1.3.10

Sarah Bakewell. How to Live. A Life of Montaigne in One Question and Twenty Attempts at an Answer. London: Chatto & Windus, 2010.

Sarah Bakewell. How to Live. A Life of Montaigne in One Question and Twenty Attempts at an Answer.

In een bekend citaat uit zijn Essais vertelt de Franse zestiende-eeuwse schrijver Michel de Montaigne hoe hij met zijn kat speelt, en zich dan ineens afvraagt: speel ik met haar, of speelt zij met mij? Soms heeft hij geen zin, en soms probeert hij haar over te halen om te spelen. Maar hetzelfde geldt voor haar.

Ik ben Montaignes essays aan het lezen. het eerste deel heb ik uit en nu ben ik al een tijdje met het tweede bezig. Ik had behoefte aan wat achtergrondinformatie en toen ik in een boekwinkel in Londen een nieuwe biografie van Montaigne zag staan, in de gedaante van een zelfhulpboek, kocht ik het en las het in een weekeinde.

How to Live is meer dan een zelfhulpboek of een biografie. Het beschrijft ook hoe het nageslacht met Montaigne is omgegaan; hoeveel woede hij opwekte bij Pascal en Descartes, die er allebei om uiteenlopende redenen van overtuigd waren dat de mens naar het absolute moest streven — iets waarvoor de gematigde, schipperende schrijver met het oog voor het verschil in standpunt tussen hemzelf en zijn poes absoluut niet voor geschikt was. Hoe hij bewonderd werd door Friedrich Nietzsche en Virginial Woolf. Hoe hij via een vroege vertaling invloed uitoefende op Shakespeare. En hoe nu al eeuwenlang mensen zijn Essais lezen en tot de verbijsterende conclusie komen dat ze dat boek zelf hadden kunnen schrijven.

How to Live is goed geschreven, niet opdringerig en niet kleurloos. Toch doet het je natuurlijk weer verlangen om verder te lezen bij de meester zelf, je verder onder te dompelen in de vreemde ervaring dat we hier een man hebben die onder geheel andere omstandigheden in een geheel andere tijd geboren is, en die je toch zelf had kunnen zijn. Aan het eind van haar boek keert Bakewell toch weer even terug naar de scene met de kat, omdat hij laat zien hoe Montaigne alles in perspectief zag. Ze laat schrijver en poes even spelen en eindigt dan:

The two of them can be left suspended there, suspended in the midst of their lives with the Essays not yet fully written, while we go and get on with ours — with the Essays not yet fully read.

Labels: , , ,

19.2.10

Barend ter Haar. Het Hemels Mandaat. De geschiedenis van het Chinese Keizerrijk. Amsterdam: Amsterdam University Press, 2009.

Barend ter Haar. Het Hemels Mandaat. De geschiedenis van het Chinese Keizerrijk.

Bij de vakgroep Chinees in Leiden hebben ze een traditie van inzichten van wetenschappelijk onderzoek op een gedegen manier voor een breder publiek te vertalen. Bekend waren de inspanningen van W.L. Idema, die eigenhandig een groot deel van de klassieke Chinese literatuur ontsloot. Ook de hoogleraar Chinese geschiedenis Barend ter Haar sluit zich aan bij deze traditie en schreef met Het Hemels Mandaat een wervelende geschiedenis van enkele duizenden jaren Chinees Keizerrijk.

Ter Haars stijl is een beetje droog maar ook heel duidelijk. In ruim vijfhonderd bladzijden stormt de lezer aan zijn hand door allerlei aspecten van de geschiedenis: de opeenvolging van dynastie�n, de veldtochten, de steeds wisselende positie van de vrouw, de letterkunde, de beeldende kunst en nog veel meer..

Een van de verrassendste aspecten van Hemels Mandaat is de aandacht voor de eeuwigdurende mondialisering. Als leek ben je geneigd te veronderstellen dat intensieve international handels- en andere contacten iets van de laatste jaren zijn, en dat je de geschiedenis van een groot rijk als China best zelfstandig kunt beschouwen. Ter Haar laat zien dat dit onzin is, dat er eigenlijk altijd contacten bestaan hebben, al zijn die wel intensiever geworden.

Zo was er omstreeks de tiende eeuw al een joodse gemeenschap in Kaifeng die geld verdienden door de verkoop van 'harige kleden' aan het hof - dat waren waarschijnlijk Perzische tapijten. Tot ver in de achttiende eeuw wist deze gemeenschap vervolgens haar identiteit te bewaren en bijvoorbeeld een synagoge in stand te houden waar als concessie aan de omringende cultuur alleen twee leeuwen in Chinese stijl bij de poort werden gezet. Als de Italiaanse jezu�et Matteo Ricci in 1605 Beijing bezoekt, zoekt een van de joden hem op, omdat hij gehoord heeft dat er een geloofsgenoot in de stad is. En zo zijn er ook altijd her en der contacten geweest met christenen, met moslims en met aanhangers van allerlei andere geloven. Zoals ook al heel vroeg handel werd gedreven met Perzen, Turken, Arabieren en andere barbaren. Zelfs van de Indo-Europeanen zijn woorden geleend toen deze nog door de steppen trokken. Een ander interessant voorbeeld is dat gewassen uit het pas ontdekte Amerika al heel snel werden overgenomen, zodat de pinda bijvoorbeeld inmiddels een belangrijk onderdeel vormt van de traditionele Chinese keuken.

Een andere interessante kwestie die geregeld aan de orde komt, is de rol van geleerden en geleerdheid. Tijdens een belangrijk deel van de geschiedenis gold dat wie vooruit wilde komen in de Chinese wereld een ambtenarenexamen moest afleggen, waarbij onder andere de actieve beheersing van de oude schrijftaal getoetst werd.

Tegelijkertijd werden intellectuelen soms ook als een potentieel gevaar gezien, en bedacht men grootschalige projecten om hun aandacht af te leiden. De Qing-keizer Kangxi begit bijvoorbeeld een groot Karakterwoordenboek van Kangxi en zijn opvolger Qianlong de grote boekenverzameling Complete Boeken van de Vier Schatkamers der Literatuur. Bij de uitvoering van dat project leek overigens ook te horen dat auteurs van onwelgevallige werken werden vervolgd.

De elitaire opleiding voor ambtenaren had in sommige opzichten een gunstig effect voor de hele samenleving. Mensen die niet slaagden voor hun examens, kwamen daarna soms toch in beroepen terecht waarvoor een zekere mate van geletterdheid noodzakelijk was, zoals dat van koopman, herenboer, arts, leraar of schrijver.

Een iets langere versie staat hier.

Labels: , , ,

6.2.10

Steven D. Levitt en Stephen J. Dubner. Superfreakonomics. London: HarperCollins, 2009.

Steven D. Levitt en Stephen J. Dubner. Superfreakonomics

Freakonomics van de econoom Steven Levitt en de schrijver Stephen Dubner was een aanstekelijk boek. Een journalist schreef over de originele onderzoeken van een briljante jonge econoom die van alles en nog wat aanpakt dat op het eerste gezich weinig met economie te maken lijkt te hebben, maar dat toch kan worden opgehelderd door de geavanceerde statistische technieken te gebruiken waar economen aan gewend zijn geraakt.

Superfreakonomics is het vervolg, en het ongewild zien hoe de pretenties van die jonge econoom niet waargemaakt zijn. Er wordt weer van alles aangepakt in dit boek: onderzoek van een socioloog naar hoeren in Chicago, negentiende-eeuws onderzoek waaruit bleek dat veel ziekenhuisdoden konden worden voorkomen als dokters hun handen wassen, en klimatologische onderzoek naar het broeikaseffect. Maar veel eigen onderzoek van Levitt zit er niet bij, en bovendien is veel van het w�l beschreven onderzoek helemaal niet gedaan door economen.

Tamelijk verbazingwekkend is dat de schrijvers weigeren iets over de kredietcrisis te zeggen: dat is het gebied van de macroeconomen, en zij zijn slechts microeconomen. Dat lijkt mij, als leek, onzin. In de eerste plaats, als je wel met oplossingen voor de klimaatverandering durft te komen is het een beetje nuffig om over de macro-economie te zeggen dat dat je vak nu eenmaal niet is. Wie zich als econoom slim genoeg vindt om te begrijpen hoe de klimaatcrisis moet worden opgelost moet ook iets over de kredietcrisis durven zeggen. En in de tweede plaats vind ik het een beetje laf om naar collega's van de overkant te wijzen: die crisis was toch niet (alleen) een gevolg van verkeerd macro-economisch beleid maar ook van het verkeerd uitpakken van allerlei 'incentives', waar Levitt als micro-econoom zo dol op is?

En zelfs in de wel economische hoofdstukken begon me op te vallen hoe groot de crisis van de economische wetenschap moet zijn. Het is reuzeleuk om slim te zijn en datamining te doen en slimme statistiek toe te passen, maar het is nooit eens gebaseerd op een grotere theorie of een overkoepelend model. Een van Levitts helden, de Nobelprijswinnaar Gary Becker heeft �de economische benadering� gedefinieerd als �a method of analysis, not an assumption about particular motivations.� Het probleem daarbij is dat, in ieder geval in mijn visie op wetenschappelijke vooruitgang, eerdere resultaten soms wel degelijk zouden moeten leiden tot 'aannames' over 'bepaalde motivaties': je verwacht immers dat deze in lijn zijn met wat je eerder vindt. Zo bouw je langzaam maar zeker een theorie op die al je eerdere bevindingen samenvat.

Iedere keer opnieuw stap je opnieuw de zee van data in, zonder ooit rekening te houden met wat we eerder wisten. Niets kan weerlegd worden, want alles is op gegevens gebaseerd en stijgt uiteindelijk ook nauwelijks boven die gegevens uit. Waar Freakonomics een vrolijk boek was, stemt Superfreakonomics vooral treurig.

Labels: , , ,

18.1.10

Frans Kafka. Brief an den Vater. DigBib.org, ? (1952).

Frans Kafka. Brief an den Vater. Volgens de Duitse Wikipedia-pagina over dit boek, is Kafkas Brief an den Vater 'ein bevorzugter Text für psychoanalytische und biographische Studien über Kafka'. Dat nu lijkt me onzin. Althans, ik geloof wel dat het er mensen zijn die uit deze tekst allerlei raadselen over Kafkas romans en verhalen willen ophelderen, maar die mensen hebben het dan volgens mij bij het verkeerde eind.

Op het eerste gezicht denk je: wat een huilebalk. Want zo stelt de jonge Kafka zich wel een beetje voor: de man van 36 die zich nog steeds niet aan het spookbeeld van zijn vader heeft ontworsteld, die geobsedeerd is door die vader, die een brief schrijft die hij die vader niet eens durft te laten zien, waarin hij zich ook nog eens de mantel laat uitvegen door die eigen vader, want hij zit maar te denken wat die vader eigenlijk zal zeggen, en vinden, en hoe waar dat is, maar ook hoe hard. Een zoon die zijn eigen spookvader maakt en daar dan bang voor is.

Maar dan besef je ineens dat dit wel degelijk iets te maken heeft met die romans en die verhalen. Ook over Het Proces vond ik, toen ik het een aantal jaar geleden las: ' als Jozef K. niet zou meedoen, zou niemand hem een strobreed in de weg leggen (...) Het is Jozefs eigen schuldgevoel dat hem uiteindelijk in het mes van de 'rechtbank' laat lopen.'

Toch lijkt het me onzin om Het Proces te verklaren uit deze Brief. Dat suggereert teveel dat de laatste waarder is dan de eerster, op de een of andere manier meer zegt over de echte Kafka dan de eerste. Terwijl deze brief ook eigenlijk vooral verzonnen is: die vader, die is bijna net zo'n bedacht personage als de rechters in Het Proces
— Kafka voert hem immers zelfs sprekend op, met woorden die hij nooit gezegd kan hebben, omdat ze immers een reactie zijn op een brief die de echte vader nooit ontving. Dit is een ontroerend ego-document, jazeker, maar toch vooral omdat Kafka iemand was die kennelijk altijd en overal zijn eigen rechtbank ontwierp die hem dan vervolgens ter dood veroordeelde. Wat een man.

Labels: , , , ,

1.1.10

A.L. S�temann. De structuur van Max Havelaar. Bijdrage tot het onderzoek naar de interpretatie en evaluatie van de roman. Leiden: DBNL, 2008 (1966)

Multatuli. Max Havelaar De studie van de Nederlandse literatuur staat jammer genoeg niet op een heel hoog plan. In de Digitale Bibliotheek van de Nederlandse Letteren is het boek van A.L. Sötemann over de Max Havelaar opgenomen als een van de duizend 'basisteksten' die je als geletterde Nederlander gelezen moet hebben, net als de roman zelf. Het boek heeft me weinig plezier verschaft.

