19.2.10

Barend ter Haar. Het Hemels Mandaat. De geschiedenis van het Chinese Keizerrijk. Amsterdam: Amsterdam University Press, 2009.

Barend ter Haar. Het Hemels Mandaat. De geschiedenis van het Chinese Keizerrijk.

Bij de vakgroep Chinees in Leiden hebben ze een traditie van inzichten van wetenschappelijk onderzoek op een gedegen manier voor een breder publiek te vertalen. Bekend waren de inspanningen van W.L. Idema, die eigenhandig een groot deel van de klassieke Chinese literatuur ontsloot. Ook de hoogleraar Chinese geschiedenis Barend ter Haar sluit zich aan bij deze traditie en schreef met Het Hemels Mandaat een wervelende geschiedenis van enkele duizenden jaren Chinees Keizerrijk.

Ter Haars stijl is een beetje droog maar ook heel duidelijk. In ruim vijfhonderd bladzijden stormt de lezer aan zijn hand door allerlei aspecten van de geschiedenis: de opeenvolging van dynastie�n, de veldtochten, de steeds wisselende positie van de vrouw, de letterkunde, de beeldende kunst en nog veel meer..

Een van de verrassendste aspecten van Hemels Mandaat is de aandacht voor de eeuwigdurende mondialisering. Als leek ben je geneigd te veronderstellen dat intensieve international handels- en andere contacten iets van de laatste jaren zijn, en dat je de geschiedenis van een groot rijk als China best zelfstandig kunt beschouwen. Ter Haar laat zien dat dit onzin is, dat er eigenlijk altijd contacten bestaan hebben, al zijn die wel intensiever geworden.

Zo was er omstreeks de tiende eeuw al een joodse gemeenschap in Kaifeng die geld verdienden door de verkoop van 'harige kleden' aan het hof - dat waren waarschijnlijk Perzische tapijten. Tot ver in de achttiende eeuw wist deze gemeenschap vervolgens haar identiteit te bewaren en bijvoorbeeld een synagoge in stand te houden waar als concessie aan de omringende cultuur alleen twee leeuwen in Chinese stijl bij de poort werden gezet. Als de Italiaanse jezu�et Matteo Ricci in 1605 Beijing bezoekt, zoekt een van de joden hem op, omdat hij gehoord heeft dat er een geloofsgenoot in de stad is. En zo zijn er ook altijd her en der contacten geweest met christenen, met moslims en met aanhangers van allerlei andere geloven. Zoals ook al heel vroeg handel werd gedreven met Perzen, Turken, Arabieren en andere barbaren. Zelfs van de Indo-Europeanen zijn woorden geleend toen deze nog door de steppen trokken. Een ander interessant voorbeeld is dat gewassen uit het pas ontdekte Amerika al heel snel werden overgenomen, zodat de pinda bijvoorbeeld inmiddels een belangrijk onderdeel vormt van de traditionele Chinese keuken.

Een andere interessante kwestie die geregeld aan de orde komt, is de rol van geleerden en geleerdheid. Tijdens een belangrijk deel van de geschiedenis gold dat wie vooruit wilde komen in de Chinese wereld een ambtenarenexamen moest afleggen, waarbij onder andere de actieve beheersing van de oude schrijftaal getoetst werd.

Tegelijkertijd werden intellectuelen soms ook als een potentieel gevaar gezien, en bedacht men grootschalige projecten om hun aandacht af te leiden. De Qing-keizer Kangxi begit bijvoorbeeld een groot Karakterwoordenboek van Kangxi en zijn opvolger Qianlong de grote boekenverzameling Complete Boeken van de Vier Schatkamers der Literatuur. Bij de uitvoering van dat project leek overigens ook te horen dat auteurs van onwelgevallige werken werden vervolgd.

De elitaire opleiding voor ambtenaren had in sommige opzichten een gunstig effect voor de hele samenleving. Mensen die niet slaagden voor hun examens, kwamen daarna soms toch in beroepen terecht waarvoor een zekere mate van geletterdheid noodzakelijk was, zoals dat van koopman, herenboer, arts, leraar of schrijver.

Een iets langere versie staat hier.

Labels: , , ,

1.2.10

Willem Frederik Hermans. Nooit meer slapen. Amsterdam: De Bezige Bij, 2008 (1966).

Willem Frederik Hermans. Nooit meer slapen.

Ik ken wel meer mensen die Nooit meer slapen aanbevelen aan beginnende promovendi. Alfred Issendorf, de held van deze moderne Aeneis, heeft zoveel tegenslag dat de moeilijkheden van de gemiddelde taalkundige promovendus welbeschouwd nog wel meevallen. Bovendien kun je je afvragen of veel van die problemen niet welbeschouwd aan Issendorf zelf te wijten zijn. Dat is iets waar je weinig over leest in de Nooit meer slapen-kundige literatuur, maar in het boek vraagt Issendorf zich wel degelijk af of hij niet meer lichamelijk had moeten trainen en de luchtkaarten van het gebied vantevoren thuis had moeten bestuderen, in plaats van op de bonnefooi naar het hoge noorden af te reizen.

Omdat R. het boek nu in vertaling aan het lezen was, heb ik eerst een aantal hoofdstukken Beyond Sleep gelezen, en ben daarna teruggegaan naar het Nederlandse origineel op mijn e-lezer. De Engelse versie blijkt overigens de toon van dat origineel heel goed te vatten, al viel me nu ook iets op dat je toch als een gebrek van Hermans' stijl kunt opvatten: de brokkeligheid, de korte zinnen die in onze literatuur wel voor 'leesbaar' doorgaan, maar die af en toe toch ook wel doen verlangen naar een passage die iets meer durft te meanderen. Merkwaardig is daarbij dat de hoofdpersonen, vooral de mannen die gezamelijk de expeditie ondernemen, zo welbespraakt zijn.

Het was minstens de derde keer dat ik Nooit meer slapen gelezen heb, en ik zal het blijven aanraden, aan promovendi, en aan buitenlanders die de Nederlandse literatuur willen leren kennen. Het is aan de ene kant zo helder als glas, en uiteindelijk ook mysterieus. De schrijver klinkt net zo cerebraal als zijn hoofdpersonen en cirkelt tegelijk om onbeantwoorde vragen heen zoals die over de plaats van de mens in het heelal. Het is niet voor niets dat Wittgenstein met instemming wordt geciteerd - zijn vorm van rationeel zijn over de mystiek is ook kenmerkend voor Nooit meer slapen.

Labels: , ,

24.1.10

Multatuli. Duizend en eenige hoofdstukken over specialiteiten. Gutenberg Project, 2004 (1871). http://www.gutenberg.org/etext/10664

Multatuli. Duizend en eenige hoofdstukken over specialiteiten.

Multatuli, zonder veel competitie de belangrijkste Nederlandstalige schrijver van de negentiende eeuw, kon enorm zeuren. Sommige gedeelten vooral aan het begin van de Specialiteiten zijn behoorlijk langdradig, als hij maar eindeloos blijft herhalen dat echte specialisten, mensen die echt iets weten van binnen en van buiten, natuurlijk nooit in de Tweede Kamer willen, en de mensen die dat wel willen daarmee dus eigenlijk al een brevet van onvermogen geven, en we ook eigenlijk helemaal geen specialisten willen hebben in de Kamer, en ga zo maar door.

Af en toe maakt hij uitstapjes om over allerlei mensen die niet in de Kamer zitten te foeteren, zoals bijvoorbeeld over de taalgeleerden De Vries en Te Winkel die indertijd enkele spellingvereenvoudigingen voorstelden (om bijvoorbeeld geen zoo meer te schrijven, of om schildwacht voortaan als een vrouwelijk woord voor te stellen. Niet dat Multatuli het met die spellingwijzigingen oneens was, maar hij verweet die brave De Vries en Te Winkel als ik het goed begrijp dat ze hun voorstellen zo omzichtig en voorzichtig deden.

Maar gaandeweg komt Multatuli op dreef en verlaat hij de prietpraat om een steeds vlammender en romantischer betoog op te zetten tegen de prietpraat; een wereldbeeld waarin je je niet angstig moet verschuilen achter het kleine vakje van de maatschappij waar jij je zogenaamd op hebt toegelegd en waar niemand je echt kan bekritiseren omdat niemand er zoveel van afweet als jij, maar waarin 'de roeping van de mens [is] mens te zijn', een volledig, naar alle kanten ontwikkeld, volwassen mens, die ergens durft te staan en ook de specialisten durft te beoordelen, in ieder geval waar het gaat om zaken van algemeen belang.

Die moed om een volwaardig mens te durven zijn, was natuurlijk een van Multatuli's grote thema's -- de moed om niemand te volgen, maar op jezelf te durven staan (waarbij het dan weer wel nodig was om Multatuli zelf goed te volgen en te bestuderen, want het wemelt van de verwijzingen naar eigen werk, die je eigenlijk allemaal zou moeten opzoeken).

Onwillekeurig vroeg ik me af in hoeverre Multatuli's onvrede over de Nederlandse samenleving iets kan zeggen over het moderne ongenoegen van veel meer mensen over de samenleving. Er zijn wel overeenkomsten. Ook nu wordt er wel veel gemopperd over de 'elite' die de dienst uitmaakt op basis van een masterdiploma, het moderne brevet van specialiteitendom. En jezelf durven staan staat ook al hoog in het vaandel. Helaas ontbreken er dan wel bij al die mopperaars en zelfverwerkelekers (en ook bij mij en iedereen) twee dingen die Multatuli wel had. Allereerst de originaliteit om dan ook werkelijk een persoon te zijn met oorspronkelijke eigen meningen, hoe irritant die soms ook zijn. En in de tweede plaats een steeds weer verbazingwekkende schrijfstijl.

Labels: , ,

10.1.10

Willem Frederik Hermans en Gerard Reve. Verscheur deze brief! Ik vertel veel te veel. Amsterdam: De Bezige Bij, 2009 (2008).

Willem Frederik Hermans en Gerard Reve. Verscheur deze brief! Ik vertel veel te veel W.F. Hermans maakte tijdens zijn leven bezwaar tegen schrijvers die dagboeken, brieven en andere ego-documenten publiceerden, omdat deze afleidden van het echte werk; en het echte werk, dat waren de romans. Gerard Reve daarentegen brak uiteindelijk door met de twee brievenboeken Op weg naar het einde en Nader tot U en publiceerde ook verder tijdens zijn leven een aantal brievenboeken met soms prachtige brieven.

Wie had er gelijk? Als ik Verscheur deze brief! leest, moet ik wel concluderen dat dit Hermans moet zijn geweest. Afgezien van de echte liefhebbers van Reve en Hermans, die �lles over die twee auteurs willen weten, hebben de boeken weinig te bieden, vind ik.

De correspondentie bestond in de eerste plaats vooral in de jaren vijftig, was voor een deel zakelijk en bestond uit brieven die overduidelijk in ��n keer werden geschreven. Verder had Reve helaas besloten dat hij voortaan in het Engels wilde schrijven omdat hij zijn buik vol had van de Nederlandse 'litteratuur', wat zijn brieven stilistisch nogal vlak maakt, terwijl Hermans nu eenmaal niet zo'n brievenschrijver was.

Ook inhoudelijk is het werk weinig interessant. Over �cht persoonlijke dingen schrijven de twee schrijvers elkaar nauwelijks — misschien omdat ze op dat punt zo verschillend waren. Hermans ging het uiteindelijk alleen om het schrijven en leidde daarbuiten zo op het oog een tamelijk kleurloos bestaan, terwijl Reve een excentriekeling was. In het begin schreven ze elkaar nog wel tamelijk uitgebreid en lovend over elkaars werk, maar zelfs daar krijg je het idee dat het ze vooral te doen was om steun bij elkaar, de twee enige echt getalenteerde schrijvers in een miezerig land tijdens een miezerig decennium.

Op een bepaald moment komt het tot een breuk, om redenen die niet helemaal duidelijk zijn. Psychologisch interessant is dat de breuk lijkt te gebeuren omdat Reve in het openbaar iets onaardigs over Hermans heeft gezegd. Maar het lijkt mij terecht dat Reve dan opmerkt dat Hermans zelf over sommige anderen (zoals de dode Ter Braak) nog veel naarder dingen teberde heeft gebracht. Wat je nog steeds ziet, gold dus ook voor Hermans: degene die het hardst om zich heen meppen zijn het kleinzerigst (Reves woord) als ze zelf een klapje krijgen.

Daarna blijft Reve het nog decennia proberen; ik denk dat hij dit deed omdat hij inmiddels brievenboeken was gaan uitgeven en het commerci�le succes van een boek met W.F. Hermans in het verschiet lag.

De reden waarom ik door ben blijven lezen, is toch vooral ��n zin, uit een brief van Reve aan Hermans van juni 1949: 'Ik ben soms bang dat je ergens in Zuid-Frankrijk met wat opgedroogd bloed om neus en mond in een greppel ligt en het niet durft te vertellen.' Dat is zo'n onvergetelijke zin, dat je het hele boek blijft hopen op nog zoiets, of iets wat er op zijn minst in de buurt komt. Dat komt niet meer. De twee grote schrijvers hebben elkaar in correspondentie niet echt weten op te zwepen.

Labels: , ,

1.1.10

A.L. S�temann. De structuur van Max Havelaar. Bijdrage tot het onderzoek naar de interpretatie en evaluatie van de roman. Leiden: DBNL, 2008 (1966)

Multatuli. Max Havelaar De studie van de Nederlandse literatuur staat jammer genoeg niet op een heel hoog plan. In de Digitale Bibliotheek van de Nederlandse Letteren is het boek van A.L. Sötemann over de Max Havelaar opgenomen als een van de duizend 'basisteksten' die je als geletterde Nederlander gelezen moet hebben, net als de roman zelf. Het boek heeft me weinig plezier verschaft.

