24.1.10

Multatuli. Duizend en eenige hoofdstukken over specialiteiten. Gutenberg Project, 2004 (1871). http://www.gutenberg.org/etext/10664

Multatuli. Duizend en eenige hoofdstukken over specialiteiten.

Multatuli, zonder veel competitie de belangrijkste Nederlandstalige schrijver van de negentiende eeuw, kon enorm zeuren. Sommige gedeelten vooral aan het begin van de Specialiteiten zijn behoorlijk langdradig, als hij maar eindeloos blijft herhalen dat echte specialisten, mensen die echt iets weten van binnen en van buiten, natuurlijk nooit in de Tweede Kamer willen, en de mensen die dat wel willen daarmee dus eigenlijk al een brevet van onvermogen geven, en we ook eigenlijk helemaal geen specialisten willen hebben in de Kamer, en ga zo maar door.

Af en toe maakt hij uitstapjes om over allerlei mensen die niet in de Kamer zitten te foeteren, zoals bijvoorbeeld over de taalgeleerden De Vries en Te Winkel die indertijd enkele spellingvereenvoudigingen voorstelden (om bijvoorbeeld geen zoo meer te schrijven, of om schildwacht voortaan als een vrouwelijk woord voor te stellen. Niet dat Multatuli het met die spellingwijzigingen oneens was, maar hij verweet die brave De Vries en Te Winkel als ik het goed begrijp dat ze hun voorstellen zo omzichtig en voorzichtig deden.

Maar gaandeweg komt Multatuli op dreef en verlaat hij de prietpraat om een steeds vlammender en romantischer betoog op te zetten tegen de prietpraat; een wereldbeeld waarin je je niet angstig moet verschuilen achter het kleine vakje van de maatschappij waar jij je zogenaamd op hebt toegelegd en waar niemand je echt kan bekritiseren omdat niemand er zoveel van afweet als jij, maar waarin 'de roeping van de mens [is] mens te zijn', een volledig, naar alle kanten ontwikkeld, volwassen mens, die ergens durft te staan en ook de specialisten durft te beoordelen, in ieder geval waar het gaat om zaken van algemeen belang.

Die moed om een volwaardig mens te durven zijn, was natuurlijk een van Multatuli's grote thema's -- de moed om niemand te volgen, maar op jezelf te durven staan (waarbij het dan weer wel nodig was om Multatuli zelf goed te volgen en te bestuderen, want het wemelt van de verwijzingen naar eigen werk, die je eigenlijk allemaal zou moeten opzoeken).

Onwillekeurig vroeg ik me af in hoeverre Multatuli's onvrede over de Nederlandse samenleving iets kan zeggen over het moderne ongenoegen van veel meer mensen over de samenleving. Er zijn wel overeenkomsten. Ook nu wordt er wel veel gemopperd over de 'elite' die de dienst uitmaakt op basis van een masterdiploma, het moderne brevet van specialiteitendom. En jezelf durven staan staat ook al hoog in het vaandel. Helaas ontbreken er dan wel bij al die mopperaars en zelfverwerkelekers (en ook bij mij en iedereen) twee dingen die Multatuli wel had. Allereerst de originaliteit om dan ook werkelijk een persoon te zijn met oorspronkelijke eigen meningen, hoe irritant die soms ook zijn. En in de tweede plaats een steeds weer verbazingwekkende schrijfstijl.

Labels: , ,

13.1.10

Michel de Montaigne. Les Essais. Livre I. Nantes: Guy de Pernon, 2009 (1595).

Michel de Montaigne. Les Essais. Livre I.

Vertaling: Guy de Pernon. Te downloaden op de website van de vertaler

Hoe doen die mensen dat toch die altijd alles al gelezen hebben? Die eigenlijk alleen maar bezig zijn de klassiekers te citeren alsof ze deze altijd al paraat hadden en deze nu te hooi en te gras te berde kunnen brengen?

Ik ben 42, en beslist geen veellezer, maar ik lees toch ook echt niet minder dan gemiddeld, en heb een heleboel klassiekers nog nooit echt gelezen. De essays van Montaigne bijvoorbeeld. Als ik die als zeg 23-jarige onder ogen had gekregen, dan had ik ze ongetwijfeld nu al een aantal keren gelezen, want ze zijn prachtig. Er staat een man voor je, een man van lang geleden (dat is een van de aantrekkelijke kanten, dat het een man van lang geleden is die je aanspreekt alsof hij bij jou om de hoek woont) die bijvoorbeeld vertelt dat rare luchtjes lang in zijn neus blijven hangen, omdat hij een snor heeft: als hij zijn handschoenen bij zijn neus houdt, blijft hij die geur de rest van de dag ruiken. Daardoor zit je in het hoofd, nee, in het lichaam van deze zestiende-eeuwse burgemeester van Bordeaux, en dat is een prettige ervaring.

Hij bereikte dat vooral doordat hij zich zo bewust was van de bijzonderheden van zijn eigen cultuur: een van de beroemdste essays, 'over de kannibalen' beschrijft hoe je dingen ook volkomen anders kunt zien, hoe gewone zaken ineens vreemd worden, als je ze bekijkt vanuit een geheel andere cultuur. Hoe iemand hem er ooit opmerkzaam opmaakte, hoe vreemd de Franse gewoonte is om je neus te snuiten in een zakdoek: voor geen enkele andere afscheiding van het menselijk lichaam geldt dat we hem opvangen in tekstiel en hem dan zorgvuldig bij ons steken.

Ik heb het eerste deel van de Essais gelezen in een hertaling in modern Frans die door een gepensioneerde Franse professor (Guy de Pernon) op het internet is gepubliceerd. Montaignes Frans is net iets te hooggegrepen, maar Pernon heeft er heel prettig leesbaar modern Frans van gemaakt:

Si on insiste pour me faire dire pourquoi je l'aimais, je sens que cela ne peut s'exprimer qu'en répondant: "Parce que c'était lui, parce que c'était moi."

Si le mal de tête nous venait avant l'ivresse, nous nous garderions de trop boire!

La gloire et le repos sont des choses qui ne peuvent loger sous le même toit.

Montaigne was trouwens zelf ook zo'n vreemde lezer die alles al gelezen leek te hebben. Hij haalt voortdurend Cicero en Horatius en Lucretius en Plutarchus aan, maar over een nieuwe leeservaring vertelt hij nooit iets. Hij vertelt wel dat zijn vader hem door een leraar in het Latijn liet opgroeien, zodat dit min of meer zijn moedertaal werd en de Metamorphoses van Ovidius zijn kinderboek. Zo'n lezer leek hij dus te zijn: iemand die het allemaal als kind al eens gelezen had, en nu alleen nog terugkeerde naar zijn geliefkoosde boeken. Dat is een mooi lezersleven, maar ik wil toch af en toe ook wel iets nieuws ontdekken: zoals de andere twee delen Essais.

Labels: , ,

17.12.09

Gerrit Komrij. Papieren tijgers. Amsterdam: De Arbeiderspers, 1978.

Gerrit Komrij

Van Gerrit Komrij heb ik bijna alle boeken, of in ieder geval de boeken die verschenen zijn tot ergens begin jaren negentig. Hij was de eerste Nederlandse levende dichter met wie ik een beetje dweepte, als scholier heb ik ooit de premiere van een toneelstuk van hem bijgewoond. Ik leerde gedichten van hem uit mijn hoofd en probeerde te schrijven zoals hij. Op een zeker moment kwam daar verandering in. Niet omdat er iets gebeurde, maar omdat ik mijn belangstelling verloor, zonder dat ik zelfs kan zeggen waarom. Ik heb nog steeds als zijn oude boeken, maar zijn nieuwe boeken heb ik niet meer.

Tussen die oude boeken ontbreekt Papieren tijgers. Ik heb het ooit gehad, maar het is verdwenen, mogelijk heb ik het ooit uitgeleend of ergens laten liggen. Nu heb ik het dan herlezen en wel om te vieren dat ik een nieuw stuk speelgoed heb: een e-book reader. Van de website van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren heb ik het gedownload, in de vorm van drie pdf's (1, 2, 3). En toen heb ik voor het eerst een heel boek dat niets met mijn werk te maken had vanaf een schermpje gelezen! Wat een prachtige uitvinding, zo'n e-book reader. Het leest echt bijna net zo prettig als een papieren boek.

