18.1.10

Tim Westover. Marvirinstrato. Lawrenceville: Literaturo.net, 2009.

Tim Westover. Marvirinstrato. Een van de problemen die altijd blijven knagen aan de sprookjeslezer: wat voor taal spraken die pratende konijnen en zeemeerminnen eigenlijk heel, heel lang geleden in een land hier ver vandaan? De jonge Amerikaanse schrijver Tim Westover heeft dat probleem nu opgelost. In zijn debuutbundel, die bestaat uit een verzameling sprookjesachtige korte verhalen, praat iedereen Esperanto met elkaar, en vindt dat heel gewoon. Ook de straatnamen zijn er geheel vanzelfsprekend in het Esperanto, zoals de straat waar de zeemeermin woont: de marvirinstrato (mar=zee, virin=vrouw, strato=straat).

Westover lost daarmee in ��n klap een ander probleem op: waar wonen er eigenlijk geloofwaardige personages die op een natuurlijke manier met elkaar in het Esperanto communiceren? Het wereldje van de Esperanto-sprekers is nogal beperkt, en om pakweg een stelletje Amerikanen de hele tijd in die taal te laten praten, dat klinkt op den duur nogal vertalerig.

Marvirinstrato is een heel jong, een heel vrolijk en speels boek. Aan goeie sprookjes valt het plezier van fantaseren af te lezen, de verrukking van een wereld waarin ineens alles mag en alles kan. Westover heeft dat plezier, in zijn verhalen over faraomeel waarmee de ware huisvrouw werkelijk alles kan (taarten bakken, je huid verzorgen, een huis verbouwen, en ga zo maar door). Aan het eind van ieder verhaal, in de laatste zin of in ieder geval de laatste alinea zit vaak een verrassende draai. Mooi vond ik het eerste verhaal over een visje dat met een man mee mag die vanuit de hete woestijn op weg is naar het hoge noorden. Daar hakt hij een berg ijs uit, die hij terugvervoert naar het zuiden. Onderweg smelt er steeds meer van het ijs weg, en als de man uiteindelijk terug is bij zijn opdrachtgever, de koning, heeft hij alleen nog een klontje over. Dat klontje draagt de koning vervolgens zo snel mogelijk naar een willekeurige stadsbewoner, want zo'n bijzonder genoegen als het proeven van ijs moet niet door de hoogwaardigheidsbekleder zelf gedragen worden. Als het visje dan aan zijn reisgenoot, de ijshakker, vraagt wat hij het liefst zou willen, zegt deze: ooit de man zijn die het ijs krijgt.

De schrijver biedt Marvirinstrato niet alleen aan via de gebruikelijke Esperanto-boekwinkels, maar ook via Amazon. Bovendien biedt hij het gratis als e-book aan op eigen website.

Labels: , , ,

6.9.09

Gerrit Berveling. Odoj kaj aliaj poemoj. Zwolle: Voko, 2009.

Gerrit Berveling. Odoj kaj aliaj poemoj Gerrit Berveling (1944) is een Nederlandse leraar klassieke talen en daarnaast een dominee bij de remonstrantste broederschap, zo'n beetje het meest vrijzinnige gezelschap ter wereld dat zich nog wel christelijk noemt. Ik ken hem als Esperantist, als dichter in die taal, als vertaler van allerlei werken uit vooral het Grieks en het Latijn, maar ook bijvoorbeeld van Twee vrouwen van Harry Mulisch. Vele jaren geleden heb ik hem voor het eerst ontmoet, ik was toen student in Tilburg, en we spraken over vertalingen van Horatius in het Esperanto. Vorige week kwam ik hem weer tegen en toen gaf hij mij dit in eigen beheer uitgegeven bundeltje met eigen po�zie.