Ik wil niet flauw doen, maar Sötemanns boek is vooral zo structuurloos. Hij neemt een aantal op het eerste gezicht tamelijk willekeurige structuuraspecten van Max Havelaar en onderzoekt die door vooral heel veel voorbeelden te geven, die dan echter bijvoorbeeld weer niet worden gekarakteriseerd. Welke conclusies men vervolgens uit deze manier van handelen moet trekken, behalve dat inderdaad kundig is aangetoond dat het boek heel knap in elkaar zit, kom je eigenlijk niet te weten. Hoewel Sötemann zijn betoog net als Multatuli af en toe rijkelijk lardeert met buitenlandse citaten, in zijn geval komend uit andere literatuurwetenschappelijke literatuur, wordt mij in ieder geval niet heel erg duidelijk in hoeverre de literatuurwetenschap in zijn geheel nu opschiet met zo'n individuele analyse van een meesterwerk. Een kader ontbreekt en daarmee krijgt de hele analyse iets willekeurigs.

Uiteindelijk heb ik het boek vooral uitgelezen om nog iets langer te kunnen nadenken over Max Havelaar, dat ik vorige week las. Sötemann beschrijft vooral wat voor effect het boek op de lezer in 1860 moet hebben gehad, en hoewel ik daar wel wat van heb geleerd (dat makelaars in koffie in die tijd algemeen al als minderwaardig werden beschouwd bijvoorbeeld) is dat niet de vraag die mij het meest interesseert. Ik vind het leuker om na te denken waarom het boek nu nog steeds zo mooi is. Dat dit komt door de centrale boodschap (dat het nodig is om rechtvaardig te leven, dat Max Havelaar zo'n prachtkerel was), geloof ik niet. Het moet iets zijn in de veelgeprezen stijl, maar wat is dat? Ik kan de vinger er ook niet op leggen, maar in ieder geval zie je dat wat mij betreft een van de centrale thema's van het boek is (de vraag hoe je toch een verhaal moet vertellen), zelfs op het niveau van de individuele zin terug komen. De grapjes die gemaakt worden met Droogstoppel die af emn toe vermeldt dat zijn zoon Frits andere woorden gebruikt dan hij, en die zich verduidelijkt middels de frase 'meen ik':

Er wordt daar gesproken van een kind dat aan de borst van de moeder ligt - dit kan er d��r - maar: "dat ter-nauwer-nood aan den moederlyken schoot onttogen is" zie, dit vond ik niet goed--om daarover te spreken, meen ik - en myn vrouw ook niet.

Maar bij dat alles blijf je toch betrekkelijk machteloos staan tegenover het wonder dat zich voltrekt, het eigenaardige feit dat zelfs de uit hun band gerukte citaten uit de Max Havelaar in Sötemanns boek de dag opfleuren.

Labels: , , ,

27.12.09

Multatuli. Max Havelaar. Of: De koffiveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappy.Project Gutenberg, 2004. (1859)

Multatuli. Max Havelaar Hoe vaak heb ik Max Havelaar gelezen? Ik denk minstens een keer of zes. Maar de laatste keer is alweer minstens acht jaar geleden en dat is jammer, want het is een van de levendigste boeken die ik ken. Om allerlei redenen - het boek is 150 jaar geleden verschenen en de kranten besteden er weer aandacht aan, ik ben e-books aan het lezen en dit boek was de eerste Nederlandse roman die in elektronische versie verscheen, enz. - besloot ik het nu weer te lezen.

Zoals dat gaat: het bleek toch weer rijker dat ik me herinnerde. Zo heb ik eerder geloof ik altijd wat sneller heengelezen over de passages waarin precies wordt uiteengezet hoe Max Havelaar ook in eerdere betrekkingen in Nederlands-Indië, dan zijn baan als assistent-resident van Lebak al onheus bejegend werd door de regering. Nu beken ik dat ik ook nu nog moeite had om precies te volgen hoe dat nu allemaal precies zat, maar ik vond die passages nu toch ook interessant. Wat weet ik toch eigenlijk veel niet over hoe dat zat met die Nederlandse aanwezigheid in dat grote land.

Het boek is ook duidelijker antikolonialistisch dan ik me herinnerde. Natuurlijk, de misstand die in het grootste detail beschreven wordt is dat Inlandse hoofden wordt toegestaan hun bevolking uit te zuigen. Maar je kunt dat ook zien als een manier om de boodschap aanvaardbaarder te maken voor de Nederlandse lezer, en je hoeft niet zo heel goed te kunnen lezen om te zien dat het Nederlands bestuur en vooral het militaire bewind (een dorp is door de Nederlanders aangevallen en staat dus in brand)
ook hard wordt aangeklaagd. Op de een of andere manier had ik dat goede lezen bij een vorige beurt kennelijk achterwege gelaten.

Maar af en toe heb ik ook aan Connie Palmen gedacht. Een paar weken geleden las ik haar essay Het geluk van de eenzaamheid en ik was er niet van onder de indruk. Toch blijkt zich nu een idee uit dat boek in mijn hoofd te hebben vastgezet. Palmen denkt dat alle (goede) literatuur gaat over de manier waarop wij mensen de hele tijd fictie maken van ons leven, om er zin aan te geven, omdat we anders niet kunnen. Er zijn vast verhalen te vinden waarvoor deze stelling van Palmen niet opgaat, maar Max Havelaar is vanaf de eerste tot de laatste bladzijde een uitstekende illustratie bij haar stelling. Tot in de kleinste details gaat het boek over de vraag hoe de waarheid te vertellen. Werkelijk iedere willekeurige zin verhaalt over de manier waarop iedereen de hele tijd zijn eigen waarheid verzint en daar ook onmiddellijk in gelooft. Het mooiste detail: de beschrijving van het huis van de familie Havelaar, die wordt gegeven in een quasi-wiskundige vorm van een raster waarbij voor ieder vakje wordt beschreven wat daar gebeurt.

Het is lange tijd dat ik Max Havelaar gelezen heb, maar als ik het goedheb ben ik niet de enige. Ik heb het idee dat de Multatuli-verering in Nederland pakweg twintig jaar geleden groter was dan nu. Je las toen regelmatig columnisten en andere schrijvers die hun onversneden liefde voor de negentiende-eeuwer zongen. Misschien lees ik de verkeerde dingen, maar dat soort liefdesbetuigingen lees ik niet meer. Dat is onterecht, en misschien zelfs een slecht teken, want er is geloof ik toch echt geen betere schrijver in het Nederlands geweest dan Multatuli.

Labels: , ,

19.12.09

Anne Frank. Het Achterhuis. Amsterdam: Contact, 1947.

Dagboek van Anne Frank

Anne Frank is waarschijnlijk wereldwijd de beroemdste Nederlandse schrijfster van de twintigste eeuw en wie weet is dat ook wel terecht. Want zelfs als je afziet van het vreselijke lot dat haar trof, en het schrille contrast dat dit lot vormt met de hoop die ze blijkens haar dagboek tot het eind bleef koesteren, zelfs dan is haar dagboek verpletterend mooi, omdat een meisje je zo nabijkomt door alles over zichzelf te weten en dat in heldere en sprankelende zinnen op te schrijven. Ze zeurt nooit, ze is nooit overdreven vaag of onduidelijk, ze kan heel goed kijken en ze weet hoe ze moet beschrijven wat ze ziet. Meestal lezen Nederlanders het dagboek terwijl ze zelf kind zijn; maar een normaal kind kan niet zien hoe bijzonder Anne was.

Je kunt dat lot natuurlijk niet vergeten. Het onbegrijpelijke van het antisemitisme van de nazis, die drang om een groep mensen dood te drukken, wordt voelbaar in dit meisje dat zo duidelijk niemand kwaad deed. De honger, de eenzaamheid, het gepieker over de haat, zelfs dat ze die dingen in de onderduik moest meemaken snijdt al diep door je ziel, evenals het verwijt dat ze zichzelf af en toe maakt omdat ze het zoveel beter had dan anderen.

Die twee dingen versterken elkaar onwillekeurig. Natuurlijk heeft iemand met een groot talent niet meer recht op leven dan een ander. Maar de gedachte dat al dat streven naar zelfverbetering, al dat studeren, al dat enorme talent, alles wat ze had kunnen betekenen voor de samenleving, uiteindelijk zomaar vertrapt werd, werpt uiteindelijk een grote schaduw over het geheel. "Dat is voor mij het ontroerende van dit dagboek," schrijft Annie Romein-Verschoor in haar inleiding. "Zoals die kleine dappere geranium daar heeft staan bloeien en bloeien achter de geblindeerde ramen van het achterhuis."

Het Achterhuis is als pdf te downloaden van de website van de dbnl.

Labels: , , , ,

17.12.09

Gerrit Komrij. Papieren tijgers. Amsterdam: De Arbeiderspers, 1978.

Gerrit Komrij

Van Gerrit Komrij heb ik bijna alle boeken, of in ieder geval de boeken die verschenen zijn tot ergens begin jaren negentig. Hij was de eerste Nederlandse levende dichter met wie ik een beetje dweepte, als scholier heb ik ooit de premiere van een toneelstuk van hem bijgewoond. Ik leerde gedichten van hem uit mijn hoofd en probeerde te schrijven zoals hij. Op een zeker moment kwam daar verandering in. Niet omdat er iets gebeurde, maar omdat ik mijn belangstelling verloor, zonder dat ik zelfs kan zeggen waarom. Ik heb nog steeds als zijn oude boeken, maar zijn nieuwe boeken heb ik niet meer.

Tussen die oude boeken ontbreekt Papieren tijgers. Ik heb het ooit gehad, maar het is verdwenen, mogelijk heb ik het ooit uitgeleend of ergens laten liggen. Nu heb ik het dan herlezen en wel om te vieren dat ik een nieuw stuk speelgoed heb: een e-book reader. Van de website van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren heb ik het gedownload, in de vorm van drie pdf's (1, 2, 3). En toen heb ik voor het eerst een heel boek dat niets met mijn werk te maken had vanaf een schermpje gelezen! Wat een prachtige uitvinding, zo'n e-book reader. Het leest echt bijna net zo prettig als een papieren boek.

En dan maakte ik ook nog tussen neus en lippen door hernieuwd kennis met een boek dat ik misschien al vijftien jaar niet meer had aangeraakt, terwijl ik het daarvoor enkele malen gelezen moet hebben. Ik kon me sommige stukken nog herinneren - de hilarische humor, en vooral de woedende aanklacht tegen Scientology, die Komrij in latere stukken zou voortzetten -, maar andere niet meer. Dat komt onder andere doordat mijn smaak duidelijk veranderd is. Grote stukken van Papieren tijgers vond ik nu flauw: waarom is het nodig om bijvoorbeeld boulevardblaadjes aan te vallen? Of om F.B. Hotz op te hemelen? Van de afgekraakte debutanten kan ik er nu nog slechts een terugvinden op Google: Roeland Kerbosch, tegenwoordig eigenaar van een BV in de filmindustrie. De stukken zijn allemaal brilant geschreven en daardoor heel amusant, maar ook te ironisch om de lezer echt te raken ('Eer zal ik kakken in mijn hoed / dan dat ik u mijn ziel blootleg / en zeg wat ik nu lijden moet', dat was toch wel Komrijs lijfspreuk).

Maar dan eindigt het boek ineens prachtig, met essays die indertijd helemaal niet hebben mogen beklijven: een aantal artikelen over de negentiende-eeuw en dan vooral het allerlaatste artikel over enkele totaal en terecht vergeten dichters uit de arbeidersklasse, die zich vooral voegden naar de status quo en daardoor door de dominee, de dokter en de notaris in het hart werden gesloten. Weg is hier ineens de ironie, hier rijst Komrij ineens met al zijn belezenheid, zijn verontwaardiging en zijn goede smaak op van het grijze schermpje van de e-book reader.

(Zie Achille van den Branden en Boeklog voor heel andere manieren om dit boek te lezen.)

Labels: , , , ,

13.12.09

Connie Palmen. Het geluk van de eenzaamheid. Amsterdam: Athenaeum - Polak & Van Gennep, 2009.

Connie Palmen. Het geluk van de eenzaamheid. Hoe serieus kun je iemand nemen die in vale lompen gehuld pleit voor smaakvoller kleedgewoonten? "De paradox van de stijl", schrijft Connie Palmen in een van de lelijkere passages van haar 'essay' Het geluk van de eenzaamheid, "kenmerkt zich door dezelfde dubbelzinnigheid die ten grondslag ligt aan wat ik als het persoonlijke bestempel: wat markant en eigen is aan onszelf is deels het resultaat van het onzichtbare werk van onpersoonlijke ficties."

Ik vind Het geluk van de eenzaamheid lelijk op bijna ieder niveau dat ik kan bedenken. De individuele zinnen zijn lelijk, er is nauwelijks sprake van enige compositie, doordat er geen voorbeelden worden genoemd en de discussie heel abstract blijft, begint de persoonlijkheid van de auteur nergens echt te leven, en dat alles dus in een pleidooi voor stijl, voor compositie, voor doordenken, en voor persoonlijkheid.

Inhoudelijk lijkt het me ook nog eens romantische onzin: denken dat stijl en persoonlijkheid hetzelfde zijn, dat je in een schrijver die je bevalt een vriend ontdekt. Ik denk dat ik na dit essay geen boeken van Connie Palmen meer zal willen lezen, maar ik heb geen idee of ik haar wel of niet aardig zou vinden in het dagelijks leven.

