Wolfgang Kehrein and Richard Wiese (red.) Phonology and Morphology of the Germanic Languages. Tübingen: Max Niemeyer Verlag, 1998. ISBN 3-484-30386-7.

Terwijl syntactici zich doorgaans beperken tot deelstudies over de grammatica van één taal, en zich in variatiestudies vaak richten op relatief kleine verschillen zoals die tussen het Duits en het Nederlands, is bij fonologen (en, tot op zekere hoogte, morfologen) nu al een paar decennia lang de grootschaligere typologie, waarin meerdere genetisch niet of nauwelijks verwante talen met elkaar vergeleken worden, meer in tel. Theoretische kaders als de Autosegmentele Fonologie, de Metrische Fonologie en de Optimaliteitstheorie ontlenen hun succes voor een belangrijk deel aan hun kracht op typologisch gebied.

Beide schalen van typologische vergelijking hebben hun voor- en nadelen. Boeken als Phonology and Morphology of the Germanic Languages, waarin de voordelen van moderne theoretische ontwikkelingen in de fonologie en de morfologie nu eens worden getoetst aan de Germaanse talen, in plaats van aan ‘exotischer’ talen, zijn dan ook zeer welkom.

Het boek bestaat uit 12 opstellen: 4 over fonologie, 3 over morfologie en 5 over ‘prosodische morfologie’, het populaire onderzoeksterrein waarop morfologische verschijnselen die gebruik maken van fonologische middelen bestudeerd worden. Er zijn zowel bijdragen van gevestigde grootheden in het vak als van aanstormend talent in te vinden. Mij heeft bij het lezen vooral de vraag beziggehouden in hoeverre relatief recente theoretische ontwikkelingen aantoonbaar meer inzicht geven in – vaak al langer bekende – verschijnselen. Dit is overigens ook een vraag die vrijwel alle auteurs min of meer expliciet stellen.

Het deel over fonologie opent met een artikel over klinkerlengte in het IJslands van Kristján Árnason. In de meeste literatuur wordt aangenomen dat we in deze taal ófwel contrastieve klinkerlengte, ófwel contrastieve medeklinkerlengte hebben en dat de lengte van medeklinkers respectievelijk van klinkers aan de oppervlakte redundant is en aan de oppervlakte kan worden afgeleid. Op basis van een zorgvuldige beschouwing van argumenten, laat Árnason zien dat lengte zowél voor klinkers áls voor medeklinkers onderliggend contrastief moet zijn in het IJslands. Jammer genoeg gaat hij niet erg diep in op de theoretische kant van de zaak: hoe moeten we een en ander nu precies representeren? Wat betekent een en ander voor de theorie over onderliggende representaties (die sinds de komst van de optimaliteitstheorie opnieuw in de belangstelling staat) en de organisatie van de grammatica?

Het tweede en het derde artikel in de bundel, van respectievelijk Janet Grijzenhout en Albert Ortmann behandelen de speciale rol van coronalen. Grijzenhout beweert dat het kenmerk [coronaal] fonologisch actief is in het Duits en het Nederlands (dit in tegenstelling tot het kenmerk [velair], dat volgens haar inactief en zelfs afwezig is). Ze staaft deze bewering met argumenten uit de fonotaxis (lettergreepstructuur), sjwa-insertie en plaatsassimilatie. Het artikel van Ortmann behandelt medeklinkerepenthese in het Brits Engels, het Nederlands en het Alemannisch alsmede in de weinig Germaanse taal Axininca Campa. Vooral de analyse van het Alemannisch is indrukwekkend en vol feiten die in ieder geval deze recensent onbekend waren. Het kan in een aantal opzichten gelezen worden als een commentaar op het artikel van Grijzenhout – hoewel het niet expliciet zo geschreven is: een van de kernpunten van het artikel is dat epenthetische consonanten (afgezien van de glottale plosief en de glijklanken) altijd coronaal zijn. De conclusie die Ortmann hieruit trekt is dat de coronale plaats ongespecificeerd is. Het is duidelijk dat Grijzenhout en Ortmann niet allebei tegelijkertijd gelijk kunnen hebben; toch geven ze allebei overtuigende argumenten voor hun positie. Het is jammer dat beide auteurs geen uitgebreide aandacht hebben geschonken aan elkaars argumentatie, of aan de voor- en nadelen van de optimaliteitstheorie, waarbinnen het misschien mogelijk was geweest sommige van de paradoxen op te lossen – bijvoorbeeld omdat het makkelijker is om in die theorie te praten over ‘minimale specificatie’ in plaats van over ‘onderspecificatie’, en in het algemeen om te ontsnappen aan de noodzaak om te spreken over absolute waarheden.