Het bundeltje bestaat voor een groot deel door 'oden' die in een maatsoort zijn geschreven, een behoorlijk ingewikkeld ritmisch schema. Berveling heeft zich kennelijk de afgelopen twintig jaar - het oudste gedateerde gedicht stamt uit 1991 - toegelegd op het toepassen van die vorm. Hij doet dat op gedichten die inhoudelijk vooral over politieke onderwerpen gaan: de oorlogen in Irak, vrouwenrechten, de acceptatie van homoseksualiteit. De toon is er vooral een van verontwaardiging: de dichter zit achter zijn tv-scherm en wint zich op over wat er gebeurt. Het oudste gedicht, dat de bundel ook opent, begint zo:

Odo pri la Tria Mondmilito

Vi kion pensas pri la Milit', amik'?
Ghi shajne chesis, lau televid-asert',
���sed mi ne fidas ties bildojn,
������tro obeemajn al Vol'Usona

(Ode over de Derde Wereldoorlog) Wat vind jij over de Oorlog, vriend? Hij is kennelijk afgelopen, volgens de tv, maar ik vertrouw diens beelden niet, ze zijn te gehoorzaam aan de wil van de VS.)

Het beeld van iemand die zich achter zijn tv zit op te winden over het onrecht in de wereld doemt vaker op. Wat beweegt iemand om een wrokkig gedicht te publiceren in een lang vergeten metrum over een lang vergeten oorlog (de Eerste Golfoorlog) in een ook al bijna vergeten taal? Dat moet vooral een grenzeloze strijdlust zijn voor die taal zijn en de dichtkunst. In huiskamers wordt achter tv's veel nobele strijden gestreden; wat je ook van het resultaat mag vinden, Gerrit Berveling strijdt al decennia in zijn woonkamer de zijne.

Labels: ,

13.1.08

Gabriel García Márquez. Cent jaroj da soleco. Chapecó-SC: Fonto, 1992 (1967).

Vertaling: Fernando de Diego.

Cent jaroj da soleco Een familie is honderd jaar lang intiem verbonden met het dorp Macondo: de stichters van de familie waren ook de stichters van het dorp, enkele van hun nakomelingen zien het honderd jaar later tenonder gaan. Intussen heeft de familie allerlei magische dingen meegemaakt: doden zijn teruggekomen, een overspelig paar zorgde er iedere liefdesnacht voor dat de veestapel sterk werd uitgebreid, het regende eens ruim vier jaar aan een stuk.

Dat magisch realisme zorgde er ooit voor dat ik Honderd jaar eenzaamheid een aantal jaar geleden terzijde legde. Als een schrijver zomaar van alles kan verzinnen, vond ik toen, dan is er geen lol meer aan, je moet je wel aan de regels houden. Wat was ik toen toch dom.

Vooral de laatste honderdvijftig bladzijden van dit boek heb ik ademloos gelezenl, terwijl ik per trein door Duitsland raasde. Een echte verteller maakt zijn eigen regels, en houdt zich daar dan nauwkeurig aan. Juist al die magische vervormingen dragen bij aan het gevoel van eenzaamheid. Zoals iemand die nooit met iemand praat, maar altijd in zijn studeerkamertje zit (zulke mannen zijn er in dit boek genoeg) juist doordat hij nooit wordt tegengesproken, zich aan almaar fantastischer hersenspinsels onderwerpt, zo kan een ge�soleerde gemeenschap een steeds bizarder lachspiegel worden van de grote wereld. Dat het onmogelijke er mogelijk wordt, maakt het dorp alleen maar benauwender.

En dan de beelden en de personages die je nooit vergeet: de demente stamvader die aan zijn boom wordt vastgeketend. De blinde stammoeder die alle dagelijkse routines zo goed kent dat niemand merkt dat ze blind wordt. De kolonel die in zijn hangmat zijn jeugdgedichten leest. En de vriend van een van de laatste Buend�a die Gabriel heet, Gabriel Marquez.

Labels: , , ,

18.5.07

Mao Zifu. kantoj de anteo. Novjorko (New York): Mondial, 2006.

Ooit, meer dan vijfentwintig jaar geleden, was ik dertien en las ik een boekje dat Esperanto: Utopie of realiteit? heette. Het bracht me ertoe om Esperanto te leren, en van die taal ben ik nooit meer afgekomen. Een van de verhalen in dat boekje die me toen fascineerden, ging over dissidente Chinese dichters die in de gevangenis nog doorgingen met gedichten in het Esperanto te schrijven, op wc-papier dat de gevangenis uitgesmokkeld werd.