Ik wil niet flauw doen, maar Sötemanns boek is vooral zo structuurloos. Hij neemt een aantal op het eerste gezicht tamelijk willekeurige structuuraspecten van Max Havelaar en onderzoekt die door vooral heel veel voorbeelden te geven, die dan echter bijvoorbeeld weer niet worden gekarakteriseerd. Welke conclusies men vervolgens uit deze manier van handelen moet trekken, behalve dat inderdaad kundig is aangetoond dat het boek heel knap in elkaar zit, kom je eigenlijk niet te weten. Hoewel Sötemann zijn betoog net als Multatuli af en toe rijkelijk lardeert met buitenlandse citaten, in zijn geval komend uit andere literatuurwetenschappelijke literatuur, wordt mij in ieder geval niet heel erg duidelijk in hoeverre de literatuurwetenschap in zijn geheel nu opschiet met zo'n individuele analyse van een meesterwerk. Een kader ontbreekt en daarmee krijgt de hele analyse iets willekeurigs.

Uiteindelijk heb ik het boek vooral uitgelezen om nog iets langer te kunnen nadenken over Max Havelaar, dat ik vorige week las. Sötemann beschrijft vooral wat voor effect het boek op de lezer in 1860 moet hebben gehad, en hoewel ik daar wel wat van heb geleerd (dat makelaars in koffie in die tijd algemeen al als minderwaardig werden beschouwd bijvoorbeeld) is dat niet de vraag die mij het meest interesseert. Ik vind het leuker om na te denken waarom het boek nu nog steeds zo mooi is. Dat dit komt door de centrale boodschap (dat het nodig is om rechtvaardig te leven, dat Max Havelaar zo'n prachtkerel was), geloof ik niet. Het moet iets zijn in de veelgeprezen stijl, maar wat is dat? Ik kan de vinger er ook niet op leggen, maar in ieder geval zie je dat wat mij betreft een van de centrale thema's van het boek is (de vraag hoe je toch een verhaal moet vertellen), zelfs op het niveau van de individuele zin terug komen. De grapjes die gemaakt worden met Droogstoppel die af emn toe vermeldt dat zijn zoon Frits andere woorden gebruikt dan hij, en die zich verduidelijkt middels de frase 'meen ik':

Er wordt daar gesproken van een kind dat aan de borst van de moeder ligt - dit kan er d��r - maar: "dat ter-nauwer-nood aan den moederlyken schoot onttogen is" zie, dit vond ik niet goed--om daarover te spreken, meen ik - en myn vrouw ook niet.

Maar bij dat alles blijf je toch betrekkelijk machteloos staan tegenover het wonder dat zich voltrekt, het eigenaardige feit dat zelfs de uit hun band gerukte citaten uit de Max Havelaar in Sötemanns boek de dag opfleuren.

Labels: , , ,

23.12.09

Otto Boele. Erotic Nihilism in Late Imperial Russia. The Case of Mikhail Artsybasjev's Sanin. London: The University of Wisconsin Press, 2009.

Otto Boele. Erotic Nihilism in Late Imperial Russia
De roman Sanin van de Russische romanschrijver Michail Petrovitsj Artsybasjev (1878-1927) valt gratis van het internet te downloaden in een Engelse vertaling door de Engelse dichter Percy E. Pinkerton. De held van Artsybajevs verhaal, Vladimir Sanin, is een gedesillusioneerd man, iemand die waarschijnlijk in de revolutie van 1905 zijn idealen verloren heeft en zich nu overgeeft aan lichamelijke genoegens en cynische gedachten.

Ik heb het boek gedownloaded omdat ik het onlangs verschenen boek van Otto Boele las dat helemaal over die roman gaat, Erotic Nihilism in Late Imperial Russia. The Case of Mikhail Artsybasjev's Sanin. Boele is UD Russische Letterkunde aan deze faculteit en schreef een studie over de manier waarop Sanin in de tijd waarin het verscheen ontvangen werd.

Het boek zorgde namelijk voor nogal wat ophef. Studenten en scholieren waren in deze roerige tijden op zoek naar een nieuwe identiteit en hun opvoeders waren bang dat de jeugd Sanin tot voorbeeld zouden kiezen. In sommige steden gingen geruchten over 'liga's voor de vrije liefde', sekte-achtige gemeenschappen van jongens en meisjes die bij het licht van een enkel kaarsstompje vergaderden om Sanin te lezen en zich over te geven aan ongeremde groepsseks.

Boeles boek is mooi omdat hij Sanin gebruikt als een prisma om de Russische samenleving aan het begin van de twintigste eeuw te beschouwen. Aan de hand van deze inmiddels bijna vergeten roman blijkt Boele van alles te kunnen zeggen over de ontwikkeling van de Russische letterkunde, de relatie tussen hogere en lagere cultuur, de plaats van de censuur tussen de twee Russische revoluties, de manier waarop gewone lezers in de provincie aan hun boeken kwamen, de manier waarop over studenten werd gedacht, en nog veel meer.

Boele laat bijvoorbeeld zien hoe Sanin kon worden beschouwd als een 'held van onze tijd', een personage dat iets essentieels uitdrukte over het contemporaine intellectuele klimaat, doordat het boek ge�nterpreteerd werd als voorlopig eindpunt van een reeks fictiewerken waarin een exemplarische jongeling werd voorgesteld. Die reeks was begonnen met Jevgeni Onegin van Poesjkin en had bijvoorbeeld ook al geleid tot de cynische Bazarov in Toergenjevs Vaders en zonen.

Vervolgens resoneerden boek en maatschappij. Vladimir Sanin werd gezien als exemplarisch voor de hedendaagse jongere en vervolgens begonnen jongeren iets van zichzelf in hem te ontdekken dat ze eerder misschien niet zo zouden hebben benoemd en dat bovendien ook niet per se expliciet in de roman aanwezig was. Boele toont aan dat er weinig bewijs is voor de stelling dat jongeren zich massaal met Sanin identificeerden: de brieven, verslagen en opiniepeilingen uit die tijd lieten vooral zien dat mensen zich tegen het 'saninisme' afzetten. De geruchten over liga's voor de vrije liefde bleken uiteindelijk onbevestigd, nooit werd een kelder met ontuchtige jeugd opgerold. Tijdens het debat rondom Arbatsybasjefs boek stond er nooit iemand op die zei: inderdaad, ik ben precies zoals Sanin, kom maar op met je kritiek. Saninisten waren altijd de anderen.

Het interessantste hoofdstuk van Erotic Nihilism is het laatste, waarin Boele een originele eigen interpretatie geeft van Sanin. Volgens hem was de roman een bijdrage aan de discussie over armoe onder studenten die er op dat moment in Rusland werd gehouden. Er waren in de loop van de tijd veel meer studenten gekomen - zoveel dat er niet voldoende traditionele studentenbaantjes waren zoals het geven van bijlessen aan scholieren. Ander, minder intellectueel, werk werd door grote groepen als minderwaardig beschouwd: liever honger lijden dan een bijbaantje in de horeca. Artsybasjef zette zich af tegen die gedachtegang. In navolging van de schrijver Nikolai Breshko-Breshkovskii interesseerde hij zich voor de 'student-worstelaar', die geld verdiende als parttime-beroepssporter. Er staat in het boek een indrukwekkende foto van zo'n student-worstelaar. Sportbeoefening kwam honderd jaar geleden over bijna de hele wereld ineens sterk in de belangstelling te staan - tot schrik van sommige intellectuelen die er vooral een teken van de oppervlakkigheid van de moderne tijd in zagen. Sanin wordt beschreven als een krachtige fysieke verschijning, een mens sana in corpore sano, die bovendien niet te beroerd is om te werken voor zijn boterham.

Uiteindelijk lukte het me niet om Sanin uit te lezen. Tegenover de heftigheid van het wereldbeeld van zijn protagonist, en diens seksuele escapades, zet de schrijver wat mij betreft een nogal vlakke stijl en weinig levendige personages. Boeles studie is interessanter en leesbaarder dan het boek waaraan het is gewijd.

Een (nog) langere versie van dit stukje staat op de website van de Faculteit Geesteswetenschappen van de Universiteit Leiden.

Labels: , ,

19.12.09

Anne Frank. Het Achterhuis. Amsterdam: Contact, 1947.

Dagboek van Anne Frank

Anne Frank is waarschijnlijk wereldwijd de beroemdste Nederlandse schrijfster van de twintigste eeuw en wie weet is dat ook wel terecht. Want zelfs als je afziet van het vreselijke lot dat haar trof, en het schrille contrast dat dit lot vormt met de hoop die ze blijkens haar dagboek tot het eind bleef koesteren, zelfs dan is haar dagboek verpletterend mooi, omdat een meisje je zo nabijkomt door alles over zichzelf te weten en dat in heldere en sprankelende zinnen op te schrijven. Ze zeurt nooit, ze is nooit overdreven vaag of onduidelijk, ze kan heel goed kijken en ze weet hoe ze moet beschrijven wat ze ziet. Meestal lezen Nederlanders het dagboek terwijl ze zelf kind zijn; maar een normaal kind kan niet zien hoe bijzonder Anne was.

Je kunt dat lot natuurlijk niet vergeten. Het onbegrijpelijke van het antisemitisme van de nazis, die drang om een groep mensen dood te drukken, wordt voelbaar in dit meisje dat zo duidelijk niemand kwaad deed. De honger, de eenzaamheid, het gepieker over de haat, zelfs dat ze die dingen in de onderduik moest meemaken snijdt al diep door je ziel, evenals het verwijt dat ze zichzelf af en toe maakt omdat ze het zoveel beter had dan anderen.

Die twee dingen versterken elkaar onwillekeurig. Natuurlijk heeft iemand met een groot talent niet meer recht op leven dan een ander. Maar de gedachte dat al dat streven naar zelfverbetering, al dat studeren, al dat enorme talent, alles wat ze had kunnen betekenen voor de samenleving, uiteindelijk zomaar vertrapt werd, werpt uiteindelijk een grote schaduw over het geheel. "Dat is voor mij het ontroerende van dit dagboek," schrijft Annie Romein-Verschoor in haar inleiding. "Zoals die kleine dappere geranium daar heeft staan bloeien en bloeien achter de geblindeerde ramen van het achterhuis."

Het Achterhuis is als pdf te downloaden van de website van de dbnl.

Labels: , , , ,

17.12.09

Gerrit Komrij. Papieren tijgers. Amsterdam: De Arbeiderspers, 1978.

Gerrit Komrij

Van Gerrit Komrij heb ik bijna alle boeken, of in ieder geval de boeken die verschenen zijn tot ergens begin jaren negentig. Hij was de eerste Nederlandse levende dichter met wie ik een beetje dweepte, als scholier heb ik ooit de premiere van een toneelstuk van hem bijgewoond. Ik leerde gedichten van hem uit mijn hoofd en probeerde te schrijven zoals hij. Op een zeker moment kwam daar verandering in. Niet omdat er iets gebeurde, maar omdat ik mijn belangstelling verloor, zonder dat ik zelfs kan zeggen waarom. Ik heb nog steeds als zijn oude boeken, maar zijn nieuwe boeken heb ik niet meer.

Tussen die oude boeken ontbreekt Papieren tijgers. Ik heb het ooit gehad, maar het is verdwenen, mogelijk heb ik het ooit uitgeleend of ergens laten liggen. Nu heb ik het dan herlezen en wel om te vieren dat ik een nieuw stuk speelgoed heb: een e-book reader. Van de website van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren heb ik het gedownload, in de vorm van drie pdf's (1, 2, 3). En toen heb ik voor het eerst een heel boek dat niets met mijn werk te maken had vanaf een schermpje gelezen! Wat een prachtige uitvinding, zo'n e-book reader. Het leest echt bijna net zo prettig als een papieren boek.

En dan maakte ik ook nog tussen neus en lippen door hernieuwd kennis met een boek dat ik misschien al vijftien jaar niet meer had aangeraakt, terwijl ik het daarvoor enkele malen gelezen moet hebben. Ik kon me sommige stukken nog herinneren - de hilarische humor, en vooral de woedende aanklacht tegen Scientology, die Komrij in latere stukken zou voortzetten -, maar andere niet meer. Dat komt onder andere doordat mijn smaak duidelijk veranderd is. Grote stukken van Papieren tijgers vond ik nu flauw: waarom is het nodig om bijvoorbeeld boulevardblaadjes aan te vallen? Of om F.B. Hotz op te hemelen? Van de afgekraakte debutanten kan ik er nu nog slechts een terugvinden op Google: Roeland Kerbosch, tegenwoordig eigenaar van een BV in de filmindustrie. De stukken zijn allemaal brilant geschreven en daardoor heel amusant, maar ook te ironisch om de lezer echt te raken ('Eer zal ik kakken in mijn hoed / dan dat ik u mijn ziel blootleg / en zeg wat ik nu lijden moet', dat was toch wel Komrijs lijfspreuk).

Maar dan eindigt het boek ineens prachtig, met essays die indertijd helemaal niet hebben mogen beklijven: een aantal artikelen over de negentiende-eeuw en dan vooral het allerlaatste artikel over enkele totaal en terecht vergeten dichters uit de arbeidersklasse, die zich vooral voegden naar de status quo en daardoor door de dominee, de dokter en de notaris in het hart werden gesloten. Weg is hier ineens de ironie, hier rijst Komrij ineens met al zijn belezenheid, zijn verontwaardiging en zijn goede smaak op van het grijze schermpje van de e-book reader.

(Zie Achille van den Branden en Boeklog voor heel andere manieren om dit boek te lezen.)

Labels: , , , ,

13.12.09

Erin Arvedlund. Madoff. The man who stole $ 65 billion. London: Penguin Books, 2009.