Diezelfde optimaliteitstheorie speelt wel een rol in het voorbeeldige artikel van Tomas Riad over de manieren waarop lexicale toon, klemtoon, prosodie en intonatie met elkaar interacteren. Riad laat zien dat verschillende dialecten van het Scandinavische vasteland – zoals die van Malmö, Stockholm, Oslo, Narvik en Bergen – op een eenduidige manier beschreven kunnen worden door gebruik te maken van een relatief kleine verzameling constraints. Het zou aardig zijn om te zien hoe bijvoorbeeld Limburgse dialecten in dit kader zouden worden ingepast, en Riad verwijst in dit verband naar Gussenhovens recente beschrijving van het Roermonds.

De optimaliteitstheorie speelt ook een prominente rol in vier van de vijf artikels over prosodische morfologie. Birgit Alber laat zien hoe de aanname van onderliggende voetstructuur en respectcondities (‘faithfulness constraints’) op dergelijke structuur tezamen een nieuw en verbeterd inzicht kunnen geven in het klemtoongedrag van leenwoorden in het Duits, met name de woorden met het suffix -ität. Haar analyse kan waarschijnlijk zonder veel problemen op het Nederlands worden toegepast (zie bijvoorbeeld Kager to appear, Van Oostendorp 1997, Gussenhoven 1999 voor verwante analyses). Het valt in dit verband overigens op hoe weinig interactie er is tussen de literatuur over het Duitse en over het Nederlandse klemtoonsysteem, hoewel de twee systemen op het gezicht vrijwel identiek zijn (overigens verwijst Alber wel naar het genoemde artikel van Kager).

Nog meer valt dit gebrek aan kennis (in dit geval van auteurs in het Duitse taalgebied over de literatuur over het Nederlands) op in het artikel van Golston en Wiese. Hierin wordt vastgesteld dat er een aantal eisen gelden op (native) Duitse wortels, en dat deze in een speciale versie van optimaliteitstheorie (‘directe optimaliteitstheorie’) kunnen worden geformaliseerd. Het betreft hier observaties zoals dat elke wortel hooguit een volle klinker heeft, soms gevolgd door een lettergreep met een sjwa of een syllabische sonorant. Dit soort observaties is voor het Nederlands ook gedaan, bijvoorbeeld door Zonneveld (1993) en Van Heuven (1994), maar dit lijkt helaas aan de aandacht van Golston en Wiese te zijn ontsnapt.

In het artikel van Geert Booij wordt aangetoond hoe een aantal allomorfieverschijnselen in het Nederlands beter begrepen kunnen worden in een optimaliteitsvisie, namelijk als ‘phonological output constraints in morphology’: de welbekende (en ook door Booij herhaaldelijk bestudeerde) alternanties tussen onder andere -erd/-aard, -er/-der, -er/-aar, -e,-Æ en -s/-en. In alle gevallen wordt de keuze tussen de twee allomorfen duidelijk bepaald door eisen aan de fonologische oppervlaktestructuur. In eerdere kaders was dit moeilijk te beschrijven, omdat zoiets lexicaals als allomorfkeuze nauwelijks direct betrokken kon worden op het resultaat van deze keuze. Booij laat zien hoe dit in de optimaliteitstheorie wel kan.

