(Dit artikel verscheen in november 1999)
Veel mensen geloven dat er een verschil bestaat tussen mannen en vrouwen: ze praten anders. Voor mannen is elk gesprek een strijd waarin de onderlinge machtsverhoudingen bepaald en verdedigd worden, maar als vrouwen met elkaar praten, doen ze dat voor de gezelligheid en om de onderlinge harmonie te bevestigen.
Over het verschil tussen de seksen heeft iedereen een mening. Ook wetenschappers schrijven al bijna een eeuw lang over het onderwerp. Zij deden dat niet altijd even objectief. Zo beweerde de katholieke hoogleraar Van Ginneken aan het begin van de eeuw dat vrouwen anders spraken dan mannen omdat de eersten een beperkter verstand hadden. Later opperden feministische taalkundigen dat de onderdrukking van de vrouw in onze maatschappij tot uitdrukking kwam in de verschillen in taalgebruik. Maar volgens de Amsterdamse taalkundige Ingrid van Alphen zijn de wetenschappers in de meeste discussies één ding vergeten: echte gesprekken over min of meer hetzelfde onderwerp analyseren en zo uitzoeken hoe het nu werkelijk in elkaar zit. Deze maand promoveert zij aan de Universiteit van Amsterdam.
Op middelbare scholen in enkele plaatsen in Nederland liet ze groepjes jongens en groepjes meisjes van gemiddeld vijftien jaar met elkaar discussiëren terwijl er een cassetterecordertje op tafel lag.
Waarom richtte ze zich juist op die leeftijdsgroep? Van Alphen: ``Pubers sluiten zich op in groepjes seksegenoten. Ze praten bijna alleen met elkaar. En omdat ze tussen hun kindertijd en de volwassenheid in zitten, zijn ze onzeker en gedragen ze zich extreem. Pubermeisjes zijn overdreven vrouwelijk en puberjongens overdreven mannelijk. Wie de invloed van sekse op taalgebruik wil bestuderen, kan daarom het best bij pubers beginnen.''
Van Alphen liet de groepjes van drie jongens f drie meisjes met elkaar praten om een gezamenlijke wens te formuleren die zou kunnen worden uitgevoerd in het populaire televisieprogramma ``Geef nooit op''. Die gesprekken schreef ze uit. Ze noteerde nauwkeurig of en hoe de pubers op elkaars voorstellen reageerde, hoeveel grapjes er gemaakt werden, hoe vaak de kinderen elkaar interrumpeerden, enzovoort.
De resultaten waren in een aantal opzichten verrassend. Niet alleen bleken de meisjes veel avontuurlijker. Zij wilden bijna allemaal bungeejumpen, deltavliegen of parachutespringen, terwijl de jongens het meestal wat dichter bij huis zochten.
Maar vooral het verschil in de manier waarop de groepjes over hun wensen onderhandelden, viel op. Als een jongen een voorstel hoorde waar hij het niet mee eens was, maakte hij een grapje of bracht het gesprek op een ander onderwerp. Veel meisjes reageerden veel steviger op zo'n voorstel. `Gadverdamme!' riepen ze dan, of `ik vind daar geen reet aan.' Van Alphen: ``Als een meisje nee bedoelt, zegt ze dat heel duidelijk. Ook als ze een ander voorstel wél positief waardeerden, lieten meisjes dat veel duidelijker blijken dan jongens.''
Van Alphens resultaten lijken op dit punt strijdig met alles wat daarover tot nu toe geschreven is. Hoe kan dat? ``Eerdere onderzoeksters gingen vaak met een soort taalkundig schepnet de wereld in om gesprekjes in het wild te vangen. Dan krijg je gesprekjes die nauwelijks met elkaar vergeleken kunnen worden, want meisjes voeren normaal gesproken veel meer en heel andere gesprekjes dan jongens,'' zegt Van Alphen. ``Ik heb de meisjes en jongens in ieder geval over hetzelfde onderwerp laten praten.''
``Bovendien letten vorige onderzoeksters vooral op de manier waarop mannen en vrouwen hun reactie lieten aansluiten. En inderdaad gaan meisjes en vrouwen veel meer op elkaars woorden in dan jongens en mannen. Maar ik onderzocht onder andere hoe positief of negatief de gesprekspartners op elkaar reageerden.''
Van Alphen vond ook dingen die ze wèl had verwacht. Zo maakten de jongens vaker grapjes dan de meisjes, vooral ten koste van elkaar. En als de meisjes een negatieve boodschap hadden voor iemand buiten hun eigen groepje, deden ze wel degelijk hun best de boodschap wat te verzachten. Van Alphen: ``Na afloop van het gesprek gaf ik de pubers een vragenlijst waarin ik ze onder andere vroeg of ze het een prettig gesprek hadden gevonden. Jongens schreven dan rustig botweg `nee' op, of `nee, zeker niet'.Meisjes kleedden hun antwoord wat meer in. Een van hen schreef: `We kwamen er echt niet uit. We zijn er wel uitgekomen maar we hadden een andere mening alle 3.'' Dat dit meisje het gesprek minder prettig vond omdat er geen overeenstemming werd bereikt, is waarschijnlijk ook kenmerkend. Jongens gebruikten zo'n argument nooit. Zij richtten zich in plaats daarvan op de gespreksopdracht die ze `onzinnig' noemden.''
Wat verklaart nu de verschillen in gedrag tussen jongens en meisjes? Waarom zijn meisjes op het eerste gezicht zo hard tegen elkaar? Van Alphen: ``Op de een of andere manier is het voor de meisjes kennelijk belangrijker hun net ontdekte eigenheid uit te drukken in het gesprek met andere meisjes. Jongens zouden op die leeftijd dan een andere manier hebben om zich te onderscheiden van anderen.''
``Er is ook een andere verklaring. Eerder onderzoek over de relatie tussen sekse en taal was altijd een uitdrukking van de tijdgeest. Wat een katholieke priester in de jaren dertig of een feministisch onderzoekster in de jaren zeventig over dit onderwerp schreven, blijkt achteraf sterk gekleurd door hoe men in hun tijd dacht over vrouwen en mannen. Het is dan ook misschien geen toeval dat mijn proefschrift verschijnt in een tijd waarin er veel wordt gepraat over stoere meiden en girl power.''