Erin Arvedlund. Madoff. The man who stole $ 65 billion. Het was een paar dagen precies een jaar geleden dat ik de naam Bernard Madoff hoorde. Nog weer een dag eerder had hij zijn zoons verteld dat zijn grote succesvolle bedrijf feitelijk gebaseerd was op bedrog; zijn zoons hebben hem daarop aangegeven bij de politie, en dit jaar werd hij veroordeeld tot 150 jaar gevangenschap.

Wat drijft iemand er toe om miljarden dollars te stelen? Hoe kan iemand die er op de foto's zo vriendelijk en beschaafd uitziet, die zich volgens kennissen ook altijd vriendelijk en beschaafd gedroeg, hoe kan zo iemand zo'n nietsontziende geldwolf zijn geweest? En was hij eigenlijk wel een geldwolf? Was het hem echt om het geld te doen of alleen om de eer en de aanzien? Of was hij gaandeweg verstrikt geraakt in een net waarin hij het ene illegale gat met een nog net iets groter illegaal gat probeerde te stoppen?

Op een heleboel van die vragen geeft dit boek van Arvedlund geen antwoord. Daarvoor zou waarschijnlijk een diepgravender onderzoek nodig zijn, mogelijk een zeer uitgebreid interview met Madoff zelf — al weet je bij zo'n verstokte en gewiekste leugenaar dan waarschijnlijk nog steeds niet wat er uit zal komen. Arvedlund heeft vooral veel verstand van financi�n — ze publiceerde in 2001 al een artikel in het gezaghebbende Amerikaanse tijdschrift Barron's waarin ze aantoonde dat er iets niet deugde aan Madoff's handelswijze, maar net als enkele andere klokkenluiders werd ze toen niet geloofd. Het artikel is dan ook het inzichtelijkst als het gaat over de gebrekkige werking van het Amerikaanse systeem, vooral dat van de controle-organen. Madoff had die in zijn zak, door zijn beminnelijkheid, zijn talent (behalve een illegaal had hij ook een groot en succesvol legaal bedrijf, en was hij een van de eersten die via computers begon te handelen in plaats van op de beursvloer), een aura van exclusiviteit en een uitgebreid netwerk van persoonlijke relaties. Interessant is bijvoorbeeld hoe lastig het was om direcht bij Madoff te beleggen. Iemand moest daarvoor een goed woordje voor je doen bij de grote man zelf, en op daarna kwam het bij de meeste mensen niet meer op om dan ook navraag te gaan doen.

Er zijn nog veel open vragen, die ook Arvedlund niet stelt. Waar is bijvoorbeeld al dat geld gebleven? Je kunt je toch niet voorstellen dat iemand miljarden consumeert - een groot deel moet toch in roerend en onroerend goed zijn gaan zitten, waarvan je je zou kunnen voorstellen dat het verkocht kan worden. En wat was nu precies de rol van Madoffs vrouw, broer, zoons en andere familie? En waarom werden zij niet meteen ook vervolgd? Ik hoop het over een paar jaar nog eens in het definitieve werk over deze fascinerende kwestie te lezen.

Labels: , ,

11.11.09

Marcel Barnard en Gerda van de Haar (red.) De Bijbel cultureel. De Bijbel in de kunsten van de twintigste eeuw. Zoetermeer: Meinema en Kapellen: Pelckmans, 2009.

Marcel Barnard en Gerda van de Haar (red.) De Bijbel cultureel Zes kunstvormen worden er besproken in De Bijbel cultureel: beeldende kunst, film, theater, klassieke muziek, popmuziek en literatuur. Het boek is echter georganiseerd volgens 67 trefwoorden die min of meer gerangschikt zijn in de volgorde waarin ze in de bijbel voorkomen: van schepping en paradijs via Mozes, Job, de psalmen, Maria, de bergrede naar het hemelse Jeruzalem.

Bij ieder trefwoord wordt er enkele kunstwerken beschreven, waarvan een wat uitgebreider, en verder is er een essay over (minstens) een van de kunstvormen. Trefwoord 22 is bijvoorbeeld Psalm 130 en daarbij wordt gewag gemaakt van het album Otis Blue van Otis Redding, van het schilderij De Profundis van Georges Rouault, van het koorwerk Psaume 130 van Lili Boulanger, het kamerstuk Leben ohne Weihnacht van Gija Kantsjeli en het gedicht 'Naar psalm 130' ('Waar ik u aanroep is diepte') van Lloyd Haft, tot enkele jaren geleden verbonden aan deze universiteit. Het essay gaat over de talloze componisten die in de twintigste eeuw De Profundis op muziek zetten, te beginnen met Arnold Sch�nberg.

Op de een of andere manier zetten dit soort overzichtswerken altijd aan tot zeuren, zo van, ik begrijp niet waarom er zo nodig popmuziek in moet en waarom wordt Llyod Haft wel genoemd en Gerard Reve niet ('In de stilte van de nacht. Uit de diepten. Nadat hij 9 dagen aan ��n stuk gedronken had, maar je kon niets aan hem zien'), of waarom wordt van de brilante Griekse romanschrijver Nikos Kazantzakis wel Christus wordt weer gekruisigd besproken, maar De Laatste Verleiding overgeslagen, terwijl dan weer wel Scorceses verfilming wordt besproken. Dat is natuurlijk onredelijk. Het is vooral prachtig om al die verschillende kunstvormen naast elkaar te zien, en te zien hoe ze zich aan elkaar spiegelen en hoe ze met elkaar in verband hebben gestaan.

Er staan ook allerlei verrassingen in het boek. Bij Klaagliederen van Jeremia wordt bijvoorbeeld het gelijknamige toneelstuk genoemd dat Gerardjan Rijnders in 1994 bij Toneelgroep Amsterdam uitbracht. Dat heb ik indertijd gezien! Ik kan niet beweren dat ik er iedere dag aan terugdenk, maar dat stuk, waarin niet veel meer gebeurde dan dat de acteurs de lange jammerklachten uit het bijbelboek uitspraken is me wel bijgebleven. Wat fijn dat dit nu in een boek beschreven wordt. Hoe documenteren die theaterwetenschappers zich eigenlijk?

Veel verband tussen alle verschillende beschrijvingen van en beschouwingen over kunstwerken is er niet, maar dat draagt juist bij aan een gevoel van rijkdom en overdaad. Wat is die bijbel toch een onvolspelbare bron geweest van veel moois! (En ook nog van popmuziek!) Ook de inviduele bijdragen hebben soms dat karakter van een hoorn des overvloeds. Dat geldt zeker voor die van Goedegebuure, die bijvoorbeeld bij het onderwerp Olijvenhof komt met een prachtige kleine beschouwing over Nederlandse schrijvers als Multatuli, Willem Kloos en Lucebert die zich op de een of andere manier met de lijdende Christus vereenzelvigden. Goedegebuures essay over Jona is helemaal een tour de force. Hij begint met de beroemde preek over dat bijbelboek in het boek Moby Dick en komt vandaaruit bij Maarten Biesheuvel die ooit een verhaal heeft geschreven dat een reactie is op dat boek (Moby God).

Bij dat alles kun je je wel afvragen wat al die beelden, films, composities en boeken nu precies met elkaar te maken hebben, en in hoeverre de bijbel nu werkelijk een unieke inspiratiebron is geweest. Een van de muziekessays gaat zelfs over de vraag hoe het komt dat de Bijbel nauwelijks een inspiratiebron is geweest voor modernistische auteurs � alsof dat op zich iets bijzonders is. Daar klinkt dan even een soortgelijk onbegrip voor de moderne mens die eenvoudigweg niet bezig is met de christelijke traditie als in Science and Religion in Context.

Goedegebuure zegt daar interessante dingen over in zijn inleiding op het hele boek. Hij wijst erop dat heel veel twintigste-eeuwse literatuur de vorm aannam van een parodie: de beroemdste roman van die eeuw (Ulysses) is te lezen als een parodie op de Odyssee en zo wordt de bijbel niet zozeer ernstig geparafraseerd alswel vooral geparodieerd. In het hoofdstuk over het laatste avondmaal vinden we daarvan een goed voorbeeld uit een andere kunstvorm. De luie agnost Andy Warhol maakte een expositie maakte met reproducties van Leonardo's schilderij over dit onderwerp. Op de vraag waarom hij dat zo had gedaan, antwoordde Warhol: "It's a good picture. It's something you see all the time. You don't think about it."

Labels: , , , ,

Willem B. Drees. Religion and Science in Context. A Guide to the Debates. London and New York: Routledge, 2010.

Willem B. Drees. Herztier "God maakte de twee grote lichten," zegt de bijbel, "het grootste om over de dag te heersen, het kleinere om over de nacht te heersen, en ook de sterren." De Leidse sterrenkundige Vincent Icke beweerde in Mare dan weer iets heel anders: "Vroeger dachten mensen dat de zon bijzonder was," sprak hij, "maar dat is niet zo; er zijn miljarden sterrenstelsels met elk miljarden sterren, en daar zitten er een hoop bij die op onze zon lijken."

Hoe nu? Wie heeft er gelijk � de bijbel, de professor, allebei of geen van beiden? Wie over dat soort kwesties nadenkt, moet het recente boek Religion and Science in Context lezen, dat geschreven is door Willem B. Drees, hoogleraar godsdienstfilosofie en ethiek en tegelijkertijd vicedecaan aan onze faculteit. Drees, die ooit een doctoraal in de natuurkunde deed, heeft veel nagedacht over de complexe relatie tussen de twee gebieden van het leven en doet in dit korte, heldere boekje verslag van dat denken.

A Guide to the Debates is de ondertitel van het boek dat allerlei aspecten van de ingewikkelde relatie laat zien: het wantrouwen van sommige gelovigen tegen de wetenschap, het wantrouwen van sommige wetenschappers tegen het geloof; het misbruik dat bepaalde gelovigen maken van vaak verkeerd begrepen wetenschap; de gezamelijke strijd van geloof en wetenschap tegen 'bijgeloof'.

Een nuttig onderscheid vond ik dat tussen doctrine, mythe en ritueel. Waarschijnlijk is dat eerstejaarsstof bij godsdienstwetenschap, maar ik had er nog nooit bij stilgestaan dat dit de drie aspecten zijn waarmee godsdiensten het leven van de gelovigen kunnen veraangenamen. Ik vat het in mijn eigen woorden samen. De doctrine geeft een kosmologie, een alomvattend verhaal over hoe de wereld in elkaar zit en waarom. De mythe geeft het esthetische genot van het mooie verhaal. Het ritueel geeft het houvast en de structuur aan het dagelijks leven.

Het ligt voor de hand dat de godsdienst het meest in conflict is met de natuurwetenschap op het gebied van de kosmologie. Je kunt best overdag in het laboratorium staan en 's avonds in de Ramayana lezen of een koosjer broodje pekelvlees eten. Maar wat de bijbel en Vincent Icke over de zon beweren kan in ieder geval niet op dezelfde manier waar zijn.

Religion and Science in Context is geschreven vanuit een christelijk standpunt. Er wordt weliswaar een paar keer gerefereerd aan islamitische of boedhistische visies of problemen, maar overwegend gaat het toch over een christelijke manier van kijken. Ongelovigen komen er nog iets bekaaider vanaf. Enigszins storend in dit verband vind ik het onderscheid dat Drees maakt tussen 'lui agnosticisme' ('not seeking to explore and understand as much as possible') en 'serieus agnosticisme' ('opting for epistemic modesty'). Ik weet niet of het nodig is om mensen die zich niet per se bezighouden met bepaalde vragen meteen 'lui' te noemen. Opvallend is vooral dat er geen gewag wordt gemaakt van 'luie gelovigen', terwijl je je daar toch ook iets bij zou kunnen voorstellen � mensen die voor het gemak maar aannemen wat hen door meneer pastoor wordt verteld, 'not seeking to explore and understand as much as possible'. Ik heb het gevoel dat in zulke passages de auteur voor heel even zijn neutraliteit verliest.

Labels: , ,

16.9.09

Ilja Leonard Pfeijffer en Gelya Bogatishcheva. De filosofie van de heuvel. Op de fiets naar Rome. Amsterdam: De Arbeiderspers, 2009.

Ilja Leonard Pfeijffer en Gelya Bogatishcheva. De filosofie van de heuvel Net als iedereen in Leiden heb ik een trommeltje met Ilja-anekdoten. Hoe wij samen ooit het bestuur vormden van het Leids Studenten Kamer Orkest, en dit LESKO zodanig aan de rand van de afgrond brachten dat het oude bestuur ingreep. Hoe hij ooit een gedicht in mijn poesie-album schreef. Hoe aardig hij was, veel aardiger dan zijn publieke imago deed vermoeden, als hij de dames afpoeierde in de Burcht toen we daar een keer zaten bij te praten.