De recensies die ik heb gelezen, laten dit boekje een polemiek zijn, met Thomas Vaessens, de hoogleraar literatuur die de literatuur zou verkwanselen, en Herman Koch, die een epigoon van J.D. Salinger zou zijn. Ik lees dat er niet zo in (naar Koch wordt inderdaad wel een keer tamelijk expliciet verwezen) en vind het ook niet zo interessant. Eigenlijk vraag ik me sowieso af waarom die hele discussie over hogere en lagere cultuur mij als eenvoudige lezer zou moeten interesseren. Is er een gevaar? Madame Bovary, Don Quichotte en de boeken van Philip Roth (enkele van Palmens voorbeelden) zijn bij iedere beter gesorteerde boekwinkel, en in ieder geval via internet, vrij gemakelijk te verkrijgen. Voor een schrijfster als Palmen, wiens vroege succes op het eerste gezicht vooral te maken had met buitenliteraire factoren, is het misschien belangrijk om haar markt te bevechten. Maar waarom doet ze dat niet door wat mooie boeken te schrijven?

Labels: ,

15.11.09

Onno Blom en Ilja Leonard Pfeijffer. Oude en nieuwe Leidsche. Amsterdam: De Arbeiderspers, 2009.

Onno Blom en Ilja Leonard Pfeijffer. Oude en nieuwe Leidsche Een boek met verhalen over Groningen of Arnhem zou ik nooit hebben gelezen, maar in Leiden woon ik toevallig, dus deze 'kloeke bundel' (flaptekst) heb ik meteen gekocht toen ik hem bij de Ako op het Leidse station zag liggen.

De inleiding is raar. Oude en nieuwe Leidsche begint zo:

Leiden is beter dan Amsterdam. Je hoeft niet eens zo heel veel verstand te hebben van belangrijke dingen om dat in te zien.

Eerste zin van de tweede, eerste zin van de derde en eerste zin van de vierde alinea:

Maar waarom moeten we het eigenlijk hebben over Amsterdam? ...
Er zijn sowieso te veel schrijvers en zeker in Amsterdam. ...
Amterdam is tot op het bot provinciaal. ...

Is Leiden daarmee goed neergezet, de zoveelste stad waar men als beste kwaliteit kan aanvoeren dat men Amsterdam niet is? Dat blijkt eigenlijk niet uit de verhalen, waarin de hoofdstad verder nauwelijks voorkomt. (De enige uitzondering is een verhaal van Karel van het Reve waarin hij de roerige opstand van Amsterdamse studenten in de jaren zestig vergelijkt met de gezapige bezetting van een achterafzaaltje in het Leidse Academiegebouw.)

Er blijken maar weinig verhalen te zijn van mensen die in Leiden geboren en getogen zijn. Een prominent genre is natuurlijk het studentenverhaal, van Klikspaan tot Boudewijn Büch, over de dekselse antiburgerlijke student. Dat vond ik niet de leukste verhalen, zoals ik ook de verhalen die vooral gaan over de Breestraat en de Doelenstraat en de Hogewoerd en de Haarlemmerstraat en wat je nog meer kunt bedenken aan couleur locale niet het allerleukst vond (een 'verhaal' is een ingezonden brief van Huizinga uit 1923 waarin hij betoogt dat de Lange Mare niet gedempt moet worden). Het mooist vond ik de verhalen die zich min of meer toevallig in Leiden afspeelden, zoals het verhaal van A.F.Th. van der Heijden die vanuit Wassenaar in een dronken bui besluit naar een restaurant in Leiden te gaan en daar in een handgemeen verzeild geraakt. Dat verhaal had zich ook in Groningen kunnen afspelen, of in Arnhem, al had ik het in dat geval niet gelezen.

Labels: ,

16.9.09

Ilja Leonard Pfeijffer en Gelya Bogatishcheva. De filosofie van de heuvel. Op de fiets naar Rome. Amsterdam: De Arbeiderspers, 2009.

Ilja Leonard Pfeijffer en Gelya Bogatishcheva. De filosofie van de heuvel Net als iedereen in Leiden heb ik een trommeltje met Ilja-anekdoten. Hoe wij samen ooit het bestuur vormden van het Leids Studenten Kamer Orkest, en dit LESKO zodanig aan de rand van de afgrond brachten dat het oude bestuur ingreep. Hoe hij ooit een gedicht in mijn poesie-album schreef. Hoe aardig hij was, veel aardiger dan zijn publieke imago deed vermoeden, als hij de dames afpoeierde in de Burcht toen we daar een keer zaten bij te praten.

En nu is hij weg. Twee jaar geleden kreeg hij een nieuwe vriendin, de Russische Gelya Bogatishcheva en samen zijn ze in juni 2008 naar Rome vertrokken, op de fiets, op twee heel eenvoudige fietsen. Ilja had de zijne vlak ervoor bij de Turkse fietsenhandelaar op de Kaasmarkt gekocht, en Gelya was al een tijdje bezig op haar gele fietsje rond te rijden. Veel bagage namen ze niet mee � en zes weken later kwamen ze aan in Rome.

gedicht Ilja Pfeijffer

Ilja Leonard Pfeijffer (Rijswijk, 1968) heeft nu een boek geschreven over die reis, De filosofie van de heuvel. Op de fiets naar Rome. Zijn vriendin is medeauteur omdat zij (heel mooie) foto's in het boek publiceert. Maar verder is het boek vooral het werk van Ilja � niet de Pfeijffer van de experimentele gedichten, of de polemische recensies, of de zelfverzekerde taalspelerige romans, maar de Ilja uit het dagelijks leven. De Ilja die nu node gemist wordt in Leiden.

De filosofie van de heuvel is vooral het verslag van een verliefdheid. Pfeijffer is verliefd op Gelya, het Russische meisje dat zo grappig is, en stoer, en kwetsbaar en wijs � en hij is verliefd op Genua, de Italiaanse stad die zo vriendelijk en smerig is, en waar de dichter en zijn vriendin onmiddellijk naar terugkeren nadat ze in Rome zijn aangekomen, om er zich te vestigen.

Door die verliefdheid is de toon van het boek vederlicht. De wereld bestaat alleen uit het verliefde paar en hooguit wat omstanders die zich erover mogen verbazen dat het mogelijk is, twee mensen die op z�lke fietsen van Leiden helemaal naar Rome fietsen en die hen om de haverklap een drankje aanbieden. Ver weg zijn de caf�s Burgerzaken en De Burcht en de strijd om het Dichter der Vaderlandschap en alle luidkeels verkondigde theorie�n over hoe literatuur dient te zijn. Af en toe verontschuldigt Pfeijffer zich nog wel, bijvoorbeeld over het feit dat hij in het buitenland ineens ros� is gaan drinken. Of: "Ik had mij nog nooit zo gelukkig gevoeld als de afgelopen dagen met Gelya in Genua. Als schrijver mag ik dat soort zinnen niet schrijven, ik weet het, maar het maakt me geen fuck uit want het is waar."

Voor de pfeijfferologie lijkt me vooral de vergelijking met Het ware leven. Een roman uit 2006 van belang. In dat boek figureren onder andere een veel te dikke dichter die zijn dagen slijt in Burgerzaken alsmede een vrouw met een midlifecrisis die naar Itali� vertrekt om daar het ware leven en zichzelf te ontdekken. Zowel die dichter als die vrouw worden in Het ware leven nog vol spot beschreven, je kunt je na afloop van het boek niet aan de indruk onttrekken dat Pfeijffer de gedachte dat je naar Itali� zou moeten om jezelf te vinden nogal belachelijk vindt als je ook in Leiden kunt blijven rondhangen. De lezer van De filosofie van de heuvelwordt overweldigd door het gevoel dat hijzelf ook zo snel mogelijk weg moet van hier, om zich in Itali� te vestigen met zijn eigen lief.

Het bezwaar dat critici vaak tegen hem hadden wordt hier opgeheven en soms omgedraaid. Ik geloof dat Pfeijffer vaak een zekere leegheid werd verweten, hij speelde volgens hen wel heel mooie taalspelletjes die leidden tot fraai klinkende en technisch goed in elkaar stekende literaire werken, maar veel inhoud hadden ze niet.

Een enkele keer is De filosofie van de heuvel zelfs een beetje saai, als Pfeijffer beschrijft hij zich via welke route van het ene Franse stadje naar het andere begeeft en onderweg allerlei natuur tegenkomt waarvoor hij geen andere woorden heeft dan 'een droom'. Maar het gebruik van zo'n clich� maakt de schrijver duidelijk geen fuck meer uit, en de lezer eigenlijk ook niet. De inhoud is in sommige opzichten misschien nog steeds een beetje mager � de filosofie van de heuvel blijkt een soort boeddhisme voor beginners - maar het geluk spat van de pagina's en dat is aanstekelijk geluk, het soort simpele geluk dat bovendien binnen handbereik lijkt als je het alleen maar even wil pakken. Het soort simpele geluk waar je bovendien niet ironisch over doet, maar dat je benoemt: geluk.

Een iets langere versie van dit stukje verscheen in Forum van de Faculteit der Geesteswetenschappen, Leiden.

Labels: , ,

18.5.09

Tim Krabb�. Een tafel vol vlinders. Amsterdam: Bert Bakker, 2009.

Tim Krabb�. Een tafel vol vlinders Een tafel vol vlinders is een novelle die duidelijk gaat over het vaderschap, maar die voor de helft bestaat uit dagboekaantekeningen van de zoon die het nauwelijks heeft over zijn vader, ook niet indirect. En dat is dan ook meteen het commentaar op het vaderschap, want die dagboekaantekeningen volgen op het deel waarin we eerst te horen hebben gekregen hoe de vader de onderlinge relatie zag — en overwaardeerde.

Verder is dit een aangrijpend boek, op de manier waarop ik alle boeken die ik van Krabb� las aangrijpend vond: met een gevoel alsof het eigenlijk niet was toegestaan, alsof je je inlaat met sentimenten die je eigenlijk alleen maar stiekem kunt hebben: het puberale getwijfel in dit geval, de wanhoop van de negentienjarige jongen die het uitmaakt met zijn vriendin en dan ineens ziet dat het meteen nooit meer goedkomt. (Terwijl die vriendin haar vorige vriend voor hem had verlaten, en die vorige vriend haar juist telkens weer terug zou nemen. Ook nu weer.) De onbegrijpelijkheid van het leven, de onbegrijpelijkheid van de ander en van jezelf, de wanhopige pogingen om van een kind te houden van wie je uiteindelijk niets begrijpt en die je misschien opzadelt met allerlei ambities die dat kind niet dragen kan.

Labels: , ,

31.3.09

Robert Vuijsje. Alleen maar nette mensen. Amsterdam: Nijgh en Van Ditmar, 2009 (2008)

Robert Vuijsje. Alleen maar nette mensen Wat zijn er toch veel problemen op de wereld. Neem nu de mensen die in Oud Zuid wonen, of om preciezer te zijn, de mensen die in die wijk zijn opgegroeid. Die mensen willen misschien helemaal niet zo'n keurig aangeharkt leventje als van ze verwacht wordt; ze willen een dikke, ongecompliceerde negerin. Maar dan wel een die boeken leest. Of anders misschien toch maar hun vriendinnetje uit hetzelfde milieu.

Alleen maar nette mensen gaat over zo iemand, een zekere David, die joods is, maar er zo donker uitziet dat hij vaak voor een Marokkaan wordt aangezien, en die in het algemeen voelt dat hij nergens bijhoort en nergens goed voor is.

Ik heb toen het boek vorig jaar uitkwam een sympathiek interview met de schrijver gehoord, maar het is er toen niet van gekomen om het te kopen en te lezen. Omdat het nu genomineerd is voor de Gouden Uil, lag het weer in de winkel. Ik kocht het, op zoek naar een licht en vermakelijk boek, en dat is precies wat ik vond.

Alleen maar nette mensen lijkt me te behoren tot het nieuw ontdekte genre van de sociologische roman. Het best is het als een journalistiek verslag van twee bepaalde milieus in Amsterdam — dat van de Bijlmer en dat van Oud Zuid. Het laat zien hoe groot de sociale afstand tussen die twee plaatsen is die maar op een steenworp afstand liggen van elkaar. Het manco ervan is misschien dat het wel erg vanuit Oud Zuid geschreven is; de schrijver doet weinig moeite om uit te leggen waarom het zo moeilijk is voor die David om weg te komen uit dat milieu.

De frase 'Alleen maar nette mensen' wordt verondersteld om onderdeel te zijn van de satire. Het is hoe buurtbewoners de samenstelling van Oud Zuid beschrijven, en daarmee bedoelen ze eigenlijk: geen buitenlanders, en vooral geen Marokkanen. Dat maakt de schrijver een beetje belachelijk. Tegelijkertijd behoren de enige echte mensen, de minst karikaturale in dit boek uiteindelijk toch allemaal tot de 'alleen maar nette mensen'. De zwarte vrouwen worden wel begeerd, maar gedragen zich allemaal vooral heel heftig, niet erg inleefbaar menselijk.

Labels: ,

14.3.09

Arnon Grunberg. Kamermeisjes & soldaten. Arnon Grunberg onder de mensen. Amsterdam: Nijgh en Van Ditmar, 2009.