En dan maakte ik ook nog tussen neus en lippen door hernieuwd kennis met een boek dat ik misschien al vijftien jaar niet meer had aangeraakt, terwijl ik het daarvoor enkele malen gelezen moet hebben. Ik kon me sommige stukken nog herinneren - de hilarische humor, en vooral de woedende aanklacht tegen Scientology, die Komrij in latere stukken zou voortzetten -, maar andere niet meer. Dat komt onder andere doordat mijn smaak duidelijk veranderd is. Grote stukken van Papieren tijgers vond ik nu flauw: waarom is het nodig om bijvoorbeeld boulevardblaadjes aan te vallen? Of om F.B. Hotz op te hemelen? Van de afgekraakte debutanten kan ik er nu nog slechts een terugvinden op Google: Roeland Kerbosch, tegenwoordig eigenaar van een BV in de filmindustrie. De stukken zijn allemaal brilant geschreven en daardoor heel amusant, maar ook te ironisch om de lezer echt te raken ('Eer zal ik kakken in mijn hoed / dan dat ik u mijn ziel blootleg / en zeg wat ik nu lijden moet', dat was toch wel Komrijs lijfspreuk).

Maar dan eindigt het boek ineens prachtig, met essays die indertijd helemaal niet hebben mogen beklijven: een aantal artikelen over de negentiende-eeuw en dan vooral het allerlaatste artikel over enkele totaal en terecht vergeten dichters uit de arbeidersklasse, die zich vooral voegden naar de status quo en daardoor door de dominee, de dokter en de notaris in het hart werden gesloten. Weg is hier ineens de ironie, hier rijst Komrij ineens met al zijn belezenheid, zijn verontwaardiging en zijn goede smaak op van het grijze schermpje van de e-book reader.

(Zie Achille van den Branden en Boeklog voor heel andere manieren om dit boek te lezen.)

Labels: , , , ,

13.12.09

Connie Palmen. Het geluk van de eenzaamheid. Amsterdam: Athenaeum - Polak & Van Gennep, 2009.

Connie Palmen. Het geluk van de eenzaamheid. Hoe serieus kun je iemand nemen die in vale lompen gehuld pleit voor smaakvoller kleedgewoonten? "De paradox van de stijl", schrijft Connie Palmen in een van de lelijkere passages van haar 'essay' Het geluk van de eenzaamheid, "kenmerkt zich door dezelfde dubbelzinnigheid die ten grondslag ligt aan wat ik als het persoonlijke bestempel: wat markant en eigen is aan onszelf is deels het resultaat van het onzichtbare werk van onpersoonlijke ficties."

Ik vind Het geluk van de eenzaamheid lelijk op bijna ieder niveau dat ik kan bedenken. De individuele zinnen zijn lelijk, er is nauwelijks sprake van enige compositie, doordat er geen voorbeelden worden genoemd en de discussie heel abstract blijft, begint de persoonlijkheid van de auteur nergens echt te leven, en dat alles dus in een pleidooi voor stijl, voor compositie, voor doordenken, en voor persoonlijkheid.

Inhoudelijk lijkt het me ook nog eens romantische onzin: denken dat stijl en persoonlijkheid hetzelfde zijn, dat je in een schrijver die je bevalt een vriend ontdekt. Ik denk dat ik na dit essay geen boeken van Connie Palmen meer zal willen lezen, maar ik heb geen idee of ik haar wel of niet aardig zou vinden in het dagelijks leven.

De recensies die ik heb gelezen, laten dit boekje een polemiek zijn, met Thomas Vaessens, de hoogleraar literatuur die de literatuur zou verkwanselen, en Herman Koch, die een epigoon van J.D. Salinger zou zijn. Ik lees dat er niet zo in (naar Koch wordt inderdaad wel een keer tamelijk expliciet verwezen) en vind het ook niet zo interessant. Eigenlijk vraag ik me sowieso af waarom die hele discussie over hogere en lagere cultuur mij als eenvoudige lezer zou moeten interesseren. Is er een gevaar? Madame Bovary, Don Quichotte en de boeken van Philip Roth (enkele van Palmens voorbeelden) zijn bij iedere beter gesorteerde boekwinkel, en in ieder geval via internet, vrij gemakelijk te verkrijgen. Voor een schrijfster als Palmen, wiens vroege succes op het eerste gezicht vooral te maken had met buitenliteraire factoren, is het misschien belangrijk om haar markt te bevechten. Maar waarom doet ze dat niet door wat mooie boeken te schrijven?

Labels: ,

11.11.09

Willem B. Drees. Religion and Science in Context. A Guide to the Debates. London and New York: Routledge, 2010.

Willem B. Drees. Herztier "God maakte de twee grote lichten," zegt de bijbel, "het grootste om over de dag te heersen, het kleinere om over de nacht te heersen, en ook de sterren." De Leidse sterrenkundige Vincent Icke beweerde in Mare dan weer iets heel anders: "Vroeger dachten mensen dat de zon bijzonder was," sprak hij, "maar dat is niet zo; er zijn miljarden sterrenstelsels met elk miljarden sterren, en daar zitten er een hoop bij die op onze zon lijken."

Hoe nu? Wie heeft er gelijk — de bijbel, de professor, allebei of geen van beiden? Wie over dat soort kwesties nadenkt, moet het recente boek Religion and Science in Context lezen, dat geschreven is door Willem B. Drees, hoogleraar godsdienstfilosofie en ethiek en tegelijkertijd vicedecaan aan onze faculteit. Drees, die ooit een doctoraal in de natuurkunde deed, heeft veel nagedacht over de complexe relatie tussen de twee gebieden van het leven en doet in dit korte, heldere boekje verslag van dat denken.

A Guide to the Debates is de ondertitel van het boek dat allerlei aspecten van de ingewikkelde relatie laat zien: het wantrouwen van sommige gelovigen tegen de wetenschap, het wantrouwen van sommige wetenschappers tegen het geloof; het misbruik dat bepaalde gelovigen maken van vaak verkeerd begrepen wetenschap; de gezamelijke strijd van geloof en wetenschap tegen 'bijgeloof'.

Een nuttig onderscheid vond ik dat tussen doctrine, mythe en ritueel. Waarschijnlijk is dat eerstejaarsstof bij godsdienstwetenschap, maar ik had er nog nooit bij stilgestaan dat dit de drie aspecten zijn waarmee godsdiensten het leven van de gelovigen kunnen veraangenamen. Ik vat het in mijn eigen woorden samen. De doctrine geeft een kosmologie, een alomvattend verhaal over hoe de wereld in elkaar zit en waarom. De mythe geeft het esthetische genot van het mooie verhaal. Het ritueel geeft het houvast en de structuur aan het dagelijks leven.

Het ligt voor de hand dat de godsdienst het meest in conflict is met de natuurwetenschap op het gebied van de kosmologie. Je kunt best overdag in het laboratorium staan en 's avonds in de Ramayana lezen of een koosjer broodje pekelvlees eten. Maar wat de bijbel en Vincent Icke over de zon beweren kan in ieder geval niet op dezelfde manier waar zijn.

Religion and Science in Context is geschreven vanuit een christelijk standpunt. Er wordt weliswaar een paar keer gerefereerd aan islamitische of boedhistische visies of problemen, maar overwegend gaat het toch over een christelijke manier van kijken. Ongelovigen komen er nog iets bekaaider vanaf. Enigszins storend in dit verband vind ik het onderscheid dat Drees maakt tussen 'lui agnosticisme' ('not seeking to explore and understand as much as possible') en 'serieus agnosticisme' ('opting for epistemic modesty'). Ik weet niet of het nodig is om mensen die zich niet per se bezighouden met bepaalde vragen meteen 'lui' te noemen. Opvallend is vooral dat er geen gewag wordt gemaakt van 'luie gelovigen', terwijl je je daar toch ook iets bij zou kunnen voorstellen – mensen die voor het gemak maar aannemen wat hen door meneer pastoor wordt verteld, 'not seeking to explore and understand as much as possible'. Ik heb het gevoel dat in zulke passages de auteur voor heel even zijn neutraliteit verliest.