En nu is hij weg. Twee jaar geleden kreeg hij een nieuwe vriendin, de Russische Gelya Bogatishcheva en samen zijn ze in juni 2008 naar Rome vertrokken, op de fiets, op twee heel eenvoudige fietsen. Ilja had de zijne vlak ervoor bij de Turkse fietsenhandelaar op de Kaasmarkt gekocht, en Gelya was al een tijdje bezig op haar gele fietsje rond te rijden. Veel bagage namen ze niet mee � en zes weken later kwamen ze aan in Rome.

gedicht Ilja Pfeijffer

Ilja Leonard Pfeijffer (Rijswijk, 1968) heeft nu een boek geschreven over die reis, De filosofie van de heuvel. Op de fiets naar Rome. Zijn vriendin is medeauteur omdat zij (heel mooie) foto's in het boek publiceert. Maar verder is het boek vooral het werk van Ilja � niet de Pfeijffer van de experimentele gedichten, of de polemische recensies, of de zelfverzekerde taalspelerige romans, maar de Ilja uit het dagelijks leven. De Ilja die nu node gemist wordt in Leiden.

De filosofie van de heuvel is vooral het verslag van een verliefdheid. Pfeijffer is verliefd op Gelya, het Russische meisje dat zo grappig is, en stoer, en kwetsbaar en wijs � en hij is verliefd op Genua, de Italiaanse stad die zo vriendelijk en smerig is, en waar de dichter en zijn vriendin onmiddellijk naar terugkeren nadat ze in Rome zijn aangekomen, om er zich te vestigen.

Door die verliefdheid is de toon van het boek vederlicht. De wereld bestaat alleen uit het verliefde paar en hooguit wat omstanders die zich erover mogen verbazen dat het mogelijk is, twee mensen die op z�lke fietsen van Leiden helemaal naar Rome fietsen en die hen om de haverklap een drankje aanbieden. Ver weg zijn de caf�s Burgerzaken en De Burcht en de strijd om het Dichter der Vaderlandschap en alle luidkeels verkondigde theorie�n over hoe literatuur dient te zijn. Af en toe verontschuldigt Pfeijffer zich nog wel, bijvoorbeeld over het feit dat hij in het buitenland ineens ros� is gaan drinken. Of: "Ik had mij nog nooit zo gelukkig gevoeld als de afgelopen dagen met Gelya in Genua. Als schrijver mag ik dat soort zinnen niet schrijven, ik weet het, maar het maakt me geen fuck uit want het is waar."

Voor de pfeijfferologie lijkt me vooral de vergelijking met Het ware leven. Een roman uit 2006 van belang. In dat boek figureren onder andere een veel te dikke dichter die zijn dagen slijt in Burgerzaken alsmede een vrouw met een midlifecrisis die naar Itali� vertrekt om daar het ware leven en zichzelf te ontdekken. Zowel die dichter als die vrouw worden in Het ware leven nog vol spot beschreven, je kunt je na afloop van het boek niet aan de indruk onttrekken dat Pfeijffer de gedachte dat je naar Itali� zou moeten om jezelf te vinden nogal belachelijk vindt als je ook in Leiden kunt blijven rondhangen. De lezer van De filosofie van de heuvelwordt overweldigd door het gevoel dat hijzelf ook zo snel mogelijk weg moet van hier, om zich in Itali� te vestigen met zijn eigen lief.

Het bezwaar dat critici vaak tegen hem hadden wordt hier opgeheven en soms omgedraaid. Ik geloof dat Pfeijffer vaak een zekere leegheid werd verweten, hij speelde volgens hen wel heel mooie taalspelletjes die leidden tot fraai klinkende en technisch goed in elkaar stekende literaire werken, maar veel inhoud hadden ze niet.

Een enkele keer is De filosofie van de heuvel zelfs een beetje saai, als Pfeijffer beschrijft hij zich via welke route van het ene Franse stadje naar het andere begeeft en onderweg allerlei natuur tegenkomt waarvoor hij geen andere woorden heeft dan 'een droom'. Maar het gebruik van zo'n clich� maakt de schrijver duidelijk geen fuck meer uit, en de lezer eigenlijk ook niet. De inhoud is in sommige opzichten misschien nog steeds een beetje mager � de filosofie van de heuvel blijkt een soort boeddhisme voor beginners - maar het geluk spat van de pagina's en dat is aanstekelijk geluk, het soort simpele geluk dat bovendien binnen handbereik lijkt als je het alleen maar even wil pakken. Het soort simpele geluk waar je bovendien niet ironisch over doet, maar dat je benoemt: geluk.

Een iets langere versie van dit stukje verscheen in Forum van de Faculteit der Geesteswetenschappen, Leiden.

Labels: , ,

14.3.09

Arnon Grunberg. Kamermeisjes & soldaten. Arnon Grunberg onder de mensen. Amsterdam: Nijgh en Van Ditmar, 2009.

Arnon Grunberg. Kamermeisjes en soldaten. Arnon Grunberg onder de mensen Dit is het leven van Arnon Grunberg: 'Mochten er mensen zijn die zich door mij verwaarloosd voelen, staat het hun vrij op zoek te gaan naar mensen die minder aan verwaarlozing doen dan ik.' Dat schrijft hij in de inleiding van zijn nieuwe boek Kamermeisjes en soldaten, waarin hij reportages verzamelde over onder andere zijn reizen met Nederlandse soldaten in Afghanistan, zijn bezoek aan een Amerikaanse in een Peruaanse gevangenis, en zijn werk als kamermeisje in Oostenrijk en treinbediende in Zwitserland.

Schrijvers moeten af en toe onder de mensen komen. Ik ben ervan overtuigd dat de Nederlandse literatuur beter af zou zijn als veel Nederlandse schrijvers niet de hele tijd allemaal romans zouden schrijven, maar in plaats daarvan genres die hun beter zouden liggen, zoals de reportage of het interview.

Maar dat geldt dan weer niet voor Arnon Grunberg, blijkens dit boek. De schrijver loopt een beetje verloren rond in de meeste van deze reportages. Bovendien is de stijl niet altijd zo zorgvuldig als in de romans:

Kapitein Cynthia, voorlichter bij Defensie, begroette mij in de vertrekhal van de luchtmachtbasis. Zij zou met me meereizen, tot het einde, naar Afghanistan en weer terug. Er waren minder familieleden van militairen dan ik had gehoopt. Dramatische afscheidstaferelen bleven me bespaard.

Het verband tussen de laatste twee zinnen lijkt uitbreidend: de taferelen bleven uit vanwege het feit dat er minder familieleden waren. Maar in dat geval conflicteren 'minder dan ik had gehoopt' (dat de situatie als beneden verwachting evaluaeert) met 'bleven me bespaard' (dat juist een positieve evaluatie impliceert). Misschien is er een andere relatie bedoeld — een van tegenstelling — maar die zie ik dan niet.

Misschien is dit een beetje gezeur, maar Grunberg moet het vaak hebben van zijn stijl, en in dit boek al helemaal. Hoewel hij spectaculaire dingen doet, vind ik niet dat de schrijver erg diep graaft. De kamermeisjes en soldaten blijven toch vooral een beeje curieuze types die rare dingen doen, eigenlijk meer het soort personages uit de vroege romans van Grunberg dan uit de latere. Ik heb het boek wel met veel plezier gelezen; maar ik zal het niet snel nog een keer naslaan, ben ik bang.

Labels: , ,

5.3.09

Edward O. Wilson. On human nature. Cambridge, Mass: Harvard, 2004 (1978).

Edward O. Wilson. On human nature De mens is een aap. Jaja. En het gedrag van de mens kan en moet daarom in de eerste plaats begrepen worden als het gedrag van apen, dus uit een biologisch oogpunt. Dat was dertig jaar geleden de stelling van Edward Wilson en kennelijk was dat controversieel. In een voorwoord dat Wilson in 2004 schreef voor een nieuwe druk, legt hij uit hoe dat volgens hem komt: in de jaren zeventig waren alle academici halve marxisten die werkten met een model van de menselijke geest als een blanco blad, die niets moesten hebben van biologische gepredisponeerdheid. En die geesteswetenschappers begrijpen niets van de echte, de harde wetenschap, dat vond hij eigenlijk in 1978 ook al.

Ik geloof niet dat ik een marxist ben en ik vind het heel aannemelijk dat je menselijk gedrag in biologische termen kunt begrijpen. Maar ik vind niet dat Wilson erg overtuigend is. Hij geeft niet echt veel concrete voorbeelden van fenomenen die je beter uit een biologisch oogpunt kunt begrijpen dan uit een cultuurwetenschappelijk oogpunt. Misschien is dat wel eerder de reden dat zijn sociobiologie indertijd niet zo succesvol was, dan dat iedereen maar vol vooroordelen zit.

Neem de oorlogsvoering van de Mundurucú. Wilson legt omstandig uit dat er allerlei 'biologische' (dat wil zeggen externe) omstandigheden zijn die het bijna noodzakelijk maken dat Mundurucú veel oorlog voeren. Zelf hebben ze wel allerlei mythologische verhalen over waarom zij zo'n fantastisch volk zijn, maar die verhalen zijn minder plausibel dan het biologische.

Maar dat is het punt helemaal niet. Je zou willen weten waarom die verhalen dan toch verteld worden — en daar dan een biologische verklaring voor willen geven, want dat is het feitelijke culturele verschijnsel. Eigenlijk bespreekt Wilson alleen maar heel algemene eigenschappen van de menselijke cultuur. Hij legt het verband niet met de ingewikkelder, de 'hogereorde' verschijnselen. Dat is waarschijnlijk ook heel moeilijk om te doen, en daar wringt het hem nu net. Uiteindelijk moet waarschijnlijk alle menselijke gedrag inderdaad in biologische, in natuurwetenschappelijke zin verklaard worden. Maar de menselijke cultuur is vooralsnog zo complex, dat we aan een zinnige reductie nog lang niet toe zijn.

Labels: , ,

8.2.09

Marcel Cobussen. Tresholds. Rethinking Spirituality Through Music. Alderhot: Ashgate, 2008.

Marcel Cobussen. Tresholds�You are on a threshold� luidt de eerste zin van het boek Tresholds van Marcel Cobussen, UD muziekfilosofie aan de Leidse Faculteit der Geesteswetenschappen. �The threshold of entering a book� is de tweede. Is dit een wetenschappelijke studie of een experimentele roman? �And you have already crossed many before you arrived here; you have already dealt with many obstacles.� De ondertitel van het boek luidt Rethinking spirituality through music. Wordt in Leiden een New Age aangekondigd?

Het kost voor de onbevangen lezer wat tijd voor hij begrijpt wat voor boek hij in handen heeft, wat Cobussen wil. Oorspronkelijk had ik Tresholds tot onderwerp willen maken van deze rubriek in december vorig jaar. Ik vond de eerste drempels toen te hoog en koos voor de Kamasoetra. Nu is het me wel gelukt: ik heb het hele boek gelezen en ik vond het prachtig.

De vorm van het boek is ongebruikelijk. Het bestaat uit 13 hoofdstukken die de auteur �drempels� noemt en die overpeinzingen zijn over de raakvlakken tussen spiritualiteit en muziek. De auteur haalt er een groot aantal denkers bij � van Adorno via Barthes tot en met Wittgenstein � en hij analyseert allerlei soorten muziek � het soort tonale, langzame, harmonieuze muziek van P�rt die tot de Nieuwe Spirituelen gerekend wordt, maar ook van muziek die je op het eerste gehoor helemaal niet spiritueel zou noemen, zoals de volkomen vrije jazzimprovisaties van de late John Coltrane.

Cobussen heeft een prettig nuchtere manier van schrijven over het onzegbare. Spiritualiteit is voor hem niet per se gekoppeld aan goddelijke zaken. De verstandelijke vermogens van de mens zijn � net als die van pakweg de spitsmuis en het kanarievogeltje � waarschijnlijk te gering om de wereld echt te begrijpen of in woorden te vatten. Maar af en toe kun je een ervaring krijgen van aspecten van de werkelijkheid die n�t buiten dat kader vallen. Dat is dan een spirituele ervaring, een aanraking van het grensgebied dat we net niet meer begrijpen. (Er zijn waarschijnlijk ook dingen die er ver buiten vallen, maar daar hebben we per definitie geen idee van).

Dat grensgebied bevat volgens Cobussen niet noodzakelijkerwijs uitsluitend prettige warme gevoelens die veroorzaakt worden door de Eenheid van het Al. Het kan net zo goed gaan over chaos en onrust. Het is onzinnig om het buitengewone te willen afbakenen. Vandaar dat hij zich ongemakkelijk voelt bij de term �Nieuwe Spiritualiteit� omdat die impliceert dat andere muziekstijlen geen spirituele ervaringen kunnen oproepen. Naar zijn idee perkt dat het onzegbare te veel in. Iedere muziekvorm kan in ieder geval in principe die combinatie van gevoelens van orde en onbegrijpelijkheid oproepen.

Om iets te begrijpen heeft het menselijk brein kaders nodig � maar de werkelijkheid treedt noodzakelijkerwijs af en toe buiten die kaders. In Thresholds breekt de auteur allerlei kaders open, niet alleen die van de wetenschap naar het spirituele � maar ook dat van wat wel of niet spiritueel genoemd kan worden, wat precies spirituele muziek is, of hoe een wetenschappelijke studie eruit mag zien. Dat is even wennen, de auteur is nadrukkelijk de hele tijd aan het bewegen en nauwelijks te vatten en al helemaal niet samen te vatten in een rubriek als deze.