Arnon Grunberg. Kamermeisjes en soldaten. Arnon Grunberg onder de mensen Dit is het leven van Arnon Grunberg: 'Mochten er mensen zijn die zich door mij verwaarloosd voelen, staat het hun vrij op zoek te gaan naar mensen die minder aan verwaarlozing doen dan ik.' Dat schrijft hij in de inleiding van zijn nieuwe boek Kamermeisjes en soldaten, waarin hij reportages verzamelde over onder andere zijn reizen met Nederlandse soldaten in Afghanistan, zijn bezoek aan een Amerikaanse in een Peruaanse gevangenis, en zijn werk als kamermeisje in Oostenrijk en treinbediende in Zwitserland.

Schrijvers moeten af en toe onder de mensen komen. Ik ben ervan overtuigd dat de Nederlandse literatuur beter af zou zijn als veel Nederlandse schrijvers niet de hele tijd allemaal romans zouden schrijven, maar in plaats daarvan genres die hun beter zouden liggen, zoals de reportage of het interview.

Maar dat geldt dan weer niet voor Arnon Grunberg, blijkens dit boek. De schrijver loopt een beetje verloren rond in de meeste van deze reportages. Bovendien is de stijl niet altijd zo zorgvuldig als in de romans:

Kapitein Cynthia, voorlichter bij Defensie, begroette mij in de vertrekhal van de luchtmachtbasis. Zij zou met me meereizen, tot het einde, naar Afghanistan en weer terug. Er waren minder familieleden van militairen dan ik had gehoopt. Dramatische afscheidstaferelen bleven me bespaard.

Het verband tussen de laatste twee zinnen lijkt uitbreidend: de taferelen bleven uit vanwege het feit dat er minder familieleden waren. Maar in dat geval conflicteren 'minder dan ik had gehoopt' (dat de situatie als beneden verwachting evaluaeert) met 'bleven me bespaard' (dat juist een positieve evaluatie impliceert). Misschien is er een andere relatie bedoeld — een van tegenstelling — maar die zie ik dan niet.

Misschien is dit een beetje gezeur, maar Grunberg moet het vaak hebben van zijn stijl, en in dit boek al helemaal. Hoewel hij spectaculaire dingen doet, vind ik niet dat de schrijver erg diep graaft. De kamermeisjes en soldaten blijven toch vooral een beeje curieuze types die rare dingen doen, eigenlijk meer het soort personages uit de vroege romans van Grunberg dan uit de latere. Ik heb het boek wel met veel plezier gelezen; maar ik zal het niet snel nog een keer naslaan, ben ik bang.

Labels: , ,

9.11.08

Harry Mulisch. Twee vrouwen. Amsterdam: CPNB, 2008 (1975).

Harry Mulisch. Twee vrouwen Twee vrouwen is volgens het omslag van de uitgave die ik deze week voor tien euro kocht 'peilloos diep'. Dat is moeilijk te weerleggen: de lezer die de peilloze diepte niet ervaart, is misschien wat oppervlakkig. Maar ik ervaar de peilloze diepte niet.

Het verhaal is tamelijk rechttoe-rechtaan: gescheiden vrouw leert een geheimzinnig meisje kennen, de twee beginnen een relatie; dan loopt het meisje weg met de ex-man van haar geliefde; na een paar maanden komt ze echter weer terug: ze is zwanger van de man, maar dat kind wil ze aan haar geliefde geven. Dan wordt ze echter door de man vermoord.

Waaruit bestaat de peilloze diepte? Niet uit het gevoel. Daarvoor is de liefde tussen de twee vrouwen vooral te vanzelfsprekend. Laura ziet Sylvia en weet: met haar ga ik samenwonen, maar grote hartstocht of tederheid komt daar niet aan te pas. En daarmee worden de gevoelens van verlatenheid als Sylvia wegloopt, of verdriet als ze dood is, ook minder invoelbaar.

Misschien komt de peilloze diepte uit de verwijzingen naar kunst en mythologie? Maar die verwijzingen zijn er ook alleen maar voor zover ze er zijn. Je kunt ongetwijfeld allerlei spelletjes bedenken, alle fallische symbolen en symbolen voor de vagina op een rijtje zetten, maar is dat diep? De gedachten over de verschillen tussen man en vrouw, of over de verhouding tussen de seksen, zijn die diep?

Eigenlijk word je door die 'peilloze diepte' op het omslag vooral op het verkeerde been gezet, want Twee vrouwen is een onderhoudend boek met een mooi verhaal dat knap verteld wordt. Niet ieder goed boek hoeft een verpletterend meesterwerk te zijn.

Labels: ,

30.10.08

Paul Verhoeven. Jezus van Nazaret. Amsterdam: Meulenhoff, 2008.

Paul Verhoeven. Jezus van Nazaret Paul Verhoeven heeft duizend boeken over Jezus gelezen. Hij is lid van het Jesus Seminar, een groep Amerikaanse intellectuelen die proberen de 'historische' Jezus boven tafel te brengen. Dat is ook Verhoevens bedoeling, en daar heeft hij een spannend en onderhoudend boek over geschreven.

Dat is dan wel een boek geworden dat de hopeloosheid van die pogingen illustreert. Zoals Verhoeven zelf zegt, weten we maar twee dingen zeker over Jezus: dat hij gedoopt is door Johannes de Doper, en dat hij gekruisigd is in de tijd van Pontius Pilatus. Veel nieuwe zekerheden heeft ook de wetenschappelijke methode niet te bieden. Die methode behelst onder andere dat onprettige en onlogische elementen in de evangelie�n het serieust moeten worden genomen, onder het motto: zoiets verzin je niet, de evangelisten hadden er alleen baat bij Jezus zo gunstig mogelijk af te schilderen.

Maar dat gaat soms wel wat ver. Toen Jezus werd opgehaald is er geweld gebruikt door zijn leerlingen. Grof geweld, volgens Verhoeven. Dat komt, Marcus heeft daar een nogal bloedig verslag van maar, vooral, Mattheus en Lucas zwakken dat af. Dat kwam omdat het gewelddadige karakter van Jezus' revolutie hen niet goed uitkwam. Dat mag zo zijn, maar waarom zou Marcus dat desalniettemin toch niet verzonnen kunnen hebben?

Het beeld van Verhoeven is wel interessant. Volgens hem was Jezus een ondernemer met een timmerbedrijf die na zijn doop ontdekte dat hij exorcismen kon bedrijven en tot de overtuiging geraakte dat het Koninkrijk van God weldra zou uitbreken, en zich daartoe in Jeruzalem vestigde. Toen het Koninkrijk uitbleef, werd de groep rond Jezus steeds wanhopiger, en deels dus ook gewelddadig, en het eindigde voor Jezus met de dood: Verhoeven maakt een paar keer de vergelijking met Che Guevara.

Dat is een mooi verhaal, verteld door iemand met verstand van verhalen, maar uiteindelijk ook niet veel meer dan dat: een verhaal. Ik heb de afgelopen twee jaar een aantal van dat soort verhalen gelezen, visies op Jezus in de vorm van een roman: hier, hier en hier. Die verhalen hadden niet de pretentie van zoektocht naar de feitelijke waarheid die Verhoeven ten onrechte wel heeft - maar wat betreft verbeeldingskracht kan de filmregisseur zich uiteindelijk met de romanschrijvers meten.

Labels: , , ,

3.10.08

Peter Middendorp. Lange poten. Een jaar lang vreemdeling in Den Haag. Amsterdam: Prometheus, 2008.

Peter Middendorp. Lange Poten Zes jaar geleden las ik de eerste roman van Peter Middendorp, en ik bedacht dat hij misschien beter non-fictie kon schrijven. En zie eens, dat doet hij inmiddels. Op het Binnenhof schijnt hij inmiddels een bekende en zelfs enigszins beruchte figuur te zijn — een schrijver die weigert zich aan de code te houden.

Iedereen moet er kennelijk een beetje aan wennen: de voorlichters, de voorzitter van Nieuwspoort en wie al niet, dat er nu rond hun werkplek — Middendorp woont op de Poten — iemand rondloopt die alles opschrijft wat hij hoort en ziet. Het maakt niet uit of het enorm geheim is, het maakt niet uit of het Middendorp zelf in een wat bedenkelijk daglicht stelt. Hij schrijft het op, en nog steeds in een prettige stijl. Dit is een kenmerkend stukje voor ongeveer al die aspecten, behalve de zelfspot:

Laatst presenteerde Ruud Lubbers een boekje. Iets over dat hij weet hoe het verder moet met de samenleving. Lubbers ws gevraagd bij de gelegenheid te spreken. Dat hoefde je hem overigens geen twee keer te vragen. Man, wat kan die man lang praten. (...) Bij binnenkomst gaf Lubbers de eerste dame die hij tegenkwam opdracht zijn wagen te parkeren. Hij stond ergens op de stoep. Die met de sleutels er nog in.

Ik als lezer moet er ook wel een beetje aan wennen. Middendorp schreef deze stukjes oorspronkelijk voor de gratis krant De Pers. Zoekt hij niet af en toe gewoon naar sensatie? Hij is bijvoorbeeld de bron van het gerucht dat twee PvdA-Kamerleden in een al te innige omhelzing waren aangetroffen in de fractiekamer van het CDA. Maar hij noemde hun namen niet, en stelt ook weer die hang naar sensatie ter discussie. Dit maakt dit boek, al bestaat het ook alleen maar uit stukjes, en ook al gebeurde er het afgelopen jaar maar weinig op het Binnenhof, uiteindelijk tot een behoorlijk ingewikkeld boek, waarover je veel kunt nadenken.

Labels: , ,

12.9.08

Frits van Oostrom. Stemmen op schrift. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300. Amsterdam: Bert Bakker, 2006.

Frits van Oostrom. Stemmen op Schrift Vroeger, ach, vroeger dacht ik dat geschiedenis een zinloos vak was. Waarom zou je nu nog eens gaan opdiepen wat men vroeger ook al wist, maar niet de moeite waard vond om te onthouden? Terwijl je tijdens dat opdiepen zelf weer allerlei nieuwe dingen vergeet? Zo blijf je toch bezig en wat schiet je ermee op?

Die gedachte begin ik langzamerhand te verlaten, en dat komt door boeken zoals Stemmen op schrift: meeslepend geschreven boeken van echte onderzoekers, die laten zien wat we allemaal nog niet weten, en hoe betreurenswaardig dat gebrek aan kennis is. Dat we de rol van de vrouw in de middelnederlandse letteren waarschijnlijk tot nu toe onderschat hebben, bijvoorbeeld: een terugkerend thema in dit boek (vanaf de mogelijkheid dat in Hebban olla vogala een vrouw spreekt, tot en met de mogelijke rol van vrouwelijke mystici in het maken van de eerste vertaling van de bijbel.

Van Oostroms stijl wordt allerwege geroemd, en dat vind ik ook terecht. Een curiosum: in 1996 schreef ik een stukje over Van Oostroms gebruik van het woord werkendeweg in zijn boek Maerlants wereld. Dat woord komt in dit boek weer ��n keer voor: in het hoofdstuk over Jacob van Maerlant.

Labels: , ,

26.3.08

Bernlef. De pianoman. Amsterdam: Querido/CPNB, 2008.

Bernlef. Pianoman Een jongeman wordt ergens in Engeland aangetroffen. Hij spreekt geen woord, maar tekent wel een piano op een stuk papier. Als men hem dan ook een piano geeft, blijkt hij er een beetje op te kunnen spelen. Dat verhaal bereikt de media, de jongen wordt 'de pianoman' genoemd, in heel Europa lijkt men hem te herkennen, maar uiteindelijk blijkt hij een boerenjongen, die weggelopen is van huis.

Tja, waren hebben we dat verhaal eerder gehoord? Oh ja, natuurlijk, op het nieuws. Een paar jaar geleden is dit allemaal echt gebeurd. Nu heeft de schrijver Bernlef er een boekenweekgeschenk van gemaakt. Naar verluid werd Bernlef vooral geïntrigeerd door het zwijgen van die jonge pianoman — hij heeft er een verhaal gemaakt dat volgens een recensie die ik ergens las 'een ode aan de taal' is.

Dat is dan wel een ode van iemand die niet echt veel verstand heeft van taal en ook niet de moeite heeft genomen zich er in te verdiepen. Ach ja, hij is schrijver, he, dan weet je waarschijnlijk alles al. Zo denkt Bernlef kennelijk dat mensen in noord-Nederland echt nooit wat zeggen — vandaar dat hij zijn boerenzoon waarschijnlijk daar geboren laat worden, in plaats van in Beieren, zoals de echte pianoman. Omdat zijn ouders nooit wat zeggen, leert de jongen pas laat en heel gebrekkig zijn moedertaal. Dat is wel een heel bizar gegeven, en volgens mij in de geschiedenis nog niet voorgekomen. Er zijn wel zogenoemde wolfskinderen zoals het meisje Genie, dat inderdaad nooit meer haar taal leerde omdat haar ouders nooit tegen haar spraken — haar vader blafte alleen af en toe, als een hond. Maar Genie was pas een jaar of twaalf toen ze vrijkwam, terwijl Bernlefs pianoman Thomas alleen een paar jaar als kleuter een beetje geïsoleerd is geweest.

Verder blijkt Thomas een beetje Engels te kennen, namelijk een paar woorden, maar die woorden weet hij dan wel kennelijk steeds feilloos uit de context te halen. Het effect dat je als heel beginnende leerder van een taal nauwelijks kunt horen waar het ene woord begint en het andere eindigt, dat deert Thomas niet.

Ach, biologen zitten altijd te zeuren als er eens een paardebloem buiten het seizoen in bloei staat, misschien moet dit taalkundige gezeur daar ook onder gerekend worden. Maar dan gaat dit boek wel helemaal over een paardebloem in december, zonder dat wordt opgemerkt hoe vreemd dat is. Ach, nou ja.