Labels: , ,

10.10.09

Virginia Woolf. A Room of One's Own. London: Penguin, 2000 (1928)

Virginia Woolf. A Room of One's Own.Hoe komt het dat vrouwen tot het begin van de twintigste eeuw nauwelijks grote literatuur schreven? Doordat ze geen eigen kamer hadden en onvoldoende eigen financiële middelen. Dat is de bijna marxistische slogan die Virginia Woolf in dit beroemde essay een aantal keer naar voren brengt. Maar wie doorleest, merkt dat de analyse veel complexer is.

A room of one's own is een essay dat voldoet aan het soort regels dat ik op school geleerd heb voor het essay: een persoonlijke gedachtegang wordt in prachtig Engels uiteengezet, en de schrijfster deinst er niet voor terug erbij te vertellen waar ze hoe op welke gedachte is gekomen en wat ze toen at, en evenmin is ze bang zichzelf tegen te spreken.

A room of one's own is prachtig.

Omdat vrouwen nooit de kans hebben gekregen te schrijven - Woolf bespreekt enkele prangende gevallen van Britse vrouwen die prachtig werk hadden kunnen leveren als de omstandigheden anders waren - is er ook geen traditie van vrouwelijk proza, van een ongedwongen vrouwelijke zin. Zo'n traditie moet nog helemaal worden opgebouwd, zegt Woolf, want vrouwen hebben niets aan de mannelijke traditie. Dat is een gewaagde stelling: want als vrouwen zo anders zijn dan mannen, hoe weten we dan zo zeker dat vrouwen überhaupt ooit kunnen schrijven?

Woolf levert zelf het bewijs, door weergaloze zinnen te schrijven:

I could not possibly go home, I reflected, and add as a serious contribution to the study of women and fiction that women have less hair on their bodies than men, or that the age of puberty among the South Sea Islanders is nine—or is it ninety?—even the handwriting had become in its distraction indecipherable.

En verder door een essay te schrijven over fictie, en daar dan fictie doorheen te vlechten. De zuster van Shakespeare zal nooit meer vergeten worden.

Labels: ,

3.7.09

George Orwell. In Defence of English Cooking. London: Penguin, 2005.

George Orwell. In Defence of English Cooking Hoe kan het dat mensen - en vooral intellectuelen - de eenvoudige werkelijkheid niet zien hoe duidelijk die niet is? Hoe kan het bijvoorbeeld dat Europese communisten in de jaren veertig niet inzagen dat Rusland alleen nooit van Nazi-Duitsland had kunnen winnen? Dat is een vraag die George Orwell, van wie in dit boekje enkele essays verzameld zijn, zijn levenlang lijkt te hebben beziggehouden.

Orwell wordt algemeen beschouwd als een belangrijke Engelsalige essayist, maar een van zijn grootste bewonderaars is waarschijnlijk Noam Chomsky, zelf een niet onbelangrijk politiek denker. Hij heeft de term Orwell's Paradox bedacht voor die onverklaarbare onwetendheid van mensen die beter zouden moeten weten. Tegelijkertijd vallen me, als ik Orwell's essays met Chomsky's ogen lees, toch ook wel op dat de twee denkers het op een aantal punten grondig oneens moeten zijn. Zo is Orwell in deze essays voor alles een individualist, iemand die het 't allerbelangrijkst vindt dat de mens voor zichzelf denkt, zijn eigen mening vormt en zich daarbij zo weinig mogelijk aantrekt van anderen. Chomsky trekt zich in de praktijk ook bijzonder weinig aan van wat anderen vinden, maar lijkt toch ook af en toe wat ideologischer. Volgens Orwell bestaat er bijvoorbeeld een vorm van nationalisme die zich tegen het eigen land keert, en vooral kritiek op het eigen land en het eigen systeem keert. Daar is Chomsky vaak van beschuldigd -- en hoewel daar meer over te zeggen valt, krijgt de lezer van Chomsky inderdaad soms het gevoel dat de Amerikaan er bijzonder genoegen in lijkt te scheppen het feilen van Amerika aan te wijzen.

Maar uiteindelijk zijn allebei de denkers vooral graag dwars. Orwell is daarbij af en toe wat frivoler en haalt dan zijn gelijk in een verdediging van de Engelse keuken, waarvan hij overtuigend aantoont dat die helemaal niet zo slecht is, zolang je hem niet in de duurdere restaurants zoekt, maar bij de Engelsen thuis.

Labels: ,

8.4.07

Menno ter Braak. Mephistophelisch. Ursa Minor, 1937.

'Wat is mephistophelisch?' vraagt Menno ter Braak in de opdracht van dit essay, of eigenlijk van dit boekje met een aantal kleine brokstukken essays, columns, zo je wilt. 'Dat men niet vondelt? Dat men zich niet vereenzelvigt met een zijner specialismen?' Dat zijn retorische vragen, en Ter Braak liet zich in dit boekje van zijn mefistofelische kant zien. Dat was een fraaie kant: Mephistophelisch staat vol aardige observaties, en is prettig ondogmatisch. Veel is ook nu nog van toepassing, misschien met een paar aanpassingen. Over 'het spellingprobleem' merkt Ter Braak bijvoorbeeld op dat men dit mag beschouwen "als een symptoom van die neiging om zich te onderscheiden van anderen [...] De spellingquaestie is dan ook nooit een zuiver wetenschappelijke queaestie geweest; altijd hebben nevenmotieven, berustend op een verlangen naar onderscheidingsteekenen, de hoofdrol gespeeld. De spelling Kollewijn heeft jaren lang (nu begint het te minderen) flinkheid, frischheid, vooruitstrevendheid, socialisme, geheelonthouding, rein leven e.d. moeten symboliseren; men kon die 'vrolike mensen' reeds uit de verte zien aankomen, eer zij zich nog schriftelijk hadden uitgedrukt."

Prettige schrijver — moet ik meer van lezen.

Labels: ,

16.2.07

Alain de Botton. Essays in Love. Oxford: Picador, 2006 (1993).

Een man ontmoet een vrouw, ze worden verliefd op elkaar, ze krijgen een relatie, het gaat uit. Dat is het verhaal van Essays in Love, en dan heb ik het nog niet eens zo heel erg ingekort. Toch is dit een van de charmantste en elegantste boekjes die ik in lange tijd gelezen heb. De Botton doorspekt zijn verhaal met allerlei korte beschouwingen over de liefde: waarom wordt hij zo woedend als zij de 'verkeerde' schoenen heeft gekocht, terwijl het hem niets kan schelen dat zijn melkamn op nog veel raardere stappers rondloopt? Wat is het belang van bijnamen? Hoe lijkt iemand die voelt dat hem de liefde ontglipt op een terrorist?

Deze versie van dit boek is onlangs door De Botton lichtelijk herschreven: de eerste versie schreef hij toen hij een jonge twintiger was, en inmiddels is de schrijver ook alweer kaal en ergens in de dertig.

Ik zou nu eigenlijk wel willen weten waar deze versie verschilt van die eerdere, want deze lijkt me af en toe behoorlijk wijs voor iemand van 23. OF, nou ja, ik weet ook eigenlijk niet meer wat ik zelf allemaal dacht in die tijd; en ik weet ook niet of ik nú wel zo goed zou kunnen observeren als De Botton: al die kleine details van de gemoedstoestand, die je meteen weer vergeet omdat je overgaat in een andere gemoedstoestand: als je het leest denk je 'oh ja', maar hoe onthoud je het als niemand ooit eerder Essays in love schreef?

Labels: , ,

23.11.06

Gerrit Krol. Beitelen aan de eeuwigheid. Essays. Amsterdam: Em. Querido, 2006.