Ook de vreemde vorm hoort er dus bij. Ik neem aan dat het een zekere moed vereist om een boek als dit te schrijven in een tijd waarin hoe langer hoe meer het artikel in het peer-reviewed tijdschrift als het enige acceptabele publicatiemedium voor de onderzoeker wordt beschouwd, met een inleiding, een beschrijving van een experiment, een �discussion� en een �conclusie�.

Een van de mooiste drempels vind ik uiteindelijk die waarin de muziek van (toch weer) P�rt wordt geanalyseerd, met name een stuk dat �Sarah Was 90 Years Old� heet. Cobussen laat in een minutieuze analyse van dat stuk zien dat het P�rt uiteindelijk veel minder te doen is om het cre�ren van mooie melodie�n waarin je kunt mijmeren; dat zijn muziek cirkelt om hetgeen waar het hem eigenlijk om te doen is, de stilte. Temidden van al die geordende muziek is de stilte de onrust. Luisteren is volgens Cobussen de sleutel tot het verband tussen spiritualiteit en muziek: om een aantal redenen is het minder analyserend dan kijken (je kunt je ogen bewegen over een oppervlakte, je kunt ze focussen op details, maar het oor is passiever en vangt op wat er toevallig inkomt; klanken kun je analyseren maar ook ondergaan).

Zoals ook de schrijver van deze wonderlijke studie uiteindelijk het woord teruggeeft aan het onzegbare: �A work which has as its purpose to rethink spirituality through music cannot be a conclusive product consisting of finished, resolved, encompassed thinking; it sets up a way of thinking itself. Therefore, this writing remains unfinished, lingering in the transitory passage between origin and conclusion, vibrating between coming and going, at the articulation between what absents itself and what presents itself, so as to remain underway.�

Labels: , , ,

8.11.08

Barack Obama. The Audacity of Hope. Edinburgh (etc.): Canongate, 2007 (2006).

Barack Obama. The Audacity of Hope Aan het eind van The Audacity of Hope beschrijft Obama zijn eerste persconferentie als senator:

It was my first day in the building; I had not taken a single vote, had not introduced a single bill — indeed I had not even sat down at my desk when a very earnest reporter raised his hand and asked, "Senator Obama, what is your place in history?"

Even some of the other reporters had to laugh.

Het is een kenmerkende anekdote, niet alleen vanwege de lichte zelfspot, en vanwege de persoonlijke toon, maar omdat uit The Audacity of Hope vooral blijkt dat Obama toch stiekem ook wel erg bezig is met zijn plaats in de geschiedenis. Ieder onderwerp dat hij aansnijdt — de verzuring van de strijd tussen Republikeinen en Democraten, de verhouding tussen de 'rassen', het buitenlands beleid van de VS — wordt eerst en vooral in een historisch kader geplaatst. Hier is iemand aan het woord die heel erg beseft dat het nu een stapje is in de geschiedenis.

Die combinatie met het persoonlijke geeft Obama's eigen toon. Hij beschrijft hoe hij een wet door de Senaat heeft gehaald en daar heel trots over is. Hij belt zijn vrouw Michelle om uit te leggen hoe belangrijk die wet is en zij zegt: 'We hebben mieren! Neem jij onderweg naar huis wat lokdoosjes mee?'

Het boek is zo goed geschreven dat je af en toe een beetje wantrouwig wordt; maar aan de andere kant, waarom zou een politicus ook niet goed kunnen schrijven? Obama kan in ieder geval denken en spreken, en schrijven doet hij kennelijk graag. Al wijst alles erop dat er de komende jaren geen nieuwe titels meer van hem verschijnen — ik verheug me nu al op het vervolg van over tien jaar.

Labels: , ,

30.10.08

Paul Verhoeven. Jezus van Nazaret. Amsterdam: Meulenhoff, 2008.

Paul Verhoeven. Jezus van Nazaret Paul Verhoeven heeft duizend boeken over Jezus gelezen. Hij is lid van het Jesus Seminar, een groep Amerikaanse intellectuelen die proberen de 'historische' Jezus boven tafel te brengen. Dat is ook Verhoevens bedoeling, en daar heeft hij een spannend en onderhoudend boek over geschreven.

Dat is dan wel een boek geworden dat de hopeloosheid van die pogingen illustreert. Zoals Verhoeven zelf zegt, weten we maar twee dingen zeker over Jezus: dat hij gedoopt is door Johannes de Doper, en dat hij gekruisigd is in de tijd van Pontius Pilatus. Veel nieuwe zekerheden heeft ook de wetenschappelijke methode niet te bieden. Die methode behelst onder andere dat onprettige en onlogische elementen in de evangelie�n het serieust moeten worden genomen, onder het motto: zoiets verzin je niet, de evangelisten hadden er alleen baat bij Jezus zo gunstig mogelijk af te schilderen.

Maar dat gaat soms wel wat ver. Toen Jezus werd opgehaald is er geweld gebruikt door zijn leerlingen. Grof geweld, volgens Verhoeven. Dat komt, Marcus heeft daar een nogal bloedig verslag van maar, vooral, Mattheus en Lucas zwakken dat af. Dat kwam omdat het gewelddadige karakter van Jezus' revolutie hen niet goed uitkwam. Dat mag zo zijn, maar waarom zou Marcus dat desalniettemin toch niet verzonnen kunnen hebben?

Het beeld van Verhoeven is wel interessant. Volgens hem was Jezus een ondernemer met een timmerbedrijf die na zijn doop ontdekte dat hij exorcismen kon bedrijven en tot de overtuiging geraakte dat het Koninkrijk van God weldra zou uitbreken, en zich daartoe in Jeruzalem vestigde. Toen het Koninkrijk uitbleef, werd de groep rond Jezus steeds wanhopiger, en deels dus ook gewelddadig, en het eindigde voor Jezus met de dood: Verhoeven maakt een paar keer de vergelijking met Che Guevara.

Dat is een mooi verhaal, verteld door iemand met verstand van verhalen, maar uiteindelijk ook niet veel meer dan dat: een verhaal. Ik heb de afgelopen twee jaar een aantal van dat soort verhalen gelezen, visies op Jezus in de vorm van een roman: hier, hier en hier. Die verhalen hadden niet de pretentie van zoektocht naar de feitelijke waarheid die Verhoeven ten onrechte wel heeft - maar wat betreft verbeeldingskracht kan de filmregisseur zich uiteindelijk met de romanschrijvers meten.

Labels: , , ,

3.10.08

Peter Middendorp. Lange poten. Een jaar lang vreemdeling in Den Haag. Amsterdam: Prometheus, 2008.

Peter Middendorp. Lange Poten Zes jaar geleden las ik de eerste roman van Peter Middendorp, en ik bedacht dat hij misschien beter non-fictie kon schrijven. En zie eens, dat doet hij inmiddels. Op het Binnenhof schijnt hij inmiddels een bekende en zelfs enigszins beruchte figuur te zijn — een schrijver die weigert zich aan de code te houden.

Iedereen moet er kennelijk een beetje aan wennen: de voorlichters, de voorzitter van Nieuwspoort en wie al niet, dat er nu rond hun werkplek — Middendorp woont op de Poten — iemand rondloopt die alles opschrijft wat hij hoort en ziet. Het maakt niet uit of het enorm geheim is, het maakt niet uit of het Middendorp zelf in een wat bedenkelijk daglicht stelt. Hij schrijft het op, en nog steeds in een prettige stijl. Dit is een kenmerkend stukje voor ongeveer al die aspecten, behalve de zelfspot:

Laatst presenteerde Ruud Lubbers een boekje. Iets over dat hij weet hoe het verder moet met de samenleving. Lubbers ws gevraagd bij de gelegenheid te spreken. Dat hoefde je hem overigens geen twee keer te vragen. Man, wat kan die man lang praten. (...) Bij binnenkomst gaf Lubbers de eerste dame die hij tegenkwam opdracht zijn wagen te parkeren. Hij stond ergens op de stoep. Die met de sleutels er nog in.

Ik als lezer moet er ook wel een beetje aan wennen. Middendorp schreef deze stukjes oorspronkelijk voor de gratis krant De Pers. Zoekt hij niet af en toe gewoon naar sensatie? Hij is bijvoorbeeld de bron van het gerucht dat twee PvdA-Kamerleden in een al te innige omhelzing waren aangetroffen in de fractiekamer van het CDA. Maar hij noemde hun namen niet, en stelt ook weer die hang naar sensatie ter discussie. Dit maakt dit boek, al bestaat het ook alleen maar uit stukjes, en ook al gebeurde er het afgelopen jaar maar weinig op het Binnenhof, uiteindelijk tot een behoorlijk ingewikkeld boek, waarover je veel kunt nadenken.

Labels: , ,

12.9.08

Frits van Oostrom. Stemmen op schrift. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300. Amsterdam: Bert Bakker, 2006.

Frits van Oostrom. Stemmen op Schrift Vroeger, ach, vroeger dacht ik dat geschiedenis een zinloos vak was. Waarom zou je nu nog eens gaan opdiepen wat men vroeger ook al wist, maar niet de moeite waard vond om te onthouden? Terwijl je tijdens dat opdiepen zelf weer allerlei nieuwe dingen vergeet? Zo blijf je toch bezig en wat schiet je ermee op?

Die gedachte begin ik langzamerhand te verlaten, en dat komt door boeken zoals Stemmen op schrift: meeslepend geschreven boeken van echte onderzoekers, die laten zien wat we allemaal nog niet weten, en hoe betreurenswaardig dat gebrek aan kennis is. Dat we de rol van de vrouw in de middelnederlandse letteren waarschijnlijk tot nu toe onderschat hebben, bijvoorbeeld: een terugkerend thema in dit boek (vanaf de mogelijkheid dat in Hebban olla vogala een vrouw spreekt, tot en met de mogelijke rol van vrouwelijke mystici in het maken van de eerste vertaling van de bijbel.

Van Oostroms stijl wordt allerwege geroemd, en dat vind ik ook terecht. Een curiosum: in 1996 schreef ik een stukje over Van Oostroms gebruik van het woord werkendeweg in zijn boek Maerlants wereld. Dat woord komt in dit boek weer ��n keer voor: in het hoofdstuk over Jacob van Maerlant.

Labels: , ,

13.2.08

Christine Denniston. The Meaning of Tango. The Story of the Argentinian Dance. London: Portico, 2007

Christine Denniston. The Meaning of Tango Volgens Christine Denniston valt de tango alleen te begrijpen als een poging van de man om de vrouw te behagen. Dat heeft volgens haar alles te maken met de geschiedenis van de dans, die ontstaan is in een tijd dat er tienduizenden gelukszoekers naar Buenos Aires trokken om daar rijk te worden. De stad had daarom een groot overschot aan mannen, en een van de weinige manieren waarop zij in contact met een vrouw konden komen was door de dans. In pr�cticas oefenden mannen eerst jarenlang met elkaar voor ze voor het eerst een vrouw durfden vragen. Omdat ze tijdens als dat oefenen ook de volgende rol heel goed hadden leren kennen, wisten ze precies wat er prettig was voor een vrouw. Dat werd de basis voor de Argentijnse tango.

Christine Denniston is kennelijk een Britse autoriteit op het gebied. In haar boek vind je, behalve deze originele kijk op de dans, vooral een groot verlangen naar de Gouden Tijd van de tango, de periode van 1935 tot 1955, toen de tango zowel als muziekvorm als als dans op zijn hoogtepunt was. In 1955 kwam de junta voor decennia het plezier verstoren: de dans raakte helemaal in de gevarenzone. Alleen (erg) oude dansers beheersen de technieken nog, die voor Denniston�de charme heeft van het autentieke. Van andere stijlen die in de jaren negentig ontwikkeld zijn (milonguero, nuevo, close embrace) moet ze niet veel hebben: wat die mensen verzinnen is in de Gouden Tijd allemaal al eens gedaan, en meestal beter. Een groot gevoel van nostalgie voor de door de politiek bijna volkomen geknakte traditie vloeit door dit boek: een traditie waarin de man er, door te leiden, alles aan doet om zich ondergeschikt te maken aan het genoegen van de vrouw.

Labels: , , ,

27.12.07

Oliver Sacks. Musicofilia. Verhalen over muziek en het brein. Amsterdam: Meulenhoff, 2007.

Vertaling Han Visserman

Ongeveer twintig jaar geleden zag een documentaire zag ik een documentaire op tv die ik nooit ben vergeten: een film over de Engelse musicus Clive Wearing die juist alles vergeten was. Weaver is een van de ernstigste amnestiepati�nten ter wereld, die alles vergeten is wat meer dan een halve minuut geleden is gebeurd. Daardoor heeft hij doorlopend het gevoel net wakker geworden te zijn. Dat schrijft hij dan ook doorlopend op in zijn dagboek: ik ben net wakker geworden. Of hij belt zijn vrouw - een van de weinige mensen die hij zich nog levendig herinnert - om haar te zeggen dat hij er nu echt weer is, en dat hij naar haar verlangt. Elke keer dat zij binnenkomt vliegt hij haar dan ook in haar armen. Alleen als hij muziek speelt, lijkt de amnestie voorbij: alles herinnert hij zich, zelfs als er een herhalingsteken staat, vergist hij zich niet. (Op YouTube is een Amerikaanse documentaire uit 1999 te zien waar de BBC-film uit 1986 deels in is verwerkt.)