Oh ja, nog een ding: wat hebben al die schrijvers toch met die voor- en achternamen? Een tijdje geleden schreef ik alover A.F.Th. die zijn novelle Mim ineens uitgaf onder de volledige naam A.F.Th. van der Heijden. J. Bernlef heeft dan weer een paar jaar geleden besloten dat hij alleen de achternaam 'Bernlef' zou gebruiken, maar op de een of andere manier heb ik hier een gesigneerd exemplaar van De pianoman; gesigneerd door 'Henk Bernlef'. Terwijl dat Bernlef nog niet eens zijn naam uit de burgerlijke stand is. Begrijpt u het of begrijp ik het.

Labels: , ,

2.3.08

Remco Campert. Nieuwe herinneringen. Amsterdam: De Bezige Bij, 2007..

Remco Campert. Nieuwe herinneringen 'Het dooit op de Overtoom' - dat is volgens Kees Fens een van de mooiste regels die hij kent, en zou hij in ieder handboek over poëzie moeten worden aangehaald. Zoveel spektakel had ik er zelf niet om gemaakt, maar deze eerste regel van het eerste gedicht van Camperts recentste bundel is inderdaad mooi. Zoals de hele bundel druipt van een heel mooi geformuleerde droevige melancholie. Waar zit hem dat toch in?

Gisteren had ik het met iemand over eten: dat je met de prachtigste sauzen de mooiste effecten kunt bereiken, maar dat je ook de voorkeur kunt geven aan pure smaken, aan een caprese van tomaat, mozzarella en basilicum. De gedichten van Campert zijn dat soort capresen. Hier is een strofe uit het gedicht 'op mijn 72ste':

het doodsbericht van onbekenden
hooguit een keer in de verte gezien
of over gelezen in de krant
kan me al ontroeren nu ik
voor mijn doen natuurlijk!
oud ben en besef
hoe dun het koord was
waarop ik feestelijke salto's maakte

De assonantie van o's en e's in de eerste regels, die overlopen naar de a's aan het einde, het subtiele maar grappige grapje met het uitroepteken, het dunne koord (dat in de volgende regels terugkomt: 'nog loop ik met tragere benen/over de blakerende landweg'). Hier is een meester aan het woord, een oude meester.

Labels: ,

6.1.08

Arnon Grunberg. Omdat ik u begeer. Amsterdam: Nijgh en Van Ditmar, 2007.

Arnon Grunberg weet waar zijn prioriteiten liggen. "Laat is het nog een keer uitleggen", schrijft hij. "Eerst komt mijn werk, dan komt een hele tijd niets, dan komt weer mijn werk. Daarna komt weer een hele tijd niets, dan weer mijn werk. Vervolgens komt er een hele tijd niets, en uiteindelijk mijn werk." Dat schrijft hij in dit boek aan een van de vrouwen die de afgelopen jaren hebben geprobeerd zijn geliefde te zijn.

Grunbergs universum is onherbergzaam, hij kan er zelf al nauwelijks in leven, laat staan dat hij er anderen in kan toelaten. Die onherbergzaamheid komt voort uit zijn genadeloze intelligentie: hij doorziet zichzelf en anderen, en dan blijft er nog maar weinig over om romantisch weg te dromen. Het enige wat hem overblijft is te schrijven: romans, columns, brieven. Zoals de in Omdat ik u begeer verzamelde, die eerder verschenen in het Vlaamse tijdschrift Humo, en die gericht zijn aan geliefden, ex-geliefden, verloofden, vrienden, ex-vrienden, Nederlandse en buitenlandse schrijvers en een enkel politicus of andere publieke persoonlijkheid, dood of levend.

De samensteller van de bundel had een voorkeur voor de persoonlijker brieven van Grunberg, en nog nooit is de onherbergzaamheid van dat leven zo duidelijk geworden. Alle redding lijkt wel te moeten komen uit de literatuur, al begint Grunberg zelfs daarover in de laatste jaren te twijfelen.�Maar zijn passie voor de literatuur blijft en zijn op het eerste gezicht vaak wat kinderachtige uitvallen naar collega-schrijvers — vooral Joost Zwagerman en Ronald Giphart moeten het vaak ontgelden — zijn door die passie ingegeven. Ook hier ziet Grunberg genadeloos het feilen, en volgens mij is zijn bewering dat hij met die brieven de desbetreffende schrijvers wil 'helpen' ook alleen maar deels ironisch. Hij zegt die dingen heus niet alleen maar om de boel eens flink op te stoken, maar ook omdat hij ze echt zo ziet, en niets hem ervan weerhoudt om ze dan ook zo op te schrijven.

Labels: ,

21.12.07

Ap Dijksterhuis. Het slimme onbewuste. Denken met gevoel. Amsterdam: Prometheus, 2007.

Ap Dijksterhuis is hoogleraar in het onbewuste, en voor hem is dat onbewuste ook zo ongeveer het belangrijkste dat er is van de menselijke geest. Bijna alles gebeurt daar, al het mooie en al het lelijke: de geniale idee�n worden er uitgedokterd, maar ook worden we er op allerlei manieren be�nvloed. Het bewuste, ja, dat is er wel, maar vooral misschien om de verschillende delen van het onbewuste met elkaar te laten communiceren.

Het is een meeslepend boek. Ik heb de afgelopen jaren al een aantal boeken gelezen waarin veel van de experimenten die Dijksterhuis hier bespreekt ook al aan de orde waren gekomen, maar uiteindelijk heeft Het slimme onbewuste, door ze allemaal achter elkaar te plaatsen, mijn blik in ieder geval vandaag veranderd. Ineens zie je in dat je een ijsberg bent — het bewuste is het topje, het onbewuste de enorme klomp onder water — die de dag doorbrengt temidden van andere ijsbergen. Dat er van alles gebeurt, ook tussen mensen, waarvan die mensen zich niet eens bewust zijn. Het is mooi als een boek dat kan bereiken, en dat is hiermee dus gelukt.

Labels: , ,

15.12.07

Eke Mari�n, Jan Groenewold en Bas Husslage. Cook & Chemist. Uithoorn: Karakter, 2007.

Asperges confijten in olie, slagroom slaan van chocola en sinaasappelsap, doorzichtige ravioli snijden van gegeleerde bouillon � dat zijn wat dingen die ik geleerd heb uit dit boek. Moleculair koken � koken waarbij je gebruik maakt van technische snufjes en chemische inzichten � is in restaurants alweer een paar jaar een grote trend. In dit boek geven de auteurs een huis-tuin-en-keukenversie ervan, een die je ook met een gewone keuken kunt toepassen: geen in stikstof gedruppelde olijfolies of uitgebreid gebruik van de schuimspuit, maar beter nadenken over de manier waarop smaken bewaard worden en stoffen zich in een saus aan elkaar binden.

Dat is allemaal heel interessant en het ik denk dat ik echt anders ga koken nu ik dit boek gelezen heb. Het is wel jammer dat het boek een beetje liefdeloos is uitgegeven. Het ziet er niet echt mooi uit, en er zitten kleine tiepfoutjes in. Maar de liefde voor het koken �n voor het weten spatten van de bladzijden, en wat wil je nog meer: genieten en begrijpen.

Labels: , ,

14.12.07

Peter van Lier. Zes wenken voor muggen aan de deur. Amsterdam: G.A. van Oorschot, 2007.

Lang leve de po�zieclub. Als die club niet had bestaan had ik deze bundel waarschijnlijk nooit gelezen en dan had ik veel bijzondere taal gemist, en een opmerkelijke kijk op mens en dier. In elk gedicht staat een dier centraal, vaak een dier dat op de een of andere manier iets te maken heeft met een mens. Omdat het een hondje is bijvoorbeeld:

Feest voor alle honden (1)

Kleine,

onvermoeibare springers in aantocht,

'bijten naar alles wat maar enigszins aan vlees doet denken!'

zeker in de vorm van
been of bot,
die �

de lampionnen ophangende baasjes
gekromd staand op smalle trapjes
net
onder het plafond, bij

voorbaat al in uiterste rigiditeit doen denken aan ('waf!')

kuiten in gevaar?

In de afdeling waarin dit gedicht staat, hebben alle gedichten bepaalde woorden of frasen tussen aanhalingstekens staan. Ik heb geen idee waarom dat zo is. Google levert bij 'bijten naar alles wat maar enigszins aan vlees doet denken' nul treffers. Het zullen wel geen citaten zijn. Toch werkt het, toch voegt het iets aan die gedichten toe.

Ik begrijp mijn eigen po�ziesmaak niet. Van Liers gedichten zijn vreselijk gemani�reerd � behalve die aanhalingstekens hebben de gedichten in deze afdeling bijvoorbeeld ook nog gemeen dat ze heel veel eenlettergrepige strofes hebben, en dat de laatste steeds rechts is uitgelijnd � en ze gaan over een onderwerp, de relatie tussen mens en dier, dat mij 's nachts niet echt uit de slaap houdt, en toch vind ik het prachtig. Ik wou dat ik kon benoemen, of in ieder geval beter kon begrijpen, waarom dat zo is. Maar dat lukt niet. Gek is dat: dat je een ervaring hebt in taal die je vervolgens niet in taal kunt benoemen. Dat zal dan wel Po�zie zijn.

Labels: ,

13.12.07

Tjitske Jansen. Koerikoeloem. Amsterdam: Podium, 2007.

Ik heb tot nu toe niet veel prozagedichten gelezen. Waarom eigenlijk niet? Zodra de tekst georganiseerd wordt in een alinea, ga je sneller lezen. Dat komt door de adem: je neemt een alinea bij wijze van spreken in dezelfde adem als een versregel. Dat is te snel voor een gedicht.

Koerikoeloem bestaat uit prozagedichten, of eigenlijk is het één lang prozagedicht, waarvan iedere alinea begint met er was. Soms wringt er dan iets met de zin die er volgt. Na 'er was' kun je in het Nederlands eigenlijk alleen zelfstandignaamwoorden plaatsen met het onbepaald lidwoord een: 'er was een man', maar niet 'er was de man'. Jansen doet af en toe het laatste en dat geeft een opmerkelijk effect:

Er was de dominee aan wie ik schreef: 'Ik heb het gevoel dat ik God helemaal niet nodig heb.' En die terugschreef: 'God wil helemaal niet nodig zijn'.

De bundel lijkt autobiografisch te zijn, hij beschrijft fragmenten uit de jeugd van de dichteres, met de eigen ouders, in pleeggezinnen. Helemaal duidelijk hoe het zit (waarom ze naar een pleeggezin moest) wordt een en ander niet, maar dat is ook niet speciaal de bedoeling. Koerikoeloem is toch in de eerste plaats taal, taal, en nog eens taal: een prozagedicht, een mooi prozagedicht.

Labels: ,

7.9.07

A.F.Th. van der Heijden. Mim of De doorstoken globe. Amsterdam: De Bezige Bij, 2007

Bij A.F.Th. van der Heijden zijn alle mensen dichters. Of ze nu ruwe voetbalsupporters zijn, Rotterdamse caf�-eigenaressen, lieden die zichzelf zojuist met kokende olie hebben overgoten — ze blijven zich bloemrijk uitdrukken. De schrijver doet wel zijn best om een accentje te verlenen aan een enkele uitspraak ('enkelt'), maar wie niet taalvaardig is, komt zijn verhalen niet in.

Zo lijken de mensen in A.F.Th's boeken altijd bezig elkaar nogal vergezochte namen en bijnamen toe te bedelen. Zo noemt de aanhang van een Rotterdamse voetbalclub hun uit Gouda afkomstige, blonde topscorer Elsinga Goud-Elsje. Movo en Zora krijgen in dit boek samen een drieling; die drieling noemen ze Mim, de Romeinse manier van hun geboortejaar schrijven. Het is al opvallend dat iemand op het idee komt een drieling als geheel een naam te geven ('We doen Mim in bad' — dan gaan ze dus alle drie), maar om die naam dan ook nog aan het jaar te doen refereren, hoe kom je derbij. Overigens speelt die drieling in het boek slechts zijdelings een rol, dus als ik eerlijk ben zie ik niet goed waarom de hele roman naar hen genoemd is.

Nog iets met namen: de overige delen Homo Duplex verschenen tot nu toe onder de naam A.F.Th. Bij dit boek heeft de schrijver ineens weer een achternaam. Waarom?

In het jaar MIM gebruikte ik zelf een andere naam om op internet te schrijven over boeken die ik gelezen had: Martin Opdop. En ik blijk, als ik dat teruglees, toen hetzelfde te hebben geschreven over Van der Heijdens roman De Sandwich. Het ging toen zelfs over dezelfde extra t aan het einde van het woord enkel. Een paragogische t, noemen wij taalgeleerden dat, en kennelijk betekent die t veel voor Van der Heijden. Inmiddels ben ik dat poëtische van alle personages wel iets beter gaan begrijpen. Van der Heijdens wereld is nu eenmaal niet de onze, maar een wereld waarin de dingen meer met elkaar samenhangen, en de mensen die samenhang beter onder woorden kunnen brengen.

Labels: ,

20.8.07

Piet Gerbrandy. Het feest van Saturnus. De literatuur van het heidense Rome. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2007.

Waarom zou je literatuurgeschiedenissen lezen? Zo'n overzicht van allerlei goede en slechte schrijvers die niet meer met elkaar gemeen hebben dan dat ze in een bepaald gebied woonden en een bepaalde taal spraken, wat heb je er eigenlijk aan?