Gelukkig publiceert Gerrit Krol nog af en toe boeken, al heeft hij een tijdje aangekondigd dat hij niet meer schrijven kan vanwege Parkinson. Beitelen aan de eeuwigheid bevat essays die grotendeels eerder in de krant zijn verschenen, over Krols lievelingsonderwerpen: de relatie tussen alfa- en betakennis, de doodstraf, de wiskunde. Krol is al heel lang een van mijn favoriete hedendaagse Nederlandse schrijvers — hier schreef ik eerder over Rondo Veneziano en De schrijver, zijn schaamte en zijn spiegels en elders over Het gemillimeterde hoofd (en in datzelfde stukje over 60.000 uur. De stijl is in deze essays dezelfde, de manier van redeneren ook. De wiskunde is af en toe nog steeds even onzinnig als in eerder werk, maar het gaat natuurlijk ook helemaal niet om de wiskunde, het gaat om de stijl, om die krakend-witte stijl. Als ik met pen schrijf op papier, schrijf ik graag op ruitjespapier, met kleine vierkante ruitjes. Het werk van Krol is op zulk papier geschreven, beter kan ik het niet uitdrukken:

Het strikken van veters. Zo'n nederige, laag-bij-de-grondse activiteit — geen mens die er geen ervaring mee heeft. De meesten zullen zich de eerste keer niet herinneren. Ik wel. Op het schoolplein. Dat was toen een van mijn veters loszat en ik hem niet kon strikken omdat, zo bekende ik, mijn moeder dat altijd voor me deed. Zodat ik flink werd uitgelachen.

Gezeten op de stoeprand, naast elkaar, zodat wij er hetzelfde oog op hadden, deed een vriendje het mij voor. Ik keek toe, en hij keek toe toen ik het zelf probeerde. Als ik mij nu realiseer hoe ingewikkeld die reeks van handelingen is, met al die vingers, begrijp ik niet hoe ik het kunstje toen toch na een paar keer onder de knie had. Zonder handleiding. Handigheid zit vaak in je vingers, meer dan in je hoofd en daarom is het kennis-die-in-je-vingers-zit; het zijn je vingers die het weten.

Labels: ,

20.11.06

Frank Furedi. Waar zijn de intellectuelen? Amsterdam: Meulenhoff, 2006.

Vroeger, ja, vroeger toen had je nog echte intellectuelen. Concrete voorbeelden geeft Frank Furedi er niet van in zijn boek Waar zijn de intellectuelen?, maar in ieder geval zijn ze er volgens hem geweest. Tegenwoordig heb je eigenlijk alleen nog maar professionals, die tussen negen en vijf hoofdarbeid verrichten. Zoals de hele maatschappij trouwens er almaar dommer op is geworden: de universiteiten en de politiek bijvoorbeeld, waar men het inmiddels tot het hoogste doel is gaan rekenen dat de studenten, respectievelijk de kiezers, maar een beetje tevreden zijn.

Tja. Ik houd niet zo van dit soort verhalen waarin maar wordt beweerd dat vroeger, ja vroeger alles zo prachtig was en dat we nu tenonder gaan in verloedering. Vooral als de auteur op geen enkele manier bijvoorbeeld met cijfers of anderssoortige argumenten anders dan de eigen retorica probeert aan te tonen dat er inderdaad iets aan de hand is. Toch heb ik dit boekje uiteindelijk uitgelezen: de bureaucratisering van de universiteit, de stupiditeit van de televisie, het onvermogen van de politiek om belangrijk te zijn, dat zijn uiteindelijk toch thema's die me interesseren.

Labels: ,

24.5.06

Arnon Grunberg. De techniek van het lijden. Amsterdam: Nijgh en Van Ditmar, 2005.

Arnon Grunberg is van alles -- een romanschrijver, een columnist, een interviewer, een provocateur -- maar een denker is hij geloof ik niet. Af en toe schrijft hij essays (Monogaam, bijvoorbeeld) maar erg geslaagd vind ik die niet, in ieder geval niet als essay. Dat geldt ook voor dit boekje, dat twee lezingen bevat die Grunberg gaf als 'gastdocent' in Delft. Hij wilde daar de studenten onder andere kennis laten maken met het lijden en ze ook machines te laten maken die konden lijden of die konden doen lijden. Maar als je dat allemaal zo leest lijkt het allemaal vooral een kinderachtige grap, terwijl je tegelijk het gevoel hebt dat hij het helemaal niet als een grap bedoelt. Hij kan toch maar beter verhalen schrijven, vind ik. Overigens is dit boekje slechts voor een klein deel door Grunberg geschreven, hoe groot zijn naam ook op het omslag staat. De meeste tekst komt van de studenten, die de lijdensmachines beschrijven, alsmede het reisje naar Neurenberg dat ze in het kader van het gastdocentschap ook nog hebben gemaakt.

Van Arnon Grunberg heb ik heel veel gelezen; op deze site staan in ieder geval verslagen van mijn avonturen met Grunberg rond de wereld en De joodse messias.

Labels: ,

20.3.06

George Steiner. Tolstoy or Dostoyevsky. An essay in contrast. London/Boston: Faber and Faber, 1980 (1959).

Over dit boek heb ik in zekere zin vele jaren gedaan. Bijna vijftien jaar geleden overleed mijn grootvader, en onder andere omdat hij een bewonderaar was van Steiner (die hij op de televisie had gezien) haalde ik dit boek uit zijn erfenis. In 350 bladzijden zet Steiner twee werelden tegenover elkaar: die van Tolstoy en die van Dostojefski. Maar toen ik vijftien jaar geleden begon te lezen, merkte ik al snel dat het niet veel zin had om zoveel geleerdheid te verstouwen als je nog niets of bijna niets van beide schrijvers gelezen hebt.

Inmiddels heb ik heel veel van Tolstoj gelezen — in ieder geval alle grote romans — en van Dostojefski toch in ieder geval De gebroeders Karamazov en wat kleiner werk, dus nu kon ik deze studie eindelijk voltooien.

Ik begrijp wel waarom iemand een bewonderaar is van Steiner. Wat weet die man veel, wat heeft hij veel gezien in de boeken die hij gelezen heeft, en wat schrijft hij zelf elegant. Hoewel sommige van de tegenstellingen die Steiner signaleert niet zo vreselijk moeilijk te vinden zijn — Tolstojs personages zijn kalmer dan die van Dostojefski — ben ik vooral over Dostojefski wel wat meer te weten gekomen. Dat hij de eerste schrijver was die het geestesleven van zijn personages als zijn centrale onderwerp nam, zo had ik dat gek genoeg nog niet gezien. Ik moet wat meer Dostojefski lezen, want ik ben met Steiner nog lang niet klaar.

Labels: , ,

14.2.06

Maarten 't Hart. Mozart en de anderen. Amsterdam: Arbeiderspers, 2006.

De romanschrijver Maarten 't Hart eindigt zijn nieuwe boek over muziek met een autobiografisch verhaal, waarin hij vertelt hoe hij Bach uitvoerde in een kerkje in Warmond. Dat verhaal, en daarmee het boek, eindigt als volgt:

Natuurlijk volgde een benauwende nasleep, verzoeken uit het hele land, tot aan Friesland en Groningen en Zeeuws-Vlaanderen toe, om mijn Bach-concert op gerenommeerde orgels te herhalen, en al die verzoeken sloeg ik af, want het feit dat ik een uur lang te Warmond niet door de mand was getuimeld, garandeerde geenszins dat dat elders niet zou gebeuren. En daarbij komt: er zijn zo veel voortreffelijke organisten in Nederland. Laat hen toch voor publiek op al die prachtige orgels Bach vertolken, en laat mij nu maar verder doorwerken aan mijn vissersroman over het Psalmenoproer te Maassluis in 1706, waarbij de blinde organist J.H. Bruyninghuizen op een avond in zijn eigen huis door woedende christenen - vissers, kuipers, haringpakkers en nettenboetsters - werd gemolesteerd.

Dat is een waardig slot, waarin de schrijver zich alsnog bescheiden toont: ach, hij is maar een amateur. Het is ook een kenmerkend slot, voor de merkwaardige stijl ('door de mand tuimelen', 'geenszins') van 't Hart.

Want wat een eigenaardig boek is dit toch.

