(Dit artikel verscheen eerder in Onze Taal, april 2003).
Als een kind wordt geboren met een spleet in het gehemelte, de kaak en de bovenlip een schisis valt daar met een aantal operaties wel wat aan te doen. In een veelgebruikte behandelmethode wordt de lip na vier maanden dichtgemaakt, en het zachte gehemelte na een maand of twaalf; het harde gehemelte wordt het laatst behandeld, als het kind ongeveer negen jaar oud is.
Die eerste levensjaren vormen wel de periode waarin kinderen leren praten, en dat is lastig met zon spleet. Spreken vereist heel verfijnde spierbeweginkjes die je zo vroeg mogelijk moet oefenen. Dat is een van de redenen dat veel pasgeboren babys met een schisis in hun eerste levensjaar een plastic gehemelteplaatje krijgen. Er zijn trouwens meer argumenten om zon plaatje aan te brengen. Het zou bijvoorbeeld het zogen makkelijker maken, en de spleet sneller aaneen doen groeien. Tegenstanders van het plaatje zijn er ook: zij zeggen dat de behandeling te duur is en dat het de kans op gaatjes in de tanden groter maakt.
Tot voor kort hadden voor- en tegenstanders weinig wetenschappelijke argumenten voor hun stellingen, want de effecten van een gehemelteplaatje waren nauwelijks onderzocht. Om die reden begonnen de universiteiten van Amsterdam, Rotterdam en Nijmegen tien jaar geleden met een grootschalig onderzoek naar deze effecten. Een van de onderzoekers was de logopediste Emmy Konst, die vorig jaar november aan de Nijmeegse universiteit promoveerde op een proefschrift over het effect van een gehemelteplaatje op de ontwikkeling van taal en spraak in de eerste levensjaren.
Konst volgde kinderen met een schisis tussen hun eerste en hun derde levensjaar: de jaren waarin kinderen leren hun eerste woorden en zinnen te zeggen. Ze verdeelde de kinderen in twee groepen: de ene had wel een gehemelteplaatje gedragen en de andere niet. Konst ontdekte dat er verschillen waren tussen de behandelde en de onbehandelde kinderen, en ze concludeert in haar proefschrift zelfs dat deze verschillen groot genoeg zijn om de investering van ongeveer duizend euro te billijken die nodig is om in het eerste jaar een gehemelteplaatje in te brengen.
Op het moment dat het plaatje verwijderd wordt, na een jaar, waren er al verschillen. Op die leeftijd maken kinderen over het algemeen nog geen verstaanbare woorden, maar ze zijn wel uit alle macht aan het oefenen op de klanken van hun taal: ze brabbelen. Overigens waren de verschillen die Konst op dat moment vond niet heel erg verrassend. De behandelde kinderen bleken meer t-achtige klanken te kunnen maken dan de onbehandelde, maar die klanken maak je dan ook precies door het puntje van de tong op te tillen tot vlak bij het harde verhemelte. Dit verschil in uitspraakvaardigheid was een half jaar later al verdwenen: alle kinderen maakten toen dezelfde soorten klanken en ze maakten ze ook even vaak.
Toch bleken er later weer verschillen op te duiken. Toen de kinderen tweeëneenhalf jaar oud waren het plaatje was toen dus al anderhalf jaar verwijderd bleken de behandelde kinderen veel meer medeklinkers te kunnen voortbrengen dan de niet-behandelde. Ook leerden ze de klanken in een normalere volgorde. Kinderen zonder schisis leren de medeklinkers van het Nederlands allemaal in min of meer dezelfde volgorde. Als ze anderhalf zijn, kennen ze de p, de t, de m en nog wat klanken, als ze twee zijn hebben ze de k, de g en de s erbij geleerd en als ze tweeëneenhalf zijn, kennen ze ook de f, de w, de l en de r. Kinderen die een plaatje hadden gedragen, volgden ook min of meer dit parcours, maar de onbehandelde kinderen leerden bijvoorbeeld de w terwijl ze nog lang niet toe waren gekomen aan de s. Konst denkt dat dit komt doordat het brabbelen van het eerste jaar essentieel is bij het leren van je moedertaal. Ze ontdekte ook dat de behandelde kinderen op driejarige leeftijd gemiddeld langere zinnen maakten dan kinderen die niet behandeld waren geweest.
Belangrijker was misschien nog dat de behandelde kinderen op hun derde een stuk verstaanbaarder waren dan de onbehandelde. Konst liet opnames van alle kinderen en ook opnames van kinderen zonder schisis horen aan een groep logopedisten en aan een groep ongetrainde luisteraars. Allebei de groepen vonden de kinderen die een plaatje hadden gehad een stuk verstaanbaarder spreken. De deskundigen gaven de behandelde kinderen op een schaal van 1 tot 7 maar liefst 1,34 punt meer dan de onbehandelde kinderen,.
Konst is dus positief over het gehemelteplaatje. In vergelijking met de enorme kosten van een operaties om de schisis dicht te maken, is het plaatje heel goedkoop. Dat plaatje kan er dus makkelijk bij. Bovendien wordt een deel van de kosten waarschijnlijk terugverdiend doordat er minder geld hoeft te worden uitgegeven aan logopedie. Natuurlijk moeten Konsts collegas ook de andere gevolgen van het plaatje onderzoeken. Maar alleen al voor de uitspraak en de taalontwikkeling lijkt het gehemelteplaatje zijn nut bewezen te hebben.
Emmy M. Konst, The effects of infant orthopaedics on speech and language development in children with unilateral cleft lip and palate. Onuitgegeven proefschrift, Katholieke Universiteit Nijmegen, 2002. ISBN 90 9016227 5