Aan deze geschiedenis van de 'heidense' Latijnse letteren ben ik vooral begonnen omdat ik geïnteresseerd ben in de schrijver ervan, Piet Gerbrandy, van wie ik de afgelopen jaren de dichtbundels De zwijgende man is niet bitter, Krang en zing en Drievuldig, feilloos, vals met plezier en bewondering gelezen heb. Mijn gevoel is dat Gerbrandy de Nederlandse dichter is die het meest door de Latijnse poëzie beïnvloed is, niet doordat hij Sapfische oden is gaan schrijven, maar doordat hij het 'weerbarstige' van het Nederlands zo mooi maakt als Horatius heeft gedaan met het 'weerbarstige' Latijn — dat woord 'weerbarstig' gebruikt hij ook inderdaad in deze literatuurgeschiedenis.

Interessant aan Het feest van Saturnus is de liefde voor het heidendom. Gerbrandy heeft bewust de christenelijke auteurs buiten beschouwing gelaten, en hij steekt ook niet zonder stoelen of banken dat dit is omdat hij hen doorgaans heel onsympathiek vindt, dat hij veel meer opheeft met het heidense gedachteleven. Dat is verfrissend in deze tijd waarin we de hele tijd met 'onze' christelijke waarden om de oren worden geslagen. Het is ook een van de aspecten van dit boek die het eenentwintigste-eeuws en interessant maken.

Een probleem van het genre van de literatuurgeschiedenis is dat de auteur toch op de een of andere manier volledig wil zijn en dus allerlei auteurs behandelt die hem niet liggen. Soms lijdt dit boek daar ook wel een beetje onder, bijvoorbeeld waar Gerbrandy uitgebreid de plot van een klucht van Terentius begint na te vertellen; maar meestal vertelt hij interessante en aardige details over de dichters. Gerbrandy heeft bovendien ongekend veel aandacht voor stijlkwesties en taalgebruik, leuk is dat.

Van Vergilius en diens Aeneis heeft hij niet zo'n hoge pet op, maar in dit boek schrijft hij er wat evenwichtiger over dan in het provocerende stuk dat hij ooit in de Groene Amsterdammer schreef. Maar zijn grote liefde ligt uiteindelijk toch bij een lyricus als Horatius, en waarschijnlijk is dat ook wel terecht.

En dan: wat moet ik nog veel lezen uit die Romeinse Oudheid: Tacitus en Martialis, Juvenalis en misschien — ondanks Gerbrandy's reserves — toch ook maar Ovidius.

Labels: , , ,

17.6.07

Gerrit Krol. Duivelskermis. Roman. Amsterdam: Em. Querido, 2007.

Gerrit Krol - Duivelskermis'Roman' staat er op dit boekje van 93 pagina's, de omvang van een novelle, maar Gerrit Krol heeft er altijd van gehouden om genres door elkaar te gooien. En in dit boekje wordt er sowieso ongelooflijk gelogen. In een voorwoord laat Krol bijvoorbeeld weten dat het hem te doen is om zijn eigen demonen, de verschijningen die hij ziet als bijwerking van zijn medicijn tegen Parkinson. Maar die verschijnselen legt hij wel in de mond van een jongen die vier jaar na zijn middelbareschooltijd naar Maastricht afreist om daar een vriendin (Maria) te vinden en ondertussen van het ene erotische avontuurtje in het andere vervalt. Hebben zulke jonge jongens last van Parkinson? Op bladzijde 72 komt het even ter sprake ('Hoe oud ben je?' 'Dertig.' 'Dan heb jij geen Parkinson, vader?' [...] Ik had die pillen meegenomen om de bijverschijnselen te kunnen bestuderen.). Maar hoe kan die jongen dertig zijn, vier jaar na de middelbare school?

En zo maakt het geheel een zeer hallucinerende indruk, die je gemakkelijk kunt vergelijken met het werk van Jeroen Bosch. Te gemakkelijk: want er zit meer in het boekje; Krollige humor bijvoorbeeld, die toch altijd weer droog en sterk de kop opsteekt:

Dat het een demon is waar je mee praat, zie je soms pas aan een spleet in zijn kop. Daarbinnen zie je allerlei rommel, die hij erin gestopt heeft om maar op een intellectueel te lijken: een paperclip, het dopje van een balpen, dat soort dingen.

Belangrijk in het boek is ook de verhouding tussen mannen en vrouwen, en dat dan op allerlei manieren. Op het omslag zie je een mannetje dat in de grote boezem van een grote vrouw verdwijnt — een bekend thema in Krols werk, zullen we maar zeggen. Maar er wordt ook geworsteld, en ergens komt ook, zonder uitleg, Valerie Solanas, ter sprake, als een vrouw die door een van de vriendinnen van de hoofdpersoon bewonderd wordt. Met Parkinson heeft dat allemaal natuurlijk weinig te maken — dit boek is rijker dan Parkinson.

Ik schreef hier al over meer werk van Gerrit Krol.

Labels: ,

Siegfried E. van Praag. Jeruzalem van het westen. Den Haag: H.P. Leopolds Uitversmij, 1961.

Een schrijver, Ruben, schrijft in de jaren na de oorlog een boek waarin hij het Joodse leven van het Jeruzalem van het Westen, van Amsterdam, weer tot leven probeert te wekken: van vrolijke kwanten tot eenzame oude vrijsters, van arme sloebers tot magnaten, van niet al te snuggere meisjes tot veelbelovende geleerden. Ruben reist daarvoor langs Londen, Amsterdam en Jeruzalem en spreekt met de achterblijvers die hij her en der vindt.

Ieder hoofdstuk van Jeruzalem van het Westen bestaat uit een min of meer afgerond verhaal over steeds een ander groepje mensen. Die verhalen hebben telkens in grote lijnen dezelfde structuur: de mensen komen onder de getalenteerde pen van Van Praag binnen een bladzijde helemaal tot leven en gaan voor je staan met al hun humor, hun zorgen en hun streken. En tenslotte gaan ze bijna allemaal in de jaren veertig tenonder.

Het viel me op dat het kwaad in dit boek geen gezicht krijgt. De verhalen eindigen doorgaans als de mensen worden opgehaald en naar de Hollandse Schouwburg gebracht, maar zelfs aan degenen die dit doen, wordt geen woord vuil gemaakt. Dat heeft iets moois: de slachtoffers worden tot leven gewekt, maar de daders blijven volkomen anoniem. Tegelijkertijd zorgt die anonimiteit ervoor dat schuldgevoel een opvallende plaats in het verhaal krijgt: de overlevenden voelen zich allemaal schuldig, en ook verteller Ruben lijkt zich af en toe niet aan het gevoel te kunnen onttrekken dat de beste mensen, de aardigste, de knapste, de behulpzaamste gegaan zijn, en dat degenen die achtergebleven zijn dat misschien wel niet verdienden. Bij afwezigheid van de echte schuldigen nemen de onschuldigen een onevenredig deel op hun schouders.

In de afgelopen maanden las ik van Siegfried van Praag ook La Judith en Een schrijver en zijn werk.

Labels: ,

15.6.07

F. Starik. Songloed. Amsterdam: Nw Amsterdam, 2007

F. Starik: SongloedLang, lang leve de Poëzieclub. Doordat ik lid ben, krijg ik af en toe een bundel opgestuurd, en vaak is dat natuurlijk een bundel die ik zelf nooit zou kopen. En dat blijkt soms ineens onterecht.

Ik weet bijvoorbeeld niet of ik ooit uit eigen beweging iets van F. Starik zou hebben gekocht. Dat leek me wel een sympathieke man, maar op de een of andere manier krijg je als buitenstaander dat hij een beetje tweederangs is. Nu ik deze bundel heb gelezen, weet ik wel beter: F. Starik moet je lezen.

Nu is zijn dichtkunst misschien niet spectaculair, zijn toon is niet zo heel bijzonder, zijn drang tot vernieuwing houdt niet over, je wordt niet geconfronteerd met de nieuwste, pas ontdekte gevoelens.

Hij schrijft een soort gedichten dat vooral menselijk is, dat zich inleeft in andere mensen, dat niet schroomt om de eigen huiselijke maar toch bijzondere persoon voor het voetlicht te brengen.

De jury van de Poëzieclub vindt dat Songloed (de titel verwijst naar 'een goedkope supermarktwijn die lang niet smerig smaakt') lijkt op Gerard Reve's Nader tot U vanwege de tijdloosheid, de aandacht en de ontroerendheid. Daar kan ik me dan weer weinig bij voorstellen. Ja, die criteria zijn misschien wel op beide bundels van toepassing, maar dat zijn ze op alle goede dichtbundels, en verder zie ik weinig overeenkomsten. Starik heeft helemaal niet het licht hysterische dat Reve kenmerkt, maar daar staat dan weer tegenover dat hij zich prachtig kan inleven in anderen. Zoals de okapi:

The birthday party

Toen God de wereld schiep en alle rare
dieren, bedacht Hij een goedkopere giraf.
Of de okapi zich schaamde voor zijn longe tong
of gewoon verlegen was hij

hield zich eeuw na eeuw verborgen
deep in the woods (...)

's Nachts ligt hij op de koude vloer
en weent en weent, met heel zijn lijf.
Likt zijn eigen oord.

Bundels die ik eerder van de poëzieclub kreeg waren, onder andere De herfst van Zorro van Al Galidi, Bodemdaling van Rouke van der Hoek, en Langzame nederlaag van Wouter Godijn.

Labels: ,

5.6.07

Marten Toonder. Grofstoffelijke trillingen. Amsterdam: BBLiterair, 1979 (1976).

'Ademloos zal de lezer, met mij, het vibreren van een fijntrillend vleeslichaam op de voet volgen en het in één ruk verslinden — om daarna met brandende ogen in een betere wereld te ontwaken.' Hoe las ik die zin op het omslag toen ik 12 jaar oud was? En hoe las ik de drie Bommelverhalen ('De zwarte zwadderneel' uit 1957, 'De vuursalamander' uit 1965, 'De viridiaandinges' uit 1968) die in Grofstoffelijke trillingen verzameld zijn?

Ik vond ze vast leuk, want dat zijn ze. Ze hebben een soort humor dat kinderen aanspreekt: het grappigst zijn de herhaling en de herkenbaarheid. Bijna alle personen komen in bijna alle verhalen terug, ook al lijken ze elkaar bij een volgende ontmoeting nauwelijks te herkennen. En elke keer zeggen ze weer hetzelfde: 'Als je begrijpt wat ik bedoel', 'Als ik zo vrij mag zijn', 'Fi donc', 'Wat enigjes', 'Hm!'

Tegelijk valt op dat met al die personen iets niet klopt. De dingen die ze de hele tijd zeggen, geven een beeld van een karakter; maar daaronder zit steeds iemand anders. Onder de deftige taal van Markies de Cantecler zit iemand die af en toe onzeker blijkt over zijn eigen positie, onder de gedienstigheid van Joost broeit de opstand. Alleen onder Tom Poes broeit niets, maar Tom Poes zwijgt dan ook.

Wat wilde Toonder eigenlijk met die verhalen? Soms lijkt er een soort moraal aan de oppervlakte te komen: de Zwarte Zwadderneel kun je lezen als een waarschuwing tegen grauw protestantisme. Maar uiteindijk gaat het toch vooral over die verhalen, om het plezier van het vertellen, hoe noem je dat. Die grauwe stijlheid is toch meer een soort motief, zoals ook de kunst en de wetenschap dat zijn. Wetenschappers zijn bij Toonder eigenlijk allemaal gek en wereldvreemd als ze al niet op het slechtste uitzijn — maar het zou overdreven zijn om te beweren dat hij tegen de wetenschap wilde 'waarschuwen', of zoiets. Hij deed iets veel belangrijkers: hij vertelde verhalen.

Labels: ,

20.5.07

Marek van der Jagt. De geschiedenis van mijn kaalheid. Breda: De Geus, 2000.

Ik voelde me onlangs genoodzaakt om tijdens een lunch een ge�mproviseerd expos� te geven over het werk van Arnon Grunberg. Ik denk dat het was naar aanleiding van een prijs die hij kreeg voor Tirza. Door voor dit groepje onwetenden — 'Ik lees nooit Nederlandse literatuur', 'Voor mij is het opgehouden bij Gerard Reve', enz. — Grunbergs ontwikkeling samen te vatten, ontdekte ik een hiaat in mijn eigen kennis.

Voor mij is Grunberg pas echt leesbaar geworden nadat hij als Marek van der Jagt gepubliceerd had. En ik ontdekte dat De geschiedenis van mijn kaalheid, de eerste Van der Jagt, de enige van Grunbergs romans was die ik nooit gelezen heb.

Dat 'verzuim' heb ik nu goedgemaakt, door in de Leidse hortus op een middag flink door te lezen. En inderdaad blijkt dit boek zoals het omslag op gezag van Max Pam meldt, 'beter dan Grunberg', althans beter dan wat de schrijver voor 2000 had gepubliceerd.

Menselijk contact bestaat niet in dit boek, althans de mensen praten wel, en zeggen wel bizarre dingen, maar waar het wezenlijk om gaat, daar beginnen ze maar niet over. Vooral de (oudere) vrouwen zijn in Grunbergs boeken altijd uitvoerig aan het woord, hebben een zeer besliste eigen wil, maar die eigen wil voert altijd tot veel onduidelijkheid.

Dat er enige twijfel kon bestaan over het auteurschap van dit boek, kun je je achteraf eigenlijk nauwelijks meer voorstellen. Iedere zin ademt de toon en de stijl die je in ieder van Grunbergs boeken zo prominent aantreft. Wat een wonderlijke schrijver — zonder enige twijfel de interessantste die er op dit moment (nu Gerard Reve dood is, zal ik maar zeggen) in het Nederlands publiceert.