Neem alleen al de titel: Mozart en de anderen. Wie het boek leest, merkt dat dit betekent dat er twee delen zijn: een bundel ongesorteerde stukken over Mozart, en een stapeltje over het algemeen zeer korte artikeltjes over allerlei andere componisten. Ik vermoed dat vooral die laatste her en der verschenen zijn in tijdschriften, maar een verantwoording ontbreekt, net als een degelijke bibliografie trouwens. Je zou dat allebei wel verwachten gegeven het studieuze karakter van dit boek, waarbij de KV-nummers je om de oren vliegen.

Verder struikelt 't Hart geregeld over zijn eigen enthousiasme, vooral als hij een van zijn eigenzinnige theorieën bewijst. Hij denkt bijvoorbeeld dat belangrijke componisten het jongste kind waren in een groot gezin en 'bewijst' dit door bladzijden lang jongste kinderen in grote gezinnen op te sommen die componist geworden zijn - van de meeste van die componisten heb ik in ieder geval nog nooit gehoord. Ook vindt hij het belangrijk dat grote componisten vaak klein van stuk waren, en dus probeert hij te achterhalen hoe lang Mozart nu eigenlijk was.

Natuurlijk is al die onhandigheid in stijl en al dat gesmijt met feitjes op een bepaalde manier charmant. En dan heb ik het nog niet eens gehad over het gesmijt met superlatieven: alles is almaar prachtig. Toch gaat dat op den duur ook wel een beetje vervelen, de schrijver zegt al met al uiteindelijk zelden of nooit iets waar je van opkijkt, en al helemaal nooit iets waarvan je de muziek beter leert begrijpen. Laat die blinde organist J.H. Bruyninghuizen maar komen!

(Eerder las ik onder andere de roman Lotte Weeda van 't Hart.)

Labels: , ,

8.7.05

Francis Wheen. How mumbo-jumbo conquered the world. London: Harper, 2004.

Volgens Francis Wheen is er sinds Margaret Thatcher en Ayatollah Khomeini tegelijkertijd aan de macht kwamen steeds meer onzin op de wereld gekomen. Hij 'bewijst' dat door een boek te schrijven die een lange catalogus bezit van alles wat hij voor onzin houdt: zelfhulpboeken, de economische politiek van Ronald Reagan, astrologie, postmodernisme, Deepak Chopra, de internet-hype, ufologie, Enron, de verering van prinses Diana, de Derde Weg, de politieke ideeën van Noam Chomsky. Dat is in het begin amusant om te lezen, vooral als je veel van die dingen zelf ook onzin vindt. En het is altijd prettig om te weten dat er mensen zijn die nog pal willen staan voor de ratio en de Verlichting. Maar na een tijdje begint het toch een beetje te vervelen, vooral omdat er geen enkele poging wordt gedaan tot het geven van enige analyse waarom men in de afgelopen twintig jaar zoveel gevoeliger zou zijn geworden voor onzin. Zelfs toont Wheen niet aan dat het nu erger is dan pakweg vijftig of honderd jaar geleden: toen was er toch ook een heleboel onzin, zeker? En zo is dit boek voor een deel geworden wat het zelf bestrijdt: geschreeuw zonder veel nadenken.

Labels: ,

4.6.05

Timothy Garton Ash. Free world. Why a crisis in the West reveals the opportunity of our time. London: Penguin, 2005 (2004).

Artikelen van Garton Ash over de oorlog in Irak en over de verhouding tussen Amerika en Europa in de New York Review of Book heb ik met veel plezier gelezen -- maar ik kan niet anders zeggen dan dat dit boek me tegengevallen is. Amerika en Europa verschillen cultureel helemaal niet zoveel van elkaar, dat lijkt de boodschap van dit boek te zijn, het ligt allemaal veel genuanceerder. En trouwens, als ze wel van elkaar verschillen, vullen ze elkaar aan. Frankrijk en Engeland verschillen trouwens ook niet zoveel van elkaar. Het ligt allemaal een stuk genuanceerder, begrijpt u. In het tweede deel ontheelt Garton Ash een toekomstvisie, en dat is een heel degelijke, sociaal-democratische. We moeten proberen elkaar te begrijpen, we moeten proberen de landen die zuchten onder een dictatuur heel voorzichtig (zonder militair ingrijpen) de vrijheid te brengen, we moeten wat doen aan de armoede in de wereld, en dan vooral in het Arabische deel ervan. Heel redelijk allemaal, maar het verrast nooit en zet je (dus) ook nooit aan het denken.

Labels: ,

2.4.05

Nick Hornby. The polysyllabic spree

Nick Hornby. The polysyllabic spree. San Francisco: Believer Books, 2004.

Waarom eraan begonnen: Nick Hornby is een schrijver van amusante romans: About a boy, High fidelity en How to be good heb ik de afgelopen jaren gelezen en allemaal met plezier. Dit is een boek over lezen, en ik houd van lezen. Het is zoiets als dit weblog, maar dan beter. Het inspireert me in ieder geval om hier voortaan beter mijn best op te doen op deze rubriek; ook omdat ik begin te merken dat ze gelezen worden. Wat gaan we nu krijgen! Om te beginnen er wat structuur in aan te brengen — al is dat dan ook niet rechtstreeks door deze stukjes geïnspireerd, want die hebben niet zo'n structuur. Wat is het toch leuk om te lezen — toch wel bijna het leukste wat er is.

Wat: The polysyllabic spree is een verzameling maandelijkse columns die Hornby in 2003 en 2004 schreef voor het Amerikaanse tijdschrift The Believer. Elke maand beschrijft Hornby welke boeken hij gekocht, en welke hij gelezen heeft.

Er zijn schrijvers die zich erop laten voorstaan nooit een boek te lezen, of nooit een roman te lezen, of nooit een roman van tijdgenoten te lezen. Dat soort schrijvers, daar houd ik niet zo van. 'Een taartenbakker eet ook nooit taart', heeft Harry Mulisch geloof ik weleens gezegd, maar dat is natuurlijk onzin: een goede taartenbakker gaat elke taartenwinkel binnen die hij tegenkomt, lijkt mij. Een goede taartenbakker eet alleen zijn eigen taarten misschien niet, maar dat is iets anders. Hornby is een taartenbakker die echt van taarten houdt.

En dit boek is zo goed, zo grappig! Ik heb het grotendeels in het vliegtuig gelezen — tijdens een vlucht van Amsterdam naar Genève heb je het allemaal gelezen. Naast me werd een man niet helemaal goed, maar ik moest hardop lachen.

Het mooiste boek dat Hornby gelezen heeft in het jaar dat hij beschrijft: David Copperfield. Dat is ook al zo'n aardig aspect van dit boek. Hij laat duidelijk merken dat hij Charles Dickens een van de beste Engelse schrijvers aller tijden vindt, maar hij schaamt zich er niet voor om op te schrijven dat hij dat boek nog nooit eerder las. Ik heb geloof ik ook nog nooit een boek van Dickens helemaal uitgelezen, laat ik dat dan ook maar opbiechten — en proberen binnenkort maar eens aan David Copperfield te beginnen. Merkwaardig is wel dat hij alleen maar boeken in het Engels lijkt te lezen. Zelfs vertalingen ben ik geloof ik niet tegengekomen. Misschien zou hij dat dan toch ook eens moeten proberen.

Citaten:

«Being a reader is sort of like being president, except reading involves fewer state dinners, usually. You have this agenda you want to get through, but you get distracted by life events, e.g. books arriving in the mail/World War III, and you are temporarily deflected from your chosen path.»

Over de redactie van The Believer (deze redactie noemt hij The polysyllabic spree en een running gag is dat hij ze als een sekte beschrijft):

«The Spree all live together in Believer Towers, high up in the hills somewhere; they spend their days reading Montaigne's essays aloud to each other (and laughing ostentatiously at the funny bits), shooting at people who own TV sets, and mourning the death of every single writer since the Gawain-Poet, in chronological order. When I first met them, they'd got up to Gerard Manley Hopkins. (...) I was impressed by their seriousness, and their progressive sexual relationships, but they really did 't seem like my kind of people.

