkerachtigheid. De l verandert alleen aan het eind van een lettergreep: niemand zegt [wekker] in plaats van [lekker]. Dat laat zien dat het niet per se gemakkelijker is om een w te zeggen dan een l. In het Italiaans zijn er bijvoorbeeld nauwelijks woorden die op een medeklinker eindigen; door [school] in [schoow] te veranderen zet het Nederlands een stapje in Italiaanse richting. Behalve klinkerachtigheid verandert er weinig. De plaats waar je de l en de w maakt, is min of meer gelijk. Achter in de lettergreep - in school - is de l van oudsher nogal 'dik' in het Nederlands. Dat wil zeggen dat hij wordt gemaakt met de tong achter in de mond en geronde lippen. Dat is ongeveer ook hoe de w gemaakt wordt.

Er is geen uniek recept om een klank in je mond 'klin kerachtiger' te maken, terwijl er wel zo'n recept is voor de articulatieplaats. Mensen denken wel te horen dat de ene klank klinkerachtiger is dan de andere, maar dat heeft volgens Van der Linde meer te maken met hoe ze die klanken in hun hoofd hebben dan met hoe ze hen daadwerkelijk maken. Een l wordt geen w omdat het makkelijker is een w te zeggen dan een l, maar omdat de woordenlijst die mensen voor hun moedertaal in hun hoofd hebben zo is georganiseerd dat lettergrepen makkelijker te onthouden zijn als ze eindigen op iets klinkerachtigs.

Hersenbloeding

Dat een verandering in klinkerachtigheid zijn oorsprong vindt in de hersens en niet in de mond, bleek ook uit de verschillen die Van der Linde vond tussen twee soorten mensen met een taalstoornis. Zo'n taalstoornis ontstaat vaak door een hersenbloeding, waardoor een deel van de hersenen tijdelijk of permanent onbruikbaar wordt. Die hersenbloeding kan op verschillende plaatsen ontstaan - op de plaats waarvan bekend is dat mensen hem gebruiken voor de lichamelijke aansturing van de spraakorganen, of juist op de plaats waar de grammaticale aspecten van taal zijn vastgelegd. Patiënten die op die laatste plaats getroffen zijn, zeggen relatief vaak [schoow]. Volgens Van der Linde is dat een aanwijzing voor haar theorie dat klinkerachtigheid meer te maken heeft met het taalsysteem dan met de puur fysieke aspecten van taal.

Klarien van der Linde. Sonority Substitutions. Groningen, Grodil. Bestelinformatie: Grodil, Postbus 716, 9700 AS Groningen.