Labels: ,

14.5.07

Rob Schouten. Spijsamen. Amsterdam: Arbeiderspers, 2007

Als je snel bidt voor het eten, dan zeg je (herezegedeze) spijsamen. Misschien zijn de gedichten in deze bundel snelle gedichten voor het eten; er gaan er in ieder geval wel een paar over God. Ze zijn heel mooi uitgeven, met een kaft waarvan je een flap helemaal om de voorkant heen kunt vouwen, zodat de bundel eigenlijk twee ruggen heeft, en een c en een s die allebei consequent een hulplijntje krijgen (behalve in de naam Schouten op de voorkant) die ze met de volgende letter verbindt.

Soms zijn de gedichten wel erg spreektalig, zoals het C. Buddingh'-achtige Troost (Laat ons de Turken dankbaar zijn / die ons eraan verslaafden,/al las ik bij hun eigen Oktay Rifat: / 'Hij zet beslist thee 's ochtends, net als ik.'), en vaak is hij wel wat erg bedaard, maar af en toe is hij mooi weemoedig, bijna ouderwets:

In de duinen bij IJmuiden denk ik:
ik ga van nu af leven zoals vroeger,
met woorden als rechtvaardigheid
en plotse lichte plekken in een bos,
iemand schrijft me een lange brief,
in de slaapkamer ligt balatum
en uit de rijdende bibliotheek
haal ik Willy Corsari.

In de volgende strofe stort dit gedicht een beetje in mekaar, omdat de dichter zich genoodzaakt voelt uit te leggen dat dit alles natuurlijk niet meer kan en 'daar moeten we het maar mee doen'. Maar die plotse lichte plekken in het bos, die pakt niemand me meer af.

Labels: ,

3.5.07

Ilja Leonard Pfeijffer. Het ware leven, een roman. Amsterdam: Arbeiderspers, 2006.

Een dikke dichter met een snorretje en een sik, een wat verlegen man die de luidruchtige bohémien moet uithangen, schrijft een roman. Net als een jonge veertiger, een vrouw die het ware leven niet langer in Leiden zoekt, maar in Napels. En net als Dan Brown. En net als iedereen.

We leven allemaal verhalen: ieder mens lijkt zijn eigen verhaal te hebben bedacht en daar zo goed mogelijk naar te leven. Iedere gebeurtenis moet betekenis hebben in dat verhaal. Tegelijkertijd kun je je soms opgesloten voelen in die roman van je leven. Ook als je een dikke dichter bent met een snorretje en een sik.

Wat een prachtig boek is dit: virtuoos, erudiet, intelligent en ontroerend. Wel dertig vertellers (of zoiets) komen er aan het woord en samen vertolken ze uiteindelijk iedere gedachte die je zou kunnen hebben over het ware leven -- inclusief iedere denkbare kritiek erop.

Nou ja, iedere denkbare kritiek. Als je de recensie leest die op het Internet staan, valt bovendien op hoe slecht het boek eigenlijk begrepen wordt, dat had Pfeijffer dan net weer niet voorzien. Samen vormen die recensies eigenlijk een gratis extra hoofdstuk bij het boek. Max Pam schrijft bijvoorbeeld: " Een tikje slordig is de auteur wel. [...] In Het ware leven, een roman wordt een vrouw ook 'voor de eerste keer ontmaagd'. Ik ben meer ge�nteresseerd in vrouwen die voor de tweede keer worden ontmaagd." Wat Pam met al zijn slimmigheid niet heeft gezien, is dat de gewraakte uitdrukking in de mond wordt gelegd van de modieuze schrijfster Eugenie van Zanten, die wel meer halfkromme uitdrukkingen gebruikt, en bijvoorbeeld ook consequent 'ik besef me' schrijft. In Het ware leven heeft alles een functie, zelfs de slordigheid.

Labels: ,

1.5.07

Willem Frederik Hermans. De laatste resten tropisch Nederland. Amsterdam: De Bezige Bij, 1970 (1969).

Begin 1969 maakte W.F. Hermans een reisje naar de 'overzeese gebiedsdelen': hij reisde samen met zijn vrouw door Suriname en de beneden- en bovenwindse eilanden. Hij gaf er een paar lezingen, sprak er met allerlei mensen en schreef deze reportage.

De overzeese gebieden hadden Hermans' hart gestolen. Het boek begint met authentiek gemopper over de Nederlandse stichting die de reis moest regelen en die alleen maar bestaat uit 'doctorandussen' die nooit eens iets goed regelen. Maar over de chaotische toestanden overzee is Hermans vooral goedgemutst: in slapstick-achtige verhalen vertelt hij hoe men iedere keer weer opnieuw in paniek raakt als hij arriveert, omdat men pas op het allerlaatst over zijn komst had gehoord en dan in allerijl een lezing moet improviseren in een zaaltje waarvan niemand weet waar de sleutel zich precies bevindt. Uiteindelijk komt het allemaal goed, het publiek blijkt zeer te genieten van de beroemde schrijver, en hij van zijn publiek.

Hermans verbaast zich erover dat de voormalige kolonies zo weinig bekend zijn bij de Nederlanders, en eigenlijk zijn ze dat nog steeds. Ik heb een heleboel geleerd over de eilanden en een heleboel van die informatie is natuurlijk veertig jaar na dato sterk verouderd. Andere dingen misschien toch ook niet. Hermans wijst bijvoorbeeld op de verbetenheid waarmee sommige blanken op de Antillen vasthouden aan het Sinterklaas-en-Zwarte-Piet-sjabloon van het Sint Nicolaasfeest; en dat dit misschien wel de woede kan verklaren die veel Antillianen voelen over het vermeend racistische, en in de ogen van Nederlandse Nederlanders zo onschuldige, karakter van dat feest. En aan het eind van het boek wijst hij erop dat degenen die zich zoveel zorgen maken over 'neo-kolonialisme' als er eens wat Nederlandse mariniers worden gestuurd, zich op de verkeerde vijand richten. Het echte probleem zit in de internationals: "Het zijn grote maatschappijen zonder vaderland, waarvan ontwikkelingslanden op leven en dood afhankelijk zijn. Suralco of Shell zijn feitelijk niet aan een natie gebonden en daarom zijn ze heel wat machtiger dan een voormalige koloniale mogendheid als Nederland."

Labels: , , , ,

22.4.07

Leo Vroman. Misschien tot morgen. Dagboek 2003-2006. Amsterdam: Querido, 2006.

Op de omslag van dit dikke dagboek staat een foto die Leo Vroman, geboren in 1915 en dus ruim vijftig jaar ouder dan ik, onlangs van zichzelf gemaakt heeft: zijn hoofd, zijn naakte borstkas, zijn hand die een digitale camera vasthoudt. Die foto is de kortst mogelijke samenvatting van dit dagboek, dat vooral aantrekkelijk is omdat de auteur zo'n sympathieke en zo'n inspirerende man is, iemand die zichzelf is en tegelijkertijd nieuwsgierig genoeg naar de buitenwereld om zich ook nieuwe technieken eigen te willen kunnen maken.

Ik heb er maanden over gedaan om dit boek te lezen: af en toe een stukje.

Daar zitten heel mooie stukjes bij; een brief bijvoorbeld, die Vroman op 18 mei 2005 (ik las toen Stars en bars van William Boyd) schreef aan de mensen van 2160, op verzoek van de redactie van Dietsche Warande en Belfort:

Beste Mensen van 2160,
Het spijt me dat ik jullie taal niet spreek maar alleen een paar dode talen. En we zijn natuurlijk ver bij jullie beschaving achter, al zijn er nog maar zo weinig gezonden over. Merk ook dat we nog steeds geen bewust entanglement (E2) gebruiken in ons schrijven.
[...] Jammer dat E2 over 53 jaar tot het uitroeien van zoveel onschuldigen en van de dichtkunst heeft moeten leiden. Wel ben ik blij dat jullie de Flnbrky hebben uitgevonden.
[...]

Niet alles is zo interessant natuurlijk, er staat ook wel heel veel dagelijks leven in deze 696 pagina's — en vooral ook wel veel dromen, die ik om de een of andere reden nooit lezen kan.

Maar al met al is Leo Vroman een man zoals iedereen wil zijn, denk ik: liefdevol en precies, dichterlijk en wetenschappelijk, origineel en medemenselijk. De lezer kan honderden pagina's genieten van het feit dat zo iemand bestaat.

Labels: , , ,

14.4.07

Frans de Waal. De aap in ons. Waarom we zijn wie we zijn. Amsterdam/Antwerpen: Contact, 2006 (2005).

De aggressieve chimpanzee staat niet het dichtst bij ons van alle primaten; de vredelievende bonobo komt even dicht in de buurt. Bij chimpanzees draaien de sociale structuren om de mannetjes met hun onderlinge machtsgevechten; bij bonobo's gaat het om de vrouwtjes die alles met verzoening en seks oplossen. Wij mensen hebben twee spiegelbeelden, zijn 'bipolaire' apen en kunnen veel over ons zelf leren door naar beide voorouders te kijken.

Dat is de strekking van De aap in ons van de Nederlands-Amerikaanse aapkundige Frans de Waal, van wie ik eerder The ape and the sushimaster las. Ik wilde bijna schrijven dat dit laatste boek op mij veel meer indruk maakte, maar ik lees nu in mijn bespreking van toen dat ik van dat boek ook helemaal niet zo weg was. Gek is dat, ik herinner me het veel positiever.

Laat ik daarom nu maar documenteren dat ik De aap in ons ook niet zo'n geweldig boek vind. Het is een beetje rommelig gestructutreerd, verschillende beweringen komen enkele malen terug, en je hebt het idee dat het kernidee ook wel wat kernachtiger had kunnen worden uitgedrukt: niet in een boek van 250 pagina's, maar van 125 of daaromtrent. Ik vind dat kernidee ook nog eens niet zo sterk. Kennelijk hebben de chimpanzee en de bonobo een gemeenschappelijke voorouder (Pan) en is de homo sapiens eerder afgesplitst. Het is daarmee helemaal niet zo duidelijk dat de mens tussen die andere twee in zou moeten staan, en dat maakt het hele zoeken van vergelijkingen eigenlijk niet veel meer dan een spelletje. Tegelijkertijd neem je die apen daarmee niet zo heel erg serieus, als je hun gedrag alleen maar beschrijft in zoverre het betrekking heeft op de mens.

Er kwam nog een ergernisje bij doordat ik het boek in vertaling las, en die vertaling is heel slecht. Niet alleen doordat de vertaler denkt dat 'liberals' hetzelfde is als 'liberalen', of 'scientists' hetzelfde als 'wetenschappers' (zodat De Waal lijkt te beweren dat hij op een congres van postmodernistische geleerden een van de weinige wetenschappers was), maar ook doordat allerlei voor de Nederlandse lezer overbodige mededelingen over het geboorteland van de auteur, of voor niet-Engelstaligen overbodige toevoegingen zoals dat het woord voor 'tongzoen' verwijst naar Frankrijk, gewoon zijn blijven staan. Het boek maakt daarmee een beetje een achteloze indruk.

Labels: , , ,

9.4.07

Siegfried E. van Praag La Judith. Den Haag: Leopold, 1980 (1930).

Judith Sachs is een negentiende-eeuwse circusartieste die zich opwerkt van een kleine piste tot de bekendste koorddanseres van Europa in een van de gigantisch grote tenten die in haar tijd als teken van moderniteit gelden. Maar ze wil meer: als ze zevenentwintig is, wil ze eindelijk haar grote droom waarmaken en actrice worden. Vanwege haar leeftijd en omdat ze haar familie moet onderhouden, wil ze alleen bij het allerhoogste beginnen: de Comédie Française. Dat lukt haar ook, maar alleen door de avances van een vies naar oud mannetje te accepteren en als gevolg daarvan ook nog eens haar grote liefde, een grote, sterke maar wat dommige en stille man te verstoten. Twintig jaar viert ze triomfen en daarna heeft ze alles gezien. Met haar bij het toneel verworven geld koopt ze een circus, voor haar zoon.

Vooral de eerste helft van het boek is prachtig, fraaie portretten, spannende verhaallijnen. In de tweede helft stort het verhaal een beetje in -- dit deel van het boek begint in mijn samenvatting hierboven bij de woorden 'Twintig jaar'. Maar al met al kun je makkelijk inzien waarom Van Praag in de jaren dertig als een belangrijk talent werd beschouwd.

Het is opvallend hoe modern Judiths zeden zijn. Ze woont de hele tijd samen met telkens andere mannen, en niemand schijnt daar echt schande van te spreken. Alleen als ze met die vieze ouwe man gaat samenwonen, spreekt iedereen er schande van. Maar misschien konden 'artisten' zich die moderniteit veroorloven.

Het knapste van dit boek is misschien nog wel dat de lezer duidelijk wordt de hoofdpersoon zo onsympathiek is terwijl hij tegelijkertijd sympathie voor haar opvat. Judith is koel, berekenend, genadeloos, weinig gezellig of vriendelijk en altijd met haar vak bezig. Ze houdt dan ook weinig vrienden over aan het eind, maar de lezer is er wel een van.

Labels: ,

8.4.07

Menno ter Braak. Mephistophelisch. Ursa Minor, 1937.