And yet here we are, still. I'm beginning to see through the white robes to the people beneath, as it were, and they're really not so bad, once you get past the incense, the vegan food, and the communal showers.»

Labels: ,

11.2.05

Geert Mak. Gedoemd tot kwetsbaarheid

Geert Mak. Gedoemd tot kwetsbaarheid. Amsterdam/Antwerpen: Atlas, 2005.

Over 2 november 2004, en over alles wat erna gekomen is, moeten nog veel essays geschreven worden. Wat gebeurde er precies op die dag? En vooral: op de dagen die volgden? Er moeten detailstudies komen die heel precies voor elke in brand moskee nagaan, wie het gedaan heeft, en waarom. Het gedrag van de media in de eerste weken moet tot op de bodem worden geanalyseerd. De gangen van Mohammed B. moeten uitentreure worden nagegaan. Enzovoort. Hoe zat het precies met de inval in het Laakkwartier? Geen thrillers, geen tv-films, maar reportages en beschouwingen moeten we hebben!

Geert Mak heeft een eerste bijdrage willen leveren, met een curieus boekje van nauwelijks 100 pagina's oud. Je denkt dan dat het een pamflet is, een vlammend betoog, al is het dan een vlammende oproep tot matigheid. Dat is het ook wel een beetje, maar het is toch vooral iets anders: het begin van een geschiedsschrijving. Curieus om zinnen te lezen als 'Er werden die maanden de raarste dingen geroepen' als die maanden nog maar een paar dagen voorbij zijn.

Aan de andere kant. Ik houd niet zo van het genre 'contemporaine geschiedenis' waarin de hele tijd beweringen worden gedaan over 'toen vond iedereen dit en dat', met op de achtergrond dan de gedachte 'maar nu weten we wel beter'. Het klopt in mijn beleving nooit: hoezo dacht vroeger 'iedereen' hetzelfde over dit of dat? (Waar ik bijvoorbeeld ook niet tegen kan zijn mensen die zich presenteren als profeet omdat zij er een half jaar geleden al op wezen dat Charles en Camilla weleens zouden kunnen gaan trouwen, maar 'toen werd ik nog door iedereen uitgelachen'. Maar dit terzijde.) Het boekje van Mak is overigens niet echt zo, maar de afstand die nu al tot de dag van gisteren wordt genomen is wel heel bizar. Misschien is hij nodig, maar dan toch vooral voor degenen die zich te pas en te onpas laten meeslepen door wat er op de tv allemaal gebeurd is. Je kunt dat ding beter uitzetten. En leuke boekjes lezen.


Update Maar als je nu leest hoe boos sommige tegenstanders geworden zijn om dit pamflet, zou je Mak alsnog gelijk geven.

Labels: ,

12.10.04

Peter Sloterdijk. Die Verachtung der Massen

Peter Sloterdijk. Die Verachtung der Massen. Versuch über Kulturkämpfe in der modernen Gesellschaft. Frankfurt a.M.: Suhrkamp, 2000.

Ik snap hier helemaal niks van. Ik heb het boek van voor naar achter geprobeerd te lezen, maar ik heb er maar weinig van begrepen. Het gaat over de manier waarop over de massa gedacht is en wordt: hoe moeilijk het is om daarover na te denken zonder te vervallen in geslijm of al dan niet verholen minachting. Maar er worden nog een heleboel andere dingen gezegd, en ik heb geen idee wat dat zijn. Hoe zit dat nu? Ben ik er te dom voor? Wie weet. Je zou ook kunnen zeggen dat ik onvoldoende getraind ben om dit soort dingen te kunnen plaatsen. Voor zover de dingen die hier gezegd worden waardevol zijn, zou je dat kunnen betreuren. Maar ik heb te weinig begrepen om zelfs dat maar te kunnen inschatten.

Labels: , , ,

9.4.04

De moderne moord

{p} Connie Palmen. Iets wat niet bloeden kan. Over moord en roem, echt en onecht. Stichting Maand van de Filosofie, 2004.

Bijna alle Nederlandse schrijvers schrijven romans. Dat is ook op de een of andere manier het genre met het meeste aanzien. Maar volgens mij zouden sommige schrijvers zich veel beter aan andere genres kunnen wijden. Het genre van Connie Palmen is bijvoorbeeld het autobiografische essay, wat mij betreft: van haar romans houd ik niet zo, maar dit boekje vind ik prachtig.

Palmen probeert te komen tot een 'filosofie van de moderne moord': wat bewoog de moordenaars op P. Fortuyn, J. Lennon en Versace, en haar eigen Duitse fan die haar bekende dat hij haar eigenlijk ook zou willen vermoorden? Volgens haar konden ze werkelijkheid en imago niet goed door elkaar halen: het beroemde object van de onverdeelde aandacht van de moordenaar was alleen een symbool, geen mens van vlees en bloed. Een fan moet normaal gesproken accepteren dat de relatie met het idool eenrichtingsverkeer is; een moordenaar kan dit niet accepteren.

Er zitten wel allerlei losse draadjes in het betoog en de stijl is ook niet verbluffend, maar toch is het een goed boekje, vol aardige gedachten. Het zet ook wel aan het denken. Ik bedacht zelf bijvoorbeeld dat de focus van Palmen wel erg bij de roem ligt (maar dat is dan ook geloof ik een obsessie van haar) en bij het feit dat nu juist 'beroemde' mensen worden gezien als 'iets wat niet bloeden kwam'. Maar volgens mij ziet iedereen bijna al zijn medeburgers als 'decor' van het leven, niet als echte mensen. In ieder geval in de stad: als je iedere mens die je ontmoet zou zien als een mens die je ontmoet, werd je gek. Toch gaan veel mensen hierin wel heel ver: je laat ze passeren, houdt de deur voor ze open, en ze kijken je niet eens aan. Maar misschien is dat dan wel weer mijn obsessie, vooral na vannacht (om vier uur werd ik wakker omdat iemand aan de deur stond te morrelen, toen ik naar hem riep dat hij op moest donderen, wees hij me erop dat ik dat ook 'netjes kon vragen' -- en ik ben niet eens beroemd!)

Labels: , ,

3.1.03

{P} John Horgan. Het einde van de wetenschap. Over de grenzen van onze kennis. Ambo, Amsterdam, 1997 (1996). Tjonge, dit boek is alweer zeven jaar geleden verschenen, en al die tijd ben ik maar doorgegaan met een wetenschappelijke carrière, terwijl daar eigenlijk geen toekomst in zit! Nee, dit is een curieus boek. Het merkwaardige is vooral dat Horgan zijn stelling dat de wetenschap (eigenlijk 'science', dus natuurwetenschap) op zijn einde loopt nergens demonstreert. Mogelijk zijn er cognitieve grenzen (op een bepaald moment kan niemand de theorie meer volgen, zo verfijnd en ingewikkeld wordt hij) en sociaal-politieke grenzen (op een bepaald moment wordt het zo duur om cruciale experimenten te doen dat de maatschappij weigert om het geld daarvoor op te brengen), maar het is niet helemaal duidelijk waarom Horgan nu precies denkt dat die grenzen nú bereikt zijn. Hij heeft misschien wel gelijk dat er weinig reden is om te denken dat er allerlei nieuwe ontdekkingen komen; maar hij laat onvoldoende zien wat de signalen zijn dat die ontdekkingen helemaal niet meer komen.
Een curieus aspect is vooral ook het persoonlijke. Horgan heeft zeer veel van de groten der aarde gesproken en hij geeft al die gesprekken bijzonder levendig weer. Je ziet al die wetenschappers met al hun eigenaardigheden zo voor je zitten. Dat maakt het boek leesbaar, maar op den duur krijg je er ook een vreemd gevoel van: als het gaat over een zo dramatisch onderwerp als het einde van de wetenschap, wat doen al die tics en uiterlijkheden er dan toe? Bovendien is Horgan nogal streng in het terechtwijzen van wetenschappers die zich volgens hem overgeven aan het najagen van droombeelden en 'ironische wetenschap' (fraaie theorieën als de natuurkundige snarentheorie waarvoor we misschien nooit empirische tests kunnen vinden). En wetenschappers die niet in zijn stelling geloven (en uiteindelijk gelooft geen enkele wetenschapper in het boek in die stelling) worden met scepsis bejegend.