In zijn nieuwe boek Musicofilia vertelt de beroemde neuroloog Oliver Sacks het verhaal van Wearing, en beschrijft een verslag van een bezoek dat hij Wearing bracht. Heel veel voegt die beschrijving niet toe aan wat ik me nog herinnerde van die documentaire van twintig jaar geleden: nog steeds heeft Wearing iedere dag het gevoel dat hij net wakker geworden is. En nog steeds speelt hij prachtig piano.

Toevallig heb ik net een ander boek over de relatie tussen muziek en brein gelezen, �This brain on music van de neurowetenschapper David Levitin. Het is interessant om die twee boeken te vergelijken, omdat ze uit zulke verschillende invalshoeken zijn geschreven. Waar Levitin op zoek is naar algemene wetmatigheden &mdash Hoe zit muziek in ons aller hoofd? Hoe werkt het allemaal precies? — is Sacks duidelijk een dokter: iemand die geïnteresseerd is in zijn patiënten; die ook in ieder van hen het eigen verhaal wil zien.

In theorie heeft Sacks het makkelijker, want die kan smeuïge verhalen vertellen over verbijsterende gevallen zoals dat van Clive Weaver. Maar het boek van Levitin vind ik uiteindelijk een stuk beter. Sacks verklaart wat mij betreft wel heel weinig van wat muziek is, of wat onze hersenen precies doen, en doet dat ook vaak in vrij hopeloos gemurmel over hersenonderdelen (een arts is zijn gehoor in zijn rechteroor kwijtgeraakt 'nadat er een akoestisch neuroma in de sensibele zenuw was verwijderd'). Levitin heeft een sterker verhaal — de prachtige zoektocht naar wat de menselijke hersens kunnen.

Labels: , , ,

24.12.07

Daniel J. Levitin. This is your brain on music. New York: Plume, 2007 (2006).

Hoe is het mogelijk dat je soms na twee noten al hoort welk liedje er klinkt op de radio? Of dat de luisteraar die een trompet en een klarinet tegelijkertijd dezelfde melodie hoort spelen, die instrumenten toch moeiteloos uit elkaar houdt en niet ��n ingewikkeld instrument hoort? En waarom hebben alle bekende culturen eigenlijk muziek en dans? Dat zijn fascinerende vragen, en Daniel Levitin geeft er fascinerende antwoorden op. Dat kan hij, omdat hij een bijzondere combinatie van competenties heeft: hij is producer geweest bij een platenmaatschappij en tegenwoordig is hij als muziekwetenschapper verbonden aan McGill.

Ik ben zelf fonoloog van mijn vak, ik bestudeer de klanken van talen, en dat ligt natuurlijk in sommige opzichten dicht bij muziekpsychologie. Toch was er veel dat ik niet wist, nee, ik wist bijna niets. De raakvlakken bleken zelfs nog groter dan ik dacht. In mijn vak is er een grote discussie over de vraag hoe mensen woorden precies in hun geheugen opslaan. Een spreker van het Nederlands weet hoe het woord doek klinkt. Komt dat doordat hij (1) alle keren dat hij ooit iemand 'doek' heeft horen zeggen ergens in zijn geheugen heeft zitten, en daar een soort gemiddelde van uitrekent als hij zelf iets moet zeggen, of (2) hij een abstractere vorm heeft die bestaat uit instructies voor het uitspreken van d-oe-k? Voor allebei de theorie�n valt iets te zeggen en de discussie duurt voort. Grappig is dan om te zien dat je voor bijvoorbeeld het onthouden van melodietjes dezelfde discussie hebt: onthoud je die in groot detail van de uitvoeringen die je kent, of in een wat abstractere vorm zodat een liedje hetzelfde klinkt als je het twee tonen hoger begint dan de vorige keer? Ook hier valt voor allebei wat te zeggen.

Het viel me wel op dat Levitin weinig gevoel lijkt te hebben voor klassieke muziek. Zijn hart ligt bij de jazz en de rock, en tegen het eind van het boek geeft hij een heel wonderlijke samenvatting van de geschiedenis van de klassieke muziek: tot ongeveer 1950 (Bernstein) was het allemaal ok�, daarna verwerd het tot �f filmmuziek �f onbegrijpelijke kunstzinnige muziek. Dat er voor 1950 ook al volop kunstzinnigheid en filmmuziek was, ontgaat hem, evenals het feit dat er ook echt toegankelijke hedendaagse muziek is, en dat er mensen zijn die daar oprecht van genieten. En wel op de manier die Levitin zo toegankelijk en enthousiasmerend beschrijft in zijn boek.

Labels: , , ,

21.12.07

Ap Dijksterhuis. Het slimme onbewuste. Denken met gevoel. Amsterdam: Prometheus, 2007.

Ap Dijksterhuis is hoogleraar in het onbewuste, en voor hem is dat onbewuste ook zo ongeveer het belangrijkste dat er is van de menselijke geest. Bijna alles gebeurt daar, al het mooie en al het lelijke: de geniale idee�n worden er uitgedokterd, maar ook worden we er op allerlei manieren be�nvloed. Het bewuste, ja, dat is er wel, maar vooral misschien om de verschillende delen van het onbewuste met elkaar te laten communiceren.

Het is een meeslepend boek. Ik heb de afgelopen jaren al een aantal boeken gelezen waarin veel van de experimenten die Dijksterhuis hier bespreekt ook al aan de orde waren gekomen, maar uiteindelijk heeft Het slimme onbewuste, door ze allemaal achter elkaar te plaatsen, mijn blik in ieder geval vandaag veranderd. Ineens zie je in dat je een ijsberg bent — het bewuste is het topje, het onbewuste de enorme klomp onder water — die de dag doorbrengt temidden van andere ijsbergen. Dat er van alles gebeurt, ook tussen mensen, waarvan die mensen zich niet eens bewust zijn. Het is mooi als een boek dat kan bereiken, en dat is hiermee dus gelukt.

Labels: , ,

19.12.07

Gregory Chaitin. Metamath! The Quest for Omega. New York: Vintage Books, 2006 (2005).

Dit is een mislukt, amateuristisch geschreven en bij vlagen nauwelijks te begrijpen boek, dat ik in ��n adem heb uitgelezen. Gregory Chaitin is de bedenker of ontdekker van het getal ٠(omega) - een voorbeeld van een volkomen onvoorspelbaar getal, een getal dat je alleen zou kunnen uitdrukken door het helemaal op te schrijven, terwijl het oneindig veel cijfers achter de komma heeft. Van zulke getallen moeten er oneindig veel zijn, maar juist doordat ze alleen zijn uit te drukken door ze helemaal op te schrijven, is het moeilijk om er ��n aan te wijzen. Chaitin heeft een manier bedacht om dat wel te doen. In dit boek legt hij uit hoe hij dat heeft gedaan � en dat doet hij op een heel duidelijke manier, ondanks die paar wat duistere passages.

Chaitin legt in zijn boek ook uit dat hij niet houdt van droge opsommingen. Hij wil dat de persoonlijkheid van de pagina's afspat, en dat probeert hij vervolgens ook zelf met alle macht te doen, van de pagina's afspatten. Hij doet dat vooral door heel veel uitroeptekens te gebruiken. Allemachtig, wat staan er veel uitroeptekens in dit boek, en dat heus niet alleen omdat het veel over het wiskundige begrip faculteit gaat. De laatste zin van het boek is zelfs:

Thank you for reading this book and taking this journey with me!

Maar je wilt Chaitin dat alles als lezer graag vergeven, omdat hij zo enthousiast is dat hij al die uitroeptekens echt lijkt te menen, en bovendien over zulke fijne dingen enthousiast is: over G�del en Turing bijvoorbeeld, of over Leibniz, de grootste intellectuele held uit de geschiedenis der mensheid, en over een verhaal uit Der Process van Kafka, dat ik onlangs gelezen heb. En Chaitins eigen geschiedenis, hoe hij tot zijn wonderbaarlijke getal gekomen is, dat is ook een prachtig verhaal. Wat is de wereld toch mooi, dat er zulke idee�n in bestaan!

Labels: , ,

15.12.07

Eke Mari�n, Jan Groenewold en Bas Husslage. Cook & Chemist. Uithoorn: Karakter, 2007.

Asperges confijten in olie, slagroom slaan van chocola en sinaasappelsap, doorzichtige ravioli snijden van gegeleerde bouillon � dat zijn wat dingen die ik geleerd heb uit dit boek. Moleculair koken � koken waarbij je gebruik maakt van technische snufjes en chemische inzichten � is in restaurants alweer een paar jaar een grote trend. In dit boek geven de auteurs een huis-tuin-en-keukenversie ervan, een die je ook met een gewone keuken kunt toepassen: geen in stikstof gedruppelde olijfolies of uitgebreid gebruik van de schuimspuit, maar beter nadenken over de manier waarop smaken bewaard worden en stoffen zich in een saus aan elkaar binden.

Dat is allemaal heel interessant en het ik denk dat ik echt anders ga koken nu ik dit boek gelezen heb. Het is wel jammer dat het boek een beetje liefdeloos is uitgegeven. Het ziet er niet echt mooi uit, en er zitten kleine tiepfoutjes in. Maar de liefde voor het koken �n voor het weten spatten van de bladzijden, en wat wil je nog meer: genieten en begrijpen.

Labels: , ,

23.11.07

A.J. Jacobs. The Year of Living Biblically. New York: Simon and Schuster, 2007.

A.J. Jacobs moet een beetje gek zijn. Anders ga je toch niet als zelfverklaard agnost — hij is naar eigen zeggen wel joods, maar dan 'in de zin waarin Olive Garden een Italiaans restaurant is' — alle regels van de bijbel zo letterlijk mogelijk te volgen. Dus ook de regel dat je geen kleding mag dragen waarin wol en linnen tegelijk zijn verwerkt. Of de regel dat je overspeligen moet stenigen. Of de regel dat je een os moet slachten in de buurt van een onopgeloste moord.

Gelukkig is Jacobs in de eerste plaats behalve gek ook onweerstaanbaar grappig. Als een vrouw eindeloos tegen hem zit aan te klagen, zegt hij: 'Zij is de Fidel Castro van het klagen'. Als hij beschrijft hoe werkverslaafd zijn vader en hij zijn, vertelt hij dat ze zelf zitten te schrijven terwijl ze op hun laptop een dvd bekijken; nou ja, bekijken: af en toe spiekt hij even 'om te zien of het beeld nog beweegt'.

En behalve gek en grappig is Jacobs uiteindelijk ook serieus op zoek naar hoe dat nu eigenlijk zit met die bijbel. Wat beweegt mensen (hij interviewt onder meer ultra-Orthodoxe joden, Amish en Jehovah's Getuigen) om zich in onze tijd zo letterlijk aan dat oude boek te houden? Hoe kan er in een boek zo'n combinatie van fundamentele morele regels (gij zult niet stelen) met absurde detail voorkomen (als een man x in gevecht raakt met een man y, en de vrouw van x komt haar man te hulp en grijpt y in het kruis, dan heeft y het recht haar hand af te hakken). Wat zegt de bijbel ons nu nog? Jacobs vindt de antwoorden natuurlijk ook niet, maar hij heeft wel een jaar lang oprecht gezocht.

Labels: , ,

13.10.07

Michael Gil. How Starbucks Saved My Life . London: Harper Collins, 2007.

Michael Gil is een zoon van een journalist bij de New Yorker en gemaakt voor het succes. Hij heeft dan ook een mooie loopbaan in de reclame, tot hij ineens op straat wordt gezet: te oud voor het vak, en te weinig omhooggeklommen in de loop der jaren. Dan wil zijn vrouw hem niet meer, omdat hij een buitenechtelijke verhouding heeft en een kind, maar zijn vriendin wil hem ook niet meer. Hij glijdt langzaam naar beneden, tot hij op een dag een Starbucks binnenloopt, waar hem een baan wordt aangeboden in een koffietentje in het noorden van Manhattan.

Een nieuwe wereld gaat voor hem open, Michael Gil kan niet ophouden te jubelen over hoe geweldig Starbucks is, hoe goed men er voor zijn medewerkers zorgt, hoe aardig de medewerkers zijn tegen elkaar, en tegen de klanten, hoe aardig de klanten zijn tegen de medewerkers, hoe fijn het is om de vloer te schrobben, en hoeveel hij en iedereen van koffie houdt. Hij schrijft zelfs gedichten voor zijn klanten: Your wonderful smile / When you walk in the door / Helps to make / Our spirits soar. / You make sure to ask / Just how we are / When we see you at the register / Or at the bar. (enz.) Ook dat soort gedichten schijnt iedereen prachtig te vinden.

Er zijn twee problemen met dit boek: die jubeltoon, en het gebrek aan enig journalistiek verlangen bij de auteur. Zelfs als hij zo ongecontroleerd had willen jubelen, was het bijvoorbeeld aardig geweest om wat achtergrondinformatie te geven, om bijvoorbeeld de ongetwijfeld boeiende levensverhalen van zijn mede-'Partners' iets meer te achterhalen en te belichten. Allemaal gemiste kansen; een slecht boek.

Labels: , ,

20.8.07

Piet Gerbrandy. Het feest van Saturnus. De literatuur van het heidense Rome. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2007.