Ook het artikel van Van der Hulst en Kooij behandelt Nederlandse allomorfieselectie, maar in dit geval alleen van de twee allomorfen van het nominale pluralis. Dit artikel is het enige in de afdeling prosodische morfologie dat niet expliciet gebruik maakt van de middelen van de optimaliteitstheorie, hoewel het er ook niet mee in tegenspraak is. Van der Hulst en Kooij gaan natuurlijk dieper op de kwestie in dan Booij het in zijn korte bestek deed; zij onderscheiden dan ook meer factoren dan Booij kon. De belangrijkste conclusie is dat er verschillende (prosodische) eisen gelden voor [+native] en voor [-native] woorden. Hoe deze conclusie zich verhoudt tot die van Golston en Wiese (en tot daaraan verwant werk over het Nederlands): kunnen de eisen van Van der Hulst en Kooij niet kunnen worden herleid tot verschillen in structuur tussen [+native] en [-native] wortels?

Ook Plag gaat in op enkele vormen van Nederlandse allomorfie die Booij aanstipt. Het betreft hier de alternanties tussen -er/-der en -aar in een bespreking van ‘morfologische haplologie’ in termen van de optimaliteitstheorie. Verder gaat Plag in op haplologie in vrouwelijke persoonsnamen in het Duits (/Zauber/+/er/+/in/ ® Zauberin, *Zaubererin) en Engelse afgeleide vormen met -ize (feminize, *femininize). Plag komt in grote lijnen tot een soortgelijke conclusie als Booij en Van der Hulst en Kooij: dat de keuze tussen allmorfen bepaald wordt door fonologische oppervlakte-eisen. Plag toont zich goed op de hoogte van het werk van de andere auteurs, ook als zij over het Nederlands schrijven.

Alles bij elkaar laat deze bundel weer eens zien hoe invloedrijk de optimaliteitstheorie is. Heeft deze invloed nu ook iets opgeleverd? Ik vind dat de artikelen uit de afdeling prosodische morfologie laten zien dat met name op dit terrein veel te winnen is bij een beschrijving of herschrijving in termen van condities op de fonologische oppervlakte. In het fonologiegedeelte valt verder te leren dat de optimaliteitstheorie ook kan bijdragen aan het onderzoek op het gebied van de microtypologie, dat de discussie over de representatie van medeklinkerplaatskenmerken, met name het kenmerk nasaal, vooralsnog niet is uitgewoed.

Verder laat het boek zien dat er nauwelijks sprake is van een echte discussie tussen de specialisten op het gebied van de Germaanse fonologie. Het vakgebied is alleen al opgedeeld in compartimenten waarin een specialist over het Nederlands weinig kennis neemt van de literatuur over het Duits en omgekeerd. Dat is betreurenswaardig: in de uiteindelijke fonologische theorie zullen de twee talen toch in vergelijkbare termen beschreven moeten worden en verder valt uit een goede analyse voor de ene taal veel over de andere taal te leren. Bundels zoals deze helpen hopelijk de barrières te slechten.

Marc van Oostendorp

Bibliografie

Gussenhoven, C. 1999. Vowel Duration, Syllable Quantity, and Stress in Dutch. Manuscript, beschikbaar op het Rutgers Optimality Archive (381-021004).

Heuven, V. van. 1994. Bastaards en andere vreemde woorden. In A. Neijt, I. Roggema en J. Zuidema (red.) De spellingcommissie aan het woord. Den Haag: Sdu, 47-58.

Kager, R. To appear. Stem Stress and Peak Correspondence in Dutch. In: J. Dekkers, F. van der Leeuw, and J. van de Weijer (eds.) The Pointing Finger. Conceptual Studies in Optimality Theory. Oxford: Oxford University Press.

Oostendorp, M. van. 1997. Lexicale variatie in optimaliteitstheorie. Nederlandse Taalkunde 2:133-154.

Prince, A. en P. Smolensky. 1993. Optimality Theory. Constraint Interaction and Satisfaction in Generative Grammar. Manuscript, Rutgers and University of Colorado, Bouder.

Zonneveld, W. 1993. Schwa, Superheavies, Stress and Syllables in Dutch. The Linguistic Review 10:59-110.