Al met al heb ik vooral genoten van de stijl van het boek (dat ook heel goed vertaald is) en van het enorme overzicht dat Horgan heeft over de wetenschap. De centrale stelling, tja, daar zie ik niet veel in. En het is jammer van dat einde over God.

Labels: , , ,

10.6.02

{P} Bas Haring. Kaas & de evolutietheorie. Antwerpen: Houtekiet, 2001. Een aardig boekje, een poging om voor kinderen de evolutietheorie uit te leggen. Zelfs de moeilijkste vragen gaat Haring daarbij niet uit de weg: hoe zit dat met homoseksualiteit? Bestaat God? Die vragen beantwoordt hij eerlijk en openhartig. Wat een goed en gewaagd idee om nu juist dit onderwerp uit te kiezen. De stijl is ook heel goed, ik kan eigenlijk geen bezwaren tegen dit boekje bedenken. Nou ééntje dan: de illustraties vind ik niet zo leuk. Terwijl het omslag juist weer prachtig is. Zie ook de website.

Labels: , ,

27.5.02


{P} George Soros. George Soros on Globalization. Oxford: PublicAffaris, 2002. Het is curieus om een boek te lezen van zo'n invloedrijk iemand onmiddellijk nadat je net zijn vader over zijn jeugd hebt gelezen. Uit de foto op het omslag blijkt dat Soros uiterlijk heel erg op zijn vader lijkt. Zijn houding heeft hij ook niet van een vreemde: het is eenzelfde lakonieke combinatie van zakelijkheid en proberen de wereld net ietsje beter te maken. En enige gepaste trots over zichzelf is beide heren ook niet vreemd. Soros wil geloof ik dat de wereld een mooie democratische regering krijgt, en snel een beetje. Volgens hemzelf heeft hij nu een duidelijker idee over hoe we dat moeten bereiken dan in eerder boeken, maar ik zie nog steeds niet helemaal hoe het nu allemaal moet. Er zijn denk ik wel duidelijke parallellen met de esperantistische visie op de wereld: er moet een neutraal platform komen waarop mensen elkaar kunnen ontmoeten zonder dat de een zich a priori inferieur hoeft te voelen aan de ander. Alleen gaat het Soros niet om taal, zou je kunnen zeggen, maar om de echt belangrijke dingen in het leven: verdeling van goederen en kennis. Een adept van Karl Popper, kom daar nog maar eens om. Hij heeft denk ik wel gelijk, al is hij denk ik wel een beetje erg ongenuanceerd over bijvoorbeeld de antiglobalisten, die hij verwijt dat ze de bestaande internationale instituten uithollen in plaats van te proberen ze van binnenuit te hervormen. Die antiglobalisten vormen een ongestructureerd geheel en zo radicaal antiinstitutioneel zijn ze heus niet allemaal.

Labels: , ,

21.4.02



{P} Guus Middag. Vrolijk als een vergelijking. Amsterdam, Van Oorschot, 2002. 'Monter' zegt de achterflap over de stijl van Middag, en daar heeft de achterflap gelijk in. Middag heeft een prettige manier van lezen en schrijven, tegelijkertijd sierlijk en helder, zonder onzin. In dit boek staan allemaal stukken die in NRC Handelsblad hebben gestaan, en de meeste had ik daarom al eens gelezen. Het is wel prettig om ze bij elkaar te hebben, in een boek, al valt het je dan ook wel op dat de stukken wel heel erg kort zijn en dat je zou hopen dat Middag ook de gelegenheid krijgt om eens een wat grotere en gedetailleerder studie over een onderwerp naar eigen keuze zou kunnen schrijven.
In dit boek staan ook een aantal stukken over (Nederlandstalige, populaire) liedjes en die vind ik het minst interessant. Vaak draaien ze uit op de conclusie dat de tekst niet zo bijzonder is, dat de liedjes het eigenlijk van de muziek moeten hebben, maar over die muziek wordt vervolgens niet zoveel gezegd. Het mooiste stuk vind ik misschien wel 'De grote eindexamendroom': een klassieke, inzichtelijke analyse van een gedicht van Wislawa Szymborska.

Labels: , ,

17.4.02

{P} Gonçalo Neves. Nia justifiko. Esayo pri la existo-yuro di Ido Editerio Sudo; Lisboa, 2002. Estas interese ke pli-malpli konata Esperanta poeto/verkisto transiras al Ido en la komenco de la 21a jarcento. Kial li faris tion?
"Se oni volas sincera opiniono," diras Neves, "tote ne valoras la peno lernar Ido pro lua nuna movemento (qua es tre mikra) e mem ne pro lua tilnuna literaturo (qua es tre magra), ma nur pro la grandega estetikal plezuro quan grantas la linguo, e pro l'espero ke ultempe tre valoroza skripteri deskovros la beleso ed avantaji di Ido ed uzos ol kom potenta instrumento di kulturo."

Bedaurinde, la Nevesa eseo krome ne estas tre informa pri liaj motivoj. Ghi traktas chefe la historion de Ido, kelkajn konatajn diferencojn inter Ido kaj Eo (la akuzativo! la akcento en 'familio'!), k.t.p., sed li mem konfesas ke tiuj ja ne estas liaj chefaj kialoj por transiri al la alia lingvo. Sed tre interesa estas lia ekamo, ekamego al la nova lingvo, esprimita jene:

"Tote ne jenas men ke la quanto de lekteri diminutis e la chanci di aparigo stuntesis kande me transiris de Esperanto ad Ido. Me skriptas nur pro propra plezuro."

Sed li ne provas vere komprenigi kie lau li kushas tiu 'beleso' de Ido.

Fakte, en tiu chi eseo la autoro ankorau chiam shajnas celi ghuste esperantistan legantaron. Kaj oni konfesu tuj ke la Ido de Neves ne estas malfacile komprenebla por (okcidenta) Esperantisto. Kvazau legi la afrikansan por nederlandlingvano.

Kaj mia hereza penso, legante tiun chi eseon, estas: kial ne simple rekoni Idon kiel dialekton de Esperanto, ech se nur por literaturaj efikoj? Ekzemple, Neves trovas mankon de Ido ke en tiu lingvo "on ne darfas uzar l'afixi kom vorti autonoma, quale en Esperanto (ajho, ulo, ano, eco, eyo) (...) Por dicar 'ajho' Ido posedas la tre oportuna vorto 'kozo', ma ol indijas exemple vorto kun senco tam laxa ed ampla kam 'eyo'." Mia demando: kial ne uzi 'eyo'-n (kiel 'pruntitan' vorton)?
Inverse, se oni ne shatas la konsonantkombinon 'shpr', kial ne ekuzi 'sprici' au ech 'spricar'?
Ghenerale, mi kelkfoje pensas ke estas eble tro da normoj en la Esperanto- kaj Ido-movadoj. Efektive, se oni havas gravan anoncon por la tuta homaro, kaj estus nedemokrate eldiri ghin en maniero kiu eble ne estus tujtuje komprenebla por chiuj, oni eble uzu standardan lingvon. Sed en aliaj kazoj?

Fine, mi trovas Neves interesan poeton, ankau Idolingve, sed mi ne vere shatis lian poemon en tiu chi libreto.

Li nun shajnas labori super dulingva (Ea kaj Ida) traduko de 'O guardador de rebanhos' de Fernando Pessoa. Mi antaughojas!

Labels: , ,

19.3.02

{P} Marek van der Jagt. Monogaam. CPNB/De Geus, 2002. De eerste bladzijden dreigde ik een beetje geïrriteerd te raken door de krullendraaierij die hier als essay werd verkocht (voor slechts een paar euro weliswaar). Maar toen besloot ik het als verhaal te lezen, het werd gaandeweg ook duidelijker een verhaal, of een serie verhalen, en het laatste verhaaltje, over de celliste die verzint dat ze nog meer minnaars heeft dan Marek vond ik nog mooi ook. Nou ja, niet dark, even scathing'. Maar ik heb toch beslist geen spijt dat ik het uitgelezen heb.