Waarom zou je literatuurgeschiedenissen lezen? Zo'n overzicht van allerlei goede en slechte schrijvers die niet meer met elkaar gemeen hebben dan dat ze in een bepaald gebied woonden en een bepaalde taal spraken, wat heb je er eigenlijk aan?

Aan deze geschiedenis van de 'heidense' Latijnse letteren ben ik vooral begonnen omdat ik geïnteresseerd ben in de schrijver ervan, Piet Gerbrandy, van wie ik de afgelopen jaren de dichtbundels De zwijgende man is niet bitter, Krang en zing en Drievuldig, feilloos, vals met plezier en bewondering gelezen heb. Mijn gevoel is dat Gerbrandy de Nederlandse dichter is die het meest door de Latijnse poëzie beïnvloed is, niet doordat hij Sapfische oden is gaan schrijven, maar doordat hij het 'weerbarstige' van het Nederlands zo mooi maakt als Horatius heeft gedaan met het 'weerbarstige' Latijn — dat woord 'weerbarstig' gebruikt hij ook inderdaad in deze literatuurgeschiedenis.

Interessant aan Het feest van Saturnus is de liefde voor het heidendom. Gerbrandy heeft bewust de christenelijke auteurs buiten beschouwing gelaten, en hij steekt ook niet zonder stoelen of banken dat dit is omdat hij hen doorgaans heel onsympathiek vindt, dat hij veel meer opheeft met het heidense gedachteleven. Dat is verfrissend in deze tijd waarin we de hele tijd met 'onze' christelijke waarden om de oren worden geslagen. Het is ook een van de aspecten van dit boek die het eenentwintigste-eeuws en interessant maken.

Een probleem van het genre van de literatuurgeschiedenis is dat de auteur toch op de een of andere manier volledig wil zijn en dus allerlei auteurs behandelt die hem niet liggen. Soms lijdt dit boek daar ook wel een beetje onder, bijvoorbeeld waar Gerbrandy uitgebreid de plot van een klucht van Terentius begint na te vertellen; maar meestal vertelt hij interessante en aardige details over de dichters. Gerbrandy heeft bovendien ongekend veel aandacht voor stijlkwesties en taalgebruik, leuk is dat.

Van Vergilius en diens Aeneis heeft hij niet zo'n hoge pet op, maar in dit boek schrijft hij er wat evenwichtiger over dan in het provocerende stuk dat hij ooit in de Groene Amsterdammer schreef. Maar zijn grote liefde ligt uiteindelijk toch bij een lyricus als Horatius, en waarschijnlijk is dat ook wel terecht.

En dan: wat moet ik nog veel lezen uit die Romeinse Oudheid: Tacitus en Martialis, Juvenalis en misschien — ondanks Gerbrandy's reserves — toch ook maar Ovidius.

Labels: , , ,

28.5.07

Garry Kasparov. How life imitates chess. London: William Heinemann, 2007.

Zijn schakers bijzonder intelligent? Als schaken een denksport is, zou de beste schaker dus ook het best moeten denken. Toch blijken de meeste schakers, ook de allerbesten, helemaal niet zo geschikt voor het leven buiten de vierenzestig velden.

Is Garry Kasparov, volgens de voorkant van het boek 'the most succesful chess player of all time' een uitzondering? Twee jaar geleden gaf hij het schaken eraan om politicus te worden, om Rusland te redden van de 'tyrannie' waarin volgens hem Poetin en de zijnen het land dreigen te storten. Toen kondigde hij dit boek al aan, en hij is ook regelmatig in het nieuws als een van de sleutelfiguren van de oppositie; al is het maar omdat hij af en toe wordt vastgehouden door Poetins politie.

How life imitates chess is een vreemd boek, dat niet weet wat het wil zijn: een autobiografie van Kasparov, een handleiding voor managers (Kasparov heeft regelmatig trainingen gegeven voor managers over hoe schaakstrategiën in het bedrijfsleven zouden kunnen worden geïplementeerd), een boek over schaken, een overzicht van de belangrijkste schakers van de afgelopen honderdvijftig jaar, of een politiek boek. Het is een klein beetje van dat alles, en dat is af en toe verwarrend. Wat wil die Kasparov nu eigenlijk? In het begin vond ik het heel inspirerend, zo'n slim iemand met zo'n gepassioneerd pleidooi om altijd te blijven vechten. Gaandeweg begon ik het een beetje te wantrouwen: wat weet zo'n Kasparov nou eigenlijk van het bedrijfsleven waarover hij soms bladzijden lang praat? En wat is eigenlijk zijn politieke agenda, behalve dat hij Poetin van zijn troon wil stoten? Wil hij daarna soms zelf op die troon gaan zitten?

Maar uiteindelijk maakt het geheel, misschien juist vanwege die rommeligheid, wel een oprechte indruk. Kasparov heeft misschien geen grootse politieke visie, maar hij ziet wel een reëel gevaar, en hij wil zich ervoor inzetten dat gevaar af te wenden. Bovendien meent hij oprecht dat hij uit zijn schaakervaringen iets heeft geleerd over strategie en tactiek, over innovatie en intuïtie, over creativiteit en consolidatie, en vooral, over het leven. Hij is vast geen gemakkelijke man, en vast geen vriendelijke man. Maar hij is oprecht, en hij verdient, vermoedelijk, steun — misschien niet als een toekomstig leider, maar in ieder geval als een belangrijke pilaar onder de huidige oppositie.

Labels: , , , , ,

13.5.07

Bruce Clark. Twice a stranger. How mass expulsion forged Modern Greece and Turkey. London: Granta Books, 2007 (2006).

Na jaren van bloedige oorlog kwamen de jonge Turkse generaal Mustafa Kemal (later genaamd Ataturk) en de Griekse staatsman Eleftherios Venizelos in de vroege jaren twintig van de twintigste eeuw overeen dat er maar ��n uitweg was. De twee jonge landen moesten hun bevolking uitruilen. Zo moesten meer dan een miljoen orthodoxe christenen weg uit Turkije, en ruim een half miljoen moslims uit Griekenland. Die mensen spraken vaak de taal van het land waar ze soms al tientallen generaties woonden, en deelden ook verder alle gebruiken met hun buren, behalve het geloof. In het nieuwe land, hun 'eigenlijke' vaderland werden ze daarom ook vaak op een vreemde manier aangekeken.

Bruce Clark is een voormalig journalist bij de Economist en hij heeft met Twice a stranger een boek geschreven waar ik veel uit heb geleerd. Hij laat uitvoerig zien hoe we zowel Griekenland als Turkije alleen maar kunnen zien als het gevolg van die enorme uitwisseling. Griekenland had maar ongeveer vier miljoen inwoners toen het ineens een extra miljoen de ruimte en mogelijkheden moest geven om een nieuw leven op te bouwen. Turkije kwam ook met honderdduizenden vluchtelingen te zitten, maar zag bovendien een economisch belangrijke groep vertrekken. De wonden die de hele operatie sloeg moesten bovendien tot op de dag van vandaag worden verzwegen, want de offici�le ideologie in beide landen was en is, dat de uitruil op zijn minst nodig was, en eigenlijk ook de nationale zaak ten goede kwam.

Een voorbeeld van dat verzwijgen dat indruk op mij maakte, is dat er in de aanloop naar de Olympische Spelen van 2004 in Griekenland een grote discussie op gang kwam: waar moest de moskee komen waar de islamitische sporters uit alle delen van de wereld zouden kunnen bidden? Volgens Clark wees niemand in die tijd op de grote moskee die midden in de Atheense wijk Monastiraki staat te verpieteren. En ineens dacht ik: ja, inderdaad, daar staat een moskee. Iedere voorbijganger kan zien dat daar helemaal niets mee gebeurd, maar net als miljoenen andere voorbijgangers heb ik daar eigenlijk ook geen enkele keer over nagedacht.

De stijl en de structuur van het boek zijn wat minder, maar er is nog iets wat je uit het boek kunt leren: journalistieke nuance. Als er een onderwerp is waarover het moeilijk is een gebalanceerd boek te schrijven, waarin de verschillende standpunten tot hun recht komen, is het misschien wel de Turks-Griekse uitruil. Ongetwijfeld zullen er aan beide zijden extremisten zijn die dit een verschrikkelijk onrechtvaardig boek vinden, maar mij lijkt het een wonder van evenwichtskunst op het slappe koord. Je ziet alle kanten van het verhaal — en dat maakt het nu juist zo aangrijpend.

Labels: , , , ,

1.5.07

Willem Frederik Hermans. De laatste resten tropisch Nederland. Amsterdam: De Bezige Bij, 1970 (1969).

Begin 1969 maakte W.F. Hermans een reisje naar de 'overzeese gebiedsdelen': hij reisde samen met zijn vrouw door Suriname en de beneden- en bovenwindse eilanden. Hij gaf er een paar lezingen, sprak er met allerlei mensen en schreef deze reportage.

De overzeese gebieden hadden Hermans' hart gestolen. Het boek begint met authentiek gemopper over de Nederlandse stichting die de reis moest regelen en die alleen maar bestaat uit 'doctorandussen' die nooit eens iets goed regelen. Maar over de chaotische toestanden overzee is Hermans vooral goedgemutst: in slapstick-achtige verhalen vertelt hij hoe men iedere keer weer opnieuw in paniek raakt als hij arriveert, omdat men pas op het allerlaatst over zijn komst had gehoord en dan in allerijl een lezing moet improviseren in een zaaltje waarvan niemand weet waar de sleutel zich precies bevindt. Uiteindelijk komt het allemaal goed, het publiek blijkt zeer te genieten van de beroemde schrijver, en hij van zijn publiek.

Hermans verbaast zich erover dat de voormalige kolonies zo weinig bekend zijn bij de Nederlanders, en eigenlijk zijn ze dat nog steeds. Ik heb een heleboel geleerd over de eilanden en een heleboel van die informatie is natuurlijk veertig jaar na dato sterk verouderd. Andere dingen misschien toch ook niet. Hermans wijst bijvoorbeeld op de verbetenheid waarmee sommige blanken op de Antillen vasthouden aan het Sinterklaas-en-Zwarte-Piet-sjabloon van het Sint Nicolaasfeest; en dat dit misschien wel de woede kan verklaren die veel Antillianen voelen over het vermeend racistische, en in de ogen van Nederlandse Nederlanders zo onschuldige, karakter van dat feest. En aan het eind van het boek wijst hij erop dat degenen die zich zoveel zorgen maken over 'neo-kolonialisme' als er eens wat Nederlandse mariniers worden gestuurd, zich op de verkeerde vijand richten. Het echte probleem zit in de internationals: "Het zijn grote maatschappijen zonder vaderland, waarvan ontwikkelingslanden op leven en dood afhankelijk zijn. Suralco of Shell zijn feitelijk niet aan een natie gebonden en daarom zijn ze heel wat machtiger dan een voormalige koloniale mogendheid als Nederland."

Labels: , , , ,

14.4.07

Frans de Waal. De aap in ons. Waarom we zijn wie we zijn. Amsterdam/Antwerpen: Contact, 2006 (2005).

De aggressieve chimpanzee staat niet het dichtst bij ons van alle primaten; de vredelievende bonobo komt even dicht in de buurt. Bij chimpanzees draaien de sociale structuren om de mannetjes met hun onderlinge machtsgevechten; bij bonobo's gaat het om de vrouwtjes die alles met verzoening en seks oplossen. Wij mensen hebben twee spiegelbeelden, zijn 'bipolaire' apen en kunnen veel over ons zelf leren door naar beide voorouders te kijken.

Dat is de strekking van De aap in ons van de Nederlands-Amerikaanse aapkundige Frans de Waal, van wie ik eerder The ape and the sushimaster las. Ik wilde bijna schrijven dat dit laatste boek op mij veel meer indruk maakte, maar ik lees nu in mijn bespreking van toen dat ik van dat boek ook helemaal niet zo weg was. Gek is dat, ik herinner me het veel positiever.

Laat ik daarom nu maar documenteren dat ik De aap in ons ook niet zo'n geweldig boek vind. Het is een beetje rommelig gestructutreerd, verschillende beweringen komen enkele malen terug, en je hebt het idee dat het kernidee ook wel wat kernachtiger had kunnen worden uitgedrukt: niet in een boek van 250 pagina's, maar van 125 of daaromtrent. Ik vind dat kernidee ook nog eens niet zo sterk. Kennelijk hebben de chimpanzee en de bonobo een gemeenschappelijke voorouder (Pan) en is de homo sapiens eerder afgesplitst. Het is daarmee helemaal niet zo duidelijk dat de mens tussen die andere twee in zou moeten staan, en dat maakt het hele zoeken van vergelijkingen eigenlijk niet veel meer dan een spelletje. Tegelijkertijd neem je die apen daarmee niet zo heel erg serieus, als je hun gedrag alleen maar beschrijft in zoverre het betrekking heeft op de mens.