'Wat is mephistophelisch?' vraagt Menno ter Braak in de opdracht van dit essay, of eigenlijk van dit boekje met een aantal kleine brokstukken essays, columns, zo je wilt. 'Dat men niet vondelt? Dat men zich niet vereenzelvigt met een zijner specialismen?' Dat zijn retorische vragen, en Ter Braak liet zich in dit boekje van zijn mefistofelische kant zien. Dat was een fraaie kant: Mephistophelisch staat vol aardige observaties, en is prettig ondogmatisch. Veel is ook nu nog van toepassing, misschien met een paar aanpassingen. Over 'het spellingprobleem' merkt Ter Braak bijvoorbeeld op dat men dit mag beschouwen "als een symptoom van die neiging om zich te onderscheiden van anderen [...] De spellingquaestie is dan ook nooit een zuiver wetenschappelijke queaestie geweest; altijd hebben nevenmotieven, berustend op een verlangen naar onderscheidingsteekenen, de hoofdrol gespeeld. De spelling Kollewijn heeft jaren lang (nu begint het te minderen) flinkheid, frischheid, vooruitstrevendheid, socialisme, geheelonthouding, rein leven e.d. moeten symboliseren; men kon die 'vrolike mensen' reeds uit de verte zien aankomen, eer zij zich nog schriftelijk hadden uitgedrukt."

Prettige schrijver — moet ik meer van lezen.

Labels: ,

1.4.07

Nachoem W. Wijnberg Liedjes. Amsterdam: Contact, 2006.

Nachoem Wijnberg is een geleerd man en een gelauwer dichter, en zijn bundel Liedjes is allerwegen geprezen als een van de belangrijkste bundels van het vorige jaar. Hoe komt het dan dat ik er geen vinger op kan leggen? Zijn liedjes zijn voor mij als olijfolie: ik kan het niet vatten, het glipt almaar weg. Ik neem één zo'n liedje, en probeer er grip op te krijgen:

liedje

De meisjes gaan op weg
zij wuiven naar elkaar
terwijl zij vlak bij elkaar staan,
een mooie dag om niet ver weg te gaan,
terug voordat het donker is.

Het doet me van alle dichtstijlen die ik ken, nog het meest denken aan een haikoe: een observatie die in een zeer kort bestek in een bespiegeling verkeert. Maar waar gaat die bespiegeling over? En hoe zou het gedicht veranderen als we bijvoorbeeld de laatste zin zouden verwijderen? Of de een na laatste?

Er is een documentaire over deze bundel. Ik zou die graag willen zien, maar mijn MacBook wil hem niet afspelen. Jammer, zo blijft het raadselachtig — aan de bundel alleen heb ik kennelijk niet genoeg. Er wordt tegen me gepraat, of gezongen, zo je wilt, maar ik begrijp de strekking van het gezegde of gezongene niet.

Labels: ,

18.3.07

Erwin Mortier. Avonden op het Landgoed. Op reis met Gerard Reve Amsterdam: De Bezige Bij, 2007

'Op reis gaan met Gerard Reve doe je niet voor je plezier', zegt de oude Reve tegen de jonge schrijver Erwin Mortier. In dit boekje laat Mortier zien hoe waar dat was in 1997, als hij met zijn vriend een tijdje met Reve meegaat naar diens Geheime Landgoed. Dat Landgoed blijkt al geen pretje, een onherbergzame bunker, en de schrijver is vrijwel de hele tijd dronken, onaangenaam, handtastelijk en vervelend.

Het boek is, ondanks alle onprettige herinneringen, toch vooral warm. En in de tweede plaats is het ook uitzonderlijk goed geschreven: wat een fraaie stijl heeft die Mortier.

Daarnaast leer je Reve ook echt wel wat beter kennen. Althans, als je zijn werk goed leest, herken je wel veel van zijn waanzin — maar uit dit boek leer je dat de schrijver ook echt in zijn dagelijks leven zo kon zijn: als Treger in Bezorgde Ouders, monomaan, racistisch, kwaadaardig, jaloers, sadistisch. Maar de merkwaardigste ontdekking die Mortier dan doet: dat Reve de knop ook om kan zetten. Als de jonge vrienden het niet langer uithouden en aankondigen dat ze definitief weggaan, verandert de dronkenlap ineens in een redelijke man die hen met goede argumenten probeert te weerhouden om hem te verlaten.

Van Reve besprak ik hier Oud en eenzaam en Het Boek van Violet en Dood, die zich beide bij het Landgoed afspelen.

Labels: , ,

Geert Mak. De brug. Amsterdam: CPNB, 2007.

In zijn eerste boek over de geschiedenis van Amsterdam introduceerde Geert Mak een mooie techniek: aan de hand van een heel kleine plek, zijn eigen huis, construeerde hij een grotere geschiedenis. In wat geloof ik zijn eerste grote klapper was, Hoe God verdween uit Jorwerd, deed hij het nog een keer, maar nu met een Fries dorpje.

De laatste jaren slaat Mak zijn vleugels uit, en kijkt hij meer over de grenzen. Nu heeft hij zijn beproefde techniek toegepast op een brug in Istanboel. Het resultaat is een mooi boekje — mooier dan het boek van de Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk over hetzelfde onderwerp.

Ik kon dit boekje in eerste instantie bijna niet lezen zonder te denken aan de pamfletten die Mak de laatste jaren schreef, waarin hij — misschien onhandig — opriep tot meer begrip voor de moslims. Uit dit boekje kom je veel te weten over hoe Turken in het leven staan en wat hen drijft. Toch vergeet je die pamfletten weer als je doorleest: de verhalen over individuele mensen zijn er te mooi voor. Wat is het toch fijn dat Geert Mak nooit toegeeft aan de verleiding om een roman te schrijven — dat zou nooit zo geslaagd kunnen zijn als zijn nonfictiewerk. Wat fijn dat de CPNB nu ook zo'n goed nonfictieboek tot boekenweekgeschenk wil maken.

Labels: , , , ,

1.3.07

Siegfried E. van Praag Een schrijver en zijn werk. Ingeleid door Rico Bulthuis. Den Haag: Leopold, 1969.

Siegfried van Praag is een schrijver van wie ik wel had gehoord, maar van wie ik misschien net zo min ooit iets zou lezen als van, pakweg, Aart van der Molen, als ik Siegfrieds achternicht niet had leren kennen.

Ik ben een paar weken gelden al in een dikke roman van hem begonnen, La Judith, maar die vond ik te zwaar om mee te nemen in het vliegtuig. Dus heb ik dit boekje meegenomen - een keuze uit zijn werk, verschenen ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag, en ingeleid door Rico Bulthuis.

Die inleiding geeft je het idee dat we hier te maken hebben met een interessante persoonlijkheid, met een interessant leven: iemand die ervoor koos om zijn levenlang overal een beetje buiten te staan en die zo de hele twintigste eeuw heeft mogen beschouwen. Dat komt niet doordat die inleiding zo goed geschreven is, want dat is hij niet; maar Bulthuis maakt wel duidelijk dat het mooi zou zijn als iemand wél een mooie biografie over Van Praag zou schrijven.

De fragmenten wijzen er dan wat mij betreft weer op dat het jammer is dat Van Praag dat zelf niet meer heeft gedaan. Hoewel hij in de jaren dertig tamelijk beroemd werd met historische romans die zich afspelen in Frankrijk, is zijn beste werk ofwel essayistisch ofwel een beschrijving van gebeurtenissen die dicht bij hem moeten hebben gestaan. Er staat bijvoorbeeld een ontroerende beschrijving in van de olifanten in Artis — ontroerend vooral omdat hij zo gedetailleerd is — en het mooiste verhaal vind ik het verhaal over twee biologieleraren, Meyer en Pekelman, die elkaar allebei naar het leven staan. Van Praag was zelf gedurende twee perioden van zijn leven leraar Frans.

Ik zal de komende jaren nog wel wat meer Van Praag lezen, denk ik: La Judith, dus, en Seizoenen, waar dat verhaal over die leraren uit komt, en ook zijn kennelijke magnum opus Jeruzalem van het Westen.

Labels: , ,

Peter Hofman. Lichtschikkend en zingend. De jonge Lucebert. Amsterdam: De Bezige Bij, 2004.

Over een paar weken ga ik een lezing geven over het werk van Lucebert. Nu gaat die lezing helemaal niet over 's mans leven, maar ik vond dat ik daar toch wat meer van moest weten. Dit boek geeft een heel helder beeld van de jonge man die Lucebert ooit was.

Gelukkig voor mij bleek Lucebert weinig op te hebben met het biografische: 'signalement onbekend' liet hij opnemen als persoonsbeschrijving in een vroege bloemlezing van werk van de Vijftigers. Toch is het om andere redenen een interessant boek. Wat een man was die Lucebert: wat een persoonlijkheid. Hoe kan iemand zo overtuigd zijn van zijn eigen talent dat hij bereid is daarvoor jarenlang in armoedige omstandigheden te leven, zich de opdringerigheden van allerlei uitkeringsambtenaren te laten welgevallen en ook niet ontmoedigd te raken van afwijzingen van galeriehouders en uitgevers? En dat dan ook nog voor een man uit een gezin dat helemaal niets in kunst zag? Waar komt zoveel innerlijke kracht vandaan? Hoe weet je dat het geen onzin is die je najaagt?

Labels: , , ,

17.2.07

Piet Gerbrandy. De zwijgende man is niet bitter. Amsterdam: Meulenhoff, 2003 (2001).

Misschien, ach, misschien denk ik wel dat Piet Gerbrandy de belangrijkste levende Nederlandse dichter is. Je kunt ieder gedicht van hem herkennen aan de toon, aan de taal, aan de wonderlijke mengeling van alledaags en bijzondere:

Zo veel heb ik nodig dat ik leef.

Glimp van billen op arduinen trap,
wit goed in mand, half lege
mok op aanrecht, gerucht

van adem bij nacht. Ongeduldige stap
van bijna groot kind in de morgen,
pen die nog zin verzamelt.

Melk, kaas klevend aan mes,
vlam, rib van een lam, bovengistend
fluisterend bier. Leren jas

en herenfiets om te gaan.

Het is een niet heel erg originele gedachte: de spanning tussen het behaaglijke van het vertrouwde en de wens om er tussenuit te gaan. Maar dan kun je ook zeggen dat het een klassieke gedachte is, en een die hier bijna klassiek verwoord is. De gedichten van Gerbrandy kun je in marmer beitelen.

(Eerder schreef ik over Drievuldig, feilloos, vals, dat ik prachtig vond, en Krang en zing, dat ik een beetje vond tegenvallen.)

Labels: ,

31.1.07

Gerard Reve. Oud en eenzaam. Amsterdam: Marten Muntinga, 1987 (1978),

Als ik ziek ben, wil ik geen verrassingen, en dus herlees ik dan liever dan dat ik lees. Oud en eenzaam van Gerard Reve bijvoorbeeld. Hoe lang geleden is het niet dat ik dat gelezen heb? Deze druk is twintig jaar oud, en misschien heb ik hem wel gekocht toen hij verscheen.

Ik kon me er ook weinig van herinneren: het boek was bijna een kennismaking met een nieuwe Reve, en dus toch nog een verrassing (gelukkig was ik snel weer beter): misschien is dit wel de ernstigste Reve, een boek waarin hij mooi en klassiek formuleert en bijna nergens ironisch of barok wordt. De titel is de uitzondering.

De schrijver herinnert zich hoe hij een paar jaar eerder in Frankrijk een huis aan het bouwen was, een mooie jongen zag en deze jongen volgde naar een afgelegen hoeve. Tijdens deze gebeurtenis herinnerde hij zich weer andere dingen: hoe hij in de jaren vijftig een heilloze verhouding had met een jonge Engelse actrice, en hoe hij in zijn jeugd tijdens een communistische vakantieweek gaat kanoën met een jongetje.

Die samenvatting doet het boek geen recht, want Oud en eenzaam gaat vooral over sfeer: over beklemming, over eenzaamheid, over nergens bijhoren. Hoe kan je ergens bijhoren als je homoseksuele en sadistische gevoelens hebt? En hoe kun je zulke gevoelens niet hebben als je onder het communisme bent opgegroeid, die verschrikkelijke heilsleer waarin verhalen over door kapitalistische beulen gemartelde jongelingen de enige uitklep waren voor lichamelijke gevoelens?

Ook die retorische vragen doen het boek geen recht, ze maken de subtiele gevoelens die gedragen verwoord worden weer een beetje belachelijk. Niemand heeft in de twintigste eeuw geen fraaier Nederlands geschreven dan Reve.

Toch was er een stijlfiguur die me gaandeweg een beetje begon tegen te staan: beschrijvingen waarbij de auteur het heeft over 'X of Y':

Maar nu zag ik hem: hij kwam van achter het houten hokje te voorschijn met een groot doek of dekzeil dat hij, worstelend met de wind, op de een of andere wijze over het deksel van de kar begon te spannen.

Dat is een mooie figuur, het maakt juist door die aarzeling, de beschrijving preciezer of realistischer. Maar de schrijver past hem wel vaak toe. Tegen het eind zelfs meerdere keren op één bladzijde:

wat deze jongen nu aan het lezen was, of doorbladerde (...)


terwijl hij nu in werkelijkheid op zijn gemak iets lag te lezen, of plaatjes te kijken

in een geïlustreerd tijdschrift, een catalogus van sportverhalen of een of ander onnozel boekje met beeldverhalen

Maar ach, hoe zou je verder over de taal van Reve klagen. Misschien is dit wel hét meesterwerk van Reve, mooier dan De Avonden of Moeder en Zoon of Bezorgde Ouders. Misschien is dit wel een van de hoogtepunten van de Nederlandse literatuur.

Eerder schreef ik hier over Het Boek van Violet en Dood.

Labels: ,