Labels: ,

27.2.02

{P} Barber van de Pol. Lieve Erasmus. Verkeren met een denker. Athenaeum - Polak & Van Gennep, 2002. Dit boek wil een liefdesverklaring zijn, van de schrijfster aan haar onderwerp, maar ik weet niet of er iemand blij zou zijn met een dergelijke liefdesverklaring. Het boek gaat meer over mevrouw Van de Pol dan over Erasmus. Waarom ze nu precies zoveel van Desiderius E. houdt, blijft onduidelijk, ja omdat hij zo mooi schrijft, hoewel soms ook wel een beetje saai. Over zijn stijl leer je verder bijna niks, ze probeert hem voor zover ik kan zien nergens te vertalen, er staan geen lyrische passages in over de vraag hoe hij de dingen zegt. (Alleen over Lof der Zotheid gaat het wat dat betreft op een paar plaatsen in meer detail: dat het boek misschien beter Zotheids Lof kon heten, of wie weet, Dwaasheids Lof) Je gaat bijna een beetje gemeen denken dat het een opgelegde liefde is, een vormpje. Over een verondersteld liefdesgedicht schrijft Van de Pol zelf (blz. 67):
Je kunt uw gedicht ook minder beladen lezen. (...) Zelfs Quevedo, een Spanjaard van die tijd, die heel veel lelijks heeft opgeschreven over de koppelneigingen en verdoezelende poedertjes van de vrouw, kortom een vrouwenhater, richtte smachtende sonnetten aan een, of liever dé vrouw. Pure retoriek dus.

Je moet dit boek dus misschien ook wel zien als 'pure' retoriek, en eerder lezen als een persoonlijk essay van een vrouw uit het begin van de eenentwintigste eeuw dan als een boek over een denker uit de zestiende. Als zodanig is het best de moeite waard, je krijgt een inkijkje in Amsterdamse kringen, waar men denkt dat Amsterdam een grote stad is, waar men altijd maar op zoek is naar een geliefde, waar men denkt dat de vrouwenemancipatie bij 'ons' voltooid is, maar elders nog ernstig achterblijft. Ik zal me niet veel van dit boek blijven herinneren, maar ik heb me er een paar uur mee geamuseerd.

Labels: ,

10.10.01

{P} Joost Zwagerman. Walhalla. Muntinga, 2001.

Joost Zwagerman wil heel graag lage en hoge cultuur met elkaar verbinden, maar ik snap eigenlijk niet zo goed waaróm hij dat wil. Wat maakt het uit?

Nou ja, als het maar aardige essays oplevert, toch? Jawel, maar dat is dan weer niet zo. Het is net alsof Zwagerman die low culture noch die high culture echt in de vingers heeft. Zijn stukken over Schopenhauer of Nabokov zijn bijvoorbeeld nogal saai en plichtmatig. Ik heb echt totaal geen nieuwe gedachte over die schrijvers gekregen sinds ik dit boek las. Maar ook zijn stuk over Madonna - een eindeloze opsomming van beschrijvingen van haar videoclips - of Prince - idem over zijn platen - vind ik weinig opwekkend of opwindend.

Het mooist en het best zijn eigenlijk nog de stukken over bijvoorbeeld Camille Paglia - iemand die zelf de lage en de hoge cultuur met elkaar verbindt, in ieder geval volgens Zwagerman — ik heb nooit iets van haar gelezen. Dat maakt misschien wel duidelijk waarom Zwagerman de twee culturen met elkaar wil verbinden: hij is niet geïnteresseerd in een van de twee culturen op zich, alleen in de verbinding van de twee. Wat een curieus verlangen.

Labels: , ,

3.10.01

{P} Jan Wolkers. Mondriaan op Mauritius. De Bezige Bij, 1997.

Is dit nou een goed of juist een slecht boek? Heel goed is het in ieder geval niet; daarvoor is het te rusteloos, te weinig geconcentreerd.

[Over een natuurboek van een zekere Winkler] Naast de titelpagina bevindt zich een aantekening van een Prikkebeenachtig heerschap, dat inderdaat zijn pet gedecoreerd heeft met opgeprikte vlinders, met bengelend voor zijn buik een open botaniseertrommel waarin hij bezig is zoveel wilde planten te stouwen dat menige Hortus Botanicus er vandaag de dag door uit zijn voegen zou barsten. Iemand die heden ten dage zo'n boek zou laten verschijnen zou beslist hetzelfde lot ondergaan als de schrijver van de Duivelsverzen. En ditmaal terecht.

Enzovoort. Het is onduidelijk wat Salman Rushdie met meneer Winkler of Prikkebeen te maken heeft. Een vreemd detail.

Aan de andere kant: je moet het misschien allemaal ondergaan. Wolkers leidt je rond in zijn eigen rariteitenkabinet, waar allerlei snuisterijen staan - een dodo, een natuurboek, een voetbal, een schilderij van Mesdag - zonder duidelijk verband. Maar de gids kan er vrolijk en enthousiast over vertellen.

Labels: , ,

25.9.01

{P} Harry Mulisch. Bericht aan de rattenkoning. De Bezige Bij, 1966.

Het opvallendste is misschien wel dat Mulisch zoiets nu niet meer schrijft, zo'n semi-opruiend boek over de gebeurtenissen in Amsterdam. Dat komt natuurlijk omdat die gebeurtenissen er niet meer zijn -- ook al komt er nu net als toen een koninklijk huwelijk aan, ook al gedraagt de koninklijke familie zich nog altijd even gruwelijk, ook al is onze huidige minister-president Wim Kok een minstens een vreselijke 'regent' als zijn voorgangers uit die jaren. Maar dat die gebeurtenissen er niet meer zijn komt natuurlijk ook doordat mensen als Mulisch niet meer over deze dingen schrijven, maar in plaats daarvan fantasierijke romans over de zoon van Hitler. Wat Mulisch over Hitler zegt in die laatste roman, is net zo goed (of misschien wel veel beter) op hemzelf van toepassing: een leeg vat, dat zich kennelijk vult met zijn omgeving. Toch (of misschien daardoor) geen oninteressante schrijver.

Labels: , ,

24.9.01

{P}. Gerrit Krol. De schrijver; zijn schaamte en zijn spiegels. Querido, 1981.

Toen ik nog echt een Krol-lezer was, heb ik dit boekje ook al eens gelezen. Ik weet niet of me toen al opviel wat me nu opvalt - dat wat mij als lezer het meest aantrekt in dit proza eigenlijk nauwelijks besproken wordt: de stijl.

Helemaal zwijgen doet hij niet. Krol zegt wel dingen als:

Een schrijver A heeft een bepaalde stijl als je aan elke bladzijde van die schrijver kunt zien: die is van A.

Nou, daar zijn we mooi klaar mee. Natuurlijk heeft Krol een eigen stijl; alleen wat die stijl dan precies is, dat blijkt moeilijk te definiëren. Een typisch voorbeeld is:

Mensen die zo zijn afgestemd dat alleen bij het horen van bepaalde regels hun emoties los komen; met dat soort emoties gaan ze door het leven. Zulke mensen zijn er niet veel, maar wat geeft dat? Hun waarde is er des te groter door en dat is nu net wat hen zo aan de literatuur bindt, ze hebben van tijd tot tijd zelfs kapsones. Dat is hun recht. Dat is het recht van mensen die zeldzaam zijn.

Het gaat vooral om de adem, het hernemen na een punt of een puntkomma. Het benoemen van een verschijnsel en daarop in de volgende zin terugkomen ('hun emoties'-'dat soort emoties'; 'mensen'-'zulke mensen'; 'hun recht'-'het recht van mensen die zeldzaam zijn'.) In het laatste klinkt, misschien onbedoeld, Paul van Ostaijen mee: "Dat is hun recht. Dat is het recht van deze twee heren." Ik citeer nu uit mijn hoofd, het komt uit dat gedicht over Hinderickx en Winderickx, een gedicht dat trouwens door Krol geschreven had kunnen zijn.

Labels: ,