Er kwam nog een ergernisje bij doordat ik het boek in vertaling las, en die vertaling is heel slecht. Niet alleen doordat de vertaler denkt dat 'liberals' hetzelfde is als 'liberalen', of 'scientists' hetzelfde als 'wetenschappers' (zodat De Waal lijkt te beweren dat hij op een congres van postmodernistische geleerden een van de weinige wetenschappers was), maar ook doordat allerlei voor de Nederlandse lezer overbodige mededelingen over het geboorteland van de auteur, of voor niet-Engelstaligen overbodige toevoegingen zoals dat het woord voor 'tongzoen' verwijst naar Frankrijk, gewoon zijn blijven staan. Het boek maakt daarmee een beetje een achteloze indruk.

Labels: , , ,

24.3.07

Lee Smolin. The trouble with physics. The rise of string theory, the fall of a science, and what comes next. London: Allen Lane, 2006.

De theoretische natuurkunde is in de loop van de twintigste eeuw het model voor alle andere wetenschappen geworden: geen enkele andere wetenschap is zo diep, zo precies, zo rijk, en staat zo dicht bij de uiteindelijke oplossing. Iedere zichzelf serieus nemende wetenschap heeft methoden van de natuurkunde geleend, of wil zichzelf uiteindelijk tot de natuurkunde reduceren.

Maar de natuurkunde is nog lang niet af, en Lee Smolin is bang dat dit ook nog wel even zal duren. Volgens hem is het vak in de afgelopen dertig jaar niet vooruitgekomen: de grote problemen van toen zijn de grote problemen van nu. Er is eigenlijk niets opgelost, anders dan in de tweehonderd jaar ervoor.

Zelden zijn me zoveel dingen duidelijk geworden uit een boek: hoe de natuurkunde zich in de loop van tweehonderd jaar ontwikkeld heeft, wat de problemen zijn van de snaartheorie, wat voor alternatieven er mogelijk zijn, en vooral, wat er eigenlijk mis is met de natuurkunde en misschien wel met alle wetenschap: er is op de (Amerikaanse) universiteit eigenlijk alleen nog maar ruimte voor mensen die 'normal science' doen — mensen die technisch vaardig zijn, waanzinnig goed kunnen rekenen, zonder dat ze al te origineel hoeven zijn. De snaartheorie houdt die mensen gevangen, en heeft daarmee het hele debat over de fundamenten van de natuurkunde gekaapt. De echte doorbraken zijn daardoor uitgebleven.

Veel mensen die in de academische wereld werken kunnen daarmee waarschijnlijk instemmen: het onderzoek wordt steeds meer aan regels en prestatiecriteria gebonden, en dat levert ongetwijfeld allemaal keurig werk op, maar er is meer nodig dan keurig werk: we hebben doorbraken nodig.

Labels: , ,

18.3.07

Erwin Mortier. Avonden op het Landgoed. Op reis met Gerard Reve Amsterdam: De Bezige Bij, 2007

'Op reis gaan met Gerard Reve doe je niet voor je plezier', zegt de oude Reve tegen de jonge schrijver Erwin Mortier. In dit boekje laat Mortier zien hoe waar dat was in 1997, als hij met zijn vriend een tijdje met Reve meegaat naar diens Geheime Landgoed. Dat Landgoed blijkt al geen pretje, een onherbergzame bunker, en de schrijver is vrijwel de hele tijd dronken, onaangenaam, handtastelijk en vervelend.

Het boek is, ondanks alle onprettige herinneringen, toch vooral warm. En in de tweede plaats is het ook uitzonderlijk goed geschreven: wat een fraaie stijl heeft die Mortier.

Daarnaast leer je Reve ook echt wel wat beter kennen. Althans, als je zijn werk goed leest, herken je wel veel van zijn waanzin — maar uit dit boek leer je dat de schrijver ook echt in zijn dagelijks leven zo kon zijn: als Treger in Bezorgde Ouders, monomaan, racistisch, kwaadaardig, jaloers, sadistisch. Maar de merkwaardigste ontdekking die Mortier dan doet: dat Reve de knop ook om kan zetten. Als de jonge vrienden het niet langer uithouden en aankondigen dat ze definitief weggaan, verandert de dronkenlap ineens in een redelijke man die hen met goede argumenten probeert te weerhouden om hem te verlaten.

Van Reve besprak ik hier Oud en eenzaam en Het Boek van Violet en Dood, die zich beide bij het Landgoed afspelen.

Labels: , ,

Geert Mak. De brug. Amsterdam: CPNB, 2007.

In zijn eerste boek over de geschiedenis van Amsterdam introduceerde Geert Mak een mooie techniek: aan de hand van een heel kleine plek, zijn eigen huis, construeerde hij een grotere geschiedenis. In wat geloof ik zijn eerste grote klapper was, Hoe God verdween uit Jorwerd, deed hij het nog een keer, maar nu met een Fries dorpje.

De laatste jaren slaat Mak zijn vleugels uit, en kijkt hij meer over de grenzen. Nu heeft hij zijn beproefde techniek toegepast op een brug in Istanboel. Het resultaat is een mooi boekje — mooier dan het boek van de Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk over hetzelfde onderwerp.

Ik kon dit boekje in eerste instantie bijna niet lezen zonder te denken aan de pamfletten die Mak de laatste jaren schreef, waarin hij — misschien onhandig — opriep tot meer begrip voor de moslims. Uit dit boekje kom je veel te weten over hoe Turken in het leven staan en wat hen drijft. Toch vergeet je die pamfletten weer als je doorleest: de verhalen over individuele mensen zijn er te mooi voor. Wat is het toch fijn dat Geert Mak nooit toegeeft aan de verleiding om een roman te schrijven — dat zou nooit zo geslaagd kunnen zijn als zijn nonfictiewerk. Wat fijn dat de CPNB nu ook zo'n goed nonfictieboek tot boekenweekgeschenk wil maken.

Labels: , , , ,

1.3.07

Diane Coyle. The Soulful Science. What Economists Really Do and Why it Matters. Princeton and Oxford: Princeton University Press, 2007.

Diane Coyle heeft een doctoraat van Princeton in de economie en een missie: ze wil de wereld laten zien dat economen heus niet van die droge nerds zijn die meer ge�nteresseerd zijn in wiskundige modellen dan in de alledaagse werkelijkheid. Dat er de afgelopen twintig jaar van alles aan het vak veranderd is. En dat economen soms heel maatschappelijk ge�ngageerd zijn.

Coyle weerlegt daarmee allerlei vooroordelen waarvan ik niet eens wist dat ik die had. In het begin van dat boek is dat een beetje irritant, het is alsof iemand je huis komt binnenstormen om je uit te leggen dat ze heus niet slecht is. Maar gaandeweg begon Coyles verhaal me meer te interesseren, vooral omdat het nebenbei een aantal vragen beantwoordt die wel al in me opgekomen waren. Vooral begreep ik eigenlijk nooit zo goed wat nu eigenlijk de relatie is met aanpalende vakken, zoals sociologie, maar vooral psychologie en biologie. De economische wetenschap gaat immers over menselijk gedrag, dus je zou verwachten dat daar een verband ligt met die andere wetenschappen; maar wat dat verband precies was, daarover had ik tot nu toe niet veel gehoord. Coyle gaat wel op dit soort vragen in, al is het zijdelings. (Mijn eigen idee, niet per se dat van Coyle, is dat de economie specifiek gaat over het rationele deel van de menselijke cognitieve vermogens.)

Coyles boek is daarmee een complement voor Freakonomics: dat laatste boek beschrijft de (micro-)economie vooral als een verzameling methoden, The Soulful Science gaat meer in op het onderwerp van onderzoek, op de vragen die (macro-)economen tegenwoordig bezighouden. Ik begin het al bijna interessant te vinden, die economie.

Labels: , ,

Peter Hofman. Lichtschikkend en zingend. De jonge Lucebert. Amsterdam: De Bezige Bij, 2004.

Over een paar weken ga ik een lezing geven over het werk van Lucebert. Nu gaat die lezing helemaal niet over 's mans leven, maar ik vond dat ik daar toch wat meer van moest weten. Dit boek geeft een heel helder beeld van de jonge man die Lucebert ooit was.

Gelukkig voor mij bleek Lucebert weinig op te hebben met het biografische: 'signalement onbekend' liet hij opnemen als persoonsbeschrijving in een vroege bloemlezing van werk van de Vijftigers. Toch is het om andere redenen een interessant boek. Wat een man was die Lucebert: wat een persoonlijkheid. Hoe kan iemand zo overtuigd zijn van zijn eigen talent dat hij bereid is daarvoor jarenlang in armoedige omstandigheden te leven, zich de opdringerigheden van allerlei uitkeringsambtenaren te laten welgevallen en ook niet ontmoedigd te raken van afwijzingen van galeriehouders en uitgevers? En dat dan ook nog voor een man uit een gezin dat helemaal niets in kunst zag? Waar komt zoveel innerlijke kracht vandaan? Hoe weet je dat het geen onzin is die je najaagt?

Labels: , , ,

23.1.07

Bart Middelburg en Paul Vugts. De oorlog in de Amsterdamse onderwereld. Amsterdam: Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2006.

Ik werk aan de Joan Muyskenweg in Amsterdam. Vroeger was aan die weg kennelijk ook een Nissan-handel gevestigd, totdat de eigenaar werd doodgeschoten. Zoals er later — namelijk in de afgelopen paar jaar, terwijl ik af en toe ook in Amsterdam rondliep en dit deed en dat, wel meer mensen werden omgelegd, door een Hollandse maffia.

Het is vreemd om te lezen over levens die zo dicht bij het jouwe staan en er toch zo ver vanaf liggen. In De oorlog in de Amsterdamse onderwereld wordt bijvoorbeeld verteld over Ron Rothert, die zijn carriè doctorandus in de economie en leraar op een middelbare school, en later samen met de bloemenhandelaar Ronnie Ondunk waarschijnlijk een grootschalig witwasbedrijf opzette waarbij de bomen tot in de hemel groeide. Ondunk werd geliquideerd, en tegenwoordig maakt Rothert dvd's over ponyrijden voor kinderen.

Wat beweegt zo'n man? Dat kom je uit dit boek niet zo erg te weten, want de auteurs zijn meer geïnteresseerd in het ontrafelen van de enorme netwerken van de Amsterdamse onderwereld. Het begint je dan ook al snel te duizelen, met al die personen die allerlei relaties hebben met allerlei andere personen: vrijwel geen enkele liquidatie is ooit opgelost, en uit dit boek begrijp je dat dit komt doordat alle vermoorden ruzie hadden met heel veel verschillende mensen. Er zijn over het algemeen wel drie of vier theorieën over een moord — en nauwelijks een overtuigend bewijs.

Labels: ,

4.1.07

Daniel Gilbert. Stumbling on happiness. London: HarperPresss, 2006.

"Fantastic", roept Steve Levitt uit op het omslag van dit boek. En: "Ceaselessly entertaining". Levitt is een van de auteurs van Freakonomics, een boek dat ik niet zo lang geleden las, en niet tot mijn verdriet. Toch heeft die flaptekst aantoonbaar geen effect gehad op mijn koopgedrag: toen ik Stumbling on happiness aanschafte, kon ik die woorden niet eens lezen, want het omslag was een klein plaatje op Amazon. Eigenlijk heb ik dit boek alleen gekocht omdat de internetboekhandel een voordelige package deal aanbood met het boek The Happiness Hypothesis van Jonathan Haidt.

Het heeft enige tijd geduurd voordat ik het boek begon te lezen, en daar waren twee redenen voor, die allebei achteraf onzinnig zijn. De eerste reden was dat ik net het boek van Haidt gelezen had, en bang was dat dit iets soortgelijks zou zijn. Stumbling on happiness gaat maar ten dele over het geluk. Het gaat vooral over iets anders: over hoe onze hersenen ons de hele tijd bedriegen, zodat we nauwelijks kunnen voorspellen wat ons precies gelukkig of ongelukkig zal maken, of wat ons in het verleden gelukkig of ongelukkig heeft gemaakt. Hij heeft spectaculaire kleine voorbeelden: stel je voor dat je morgenavond spaghetti zou eten, zou je dat dan lekker vinden? Het rare is dat ieder mens zich bij die vraag meteen een concreet bord met spaghetti begint voor te stellen, inclusief een bepaald soort saus en ook een setting waarin die spaghetti gegeten wordt. Het antwoord op de vraag of je dat lekker zou vinden, is afhankelijk van allerlei van dat soort details, maar dat besef je eigenlijk niet eens als je daarover nadenkt.

Een grappig verschil tussen de twee boeken: uit wat Haidt schrijft kun je concluderen dat het je genen zijn die je ongelukkig maken, omdat ze je bijvoorbeeld kinderen laten krijgen. Voor Gilbert zijn het de maatschappij en de economie die ons dat soort idee�n opdringen: een samenleving waarin dat idee niet wordt overgedragen, heft zichzelf op. Beide auteurs gebruiken het idee van de evolutie, maar voor Haidt zijn het de kleine genen en voor Gilbert de grote economie die de mens tegen zijn eigenbelang in laten rennen.

De tweede reden was dat ik een paar kleine stukjes in Gilberts boek gelezen had en dacht dat het té luidruchtig grappig zou zijn. Dat is niet het geval. Wel maakt Gilbert allemaal grapjes waar ik niet echt om hoef te lachen, maar alles bij elkaar spat er toch vooral het plezier vanaf om te mogen schrijven: "My friends tell me that I have a tendency to point out problems without offering solutions, but they never tell me what I should do about it."

Labels: , ,