Ik lees niet zoveel Esperanto meer, dat blijkt wel uit mijn verslagen op deze website, maar d� sensatie van vorig jaar heb ik nu dan toch gelezen: een bundel van een Chinees die misschien niet letterlijk in de gevangenis zit, maar dan toch wel is opgesloten in zijn lichaam. Mao Zifu werd in 1963 geboren "in een dorp ver weg" zoals hij zegt in de 'schets van de auteur' vooraan in deze bundel. Hij studeerde wiskunde, werd leraar en had enig succes als atleet toen hij in 1985 werd gegrepen door een tractor en raakte volledig verlamd. Sindsdien raakte hij gepensioneerd, en in 1986 leerde hij Esperanto — vijf jaar nadat ik dat deed. En nu publiceerde hij een dikke dichtbundel, de sterkste die ik ooit in die taal gelezen heb, kantoj de anteo (Liederen van Antaeus).

Ik vind kantoj veel beter dan Infana Raso (Het Kinderras) van de vorig jaar overleden William Auld, bijvoorbeeld. Die laatste bundel zie ik vooral als een wat slap antwoord op T.S. Eliot, een Waste Land met een wat optimistischer esperantistische boodschap, en helemaal geschreven in de vroeg twintigste-eeuwse modernistische stijl.

Alles is interessanter aan Zifu: de thematiek, die veel diepgaander is, woester soms, wanhopiger, en gelukkig weinig verband houdt met de toch weinig dichterlijke Esperanto-ideologie. En vooral ook de toon, de stijl, die juist wel veel te maken heeft met het internationalistische van het Esperanto. Moeiteloos schakelt de dichter van westerse trochee�n naar Japanse haikoe-achtige versregels, van Griekse mythologie (Antaeus) naar Hindoe-filosofie, en van vrij vers naar rijm. Bovendien maakt hij ruim gebruik van de mogelijkheden van de taal; in alle recensies die ik van de bundel heb gelezen, maakt de recensent er melding van dat er wel woorden werden gebruikt die hij (de recensent) moest opzoeken in het woordenboek. Dat levert soms wonderlijke teksten op die in de Nederlandse dichtkunst nog het meest lijken op Leo Vroman:

aj

faja
majo
pagajo
en havaja
kajo

feto gaja
che baj...baj
songhe rampas sur himalajon
vidas tamen, najo
voras kobajon
rajo
frajon
samurajo
sipajon
kia kamajo!

ho, jesajo,
kie idilio arkaja?

(Prozavertaling ongeveer: Vilten mei, een pagaai aan een hawaiaanse kaai. Een vrolijke foetus bij sujasuja klimt dromend de Himalaya op, ziet echter, dat een cobra een cavia eet, een platvis kuit, een samoerai een indische soldaat... wat een pentekening! Oh, Jesaja, waar is de arkadische idylle?)

Een zo cosmopolitische visie vanuit een zo gekerkerd lichaam, geschreven in een internationale taal die bijna niemand spreekt: kan het ontroerender?

Labels: ,

3.9.06

Ada Csiszár (red.) Selektitaj leteroj de Kálmán Kalocsay 1927-1975. Budapest: Csiszár, 2006.

De Hongaarse arts Kálmán Kalocsay had een eigenaardige hobby: avond aan avond vertaalde hij gedichten en toneelstukken - van Catullus tot Shakespeare, van Petőfi tot Heine. Hij bedacht de juiste metrische systemen om al die gedichten uit al die tradities te kunnen vangen, want de taal waarin hij werkte had nog nauwelijks een literaire traditie: het Esperanto.

Uit de in dit boek verzamelde brieven -- de meeste stammen uit de jaren zestig, toen Kalocsay gepensioneerd was - blijkt dat de dokter meer zorgen had. Hij schreef samen met Gaston Waringhien, een Franse leraar die zijn beste vriend werd, een uitvoerige grammatica van de taal en een boek over de manier om gedichten te schrijven en in zijn eentje ook een aantal grammaticale studies. Bovendien maakte hij zich in de jaren zestig ook enorm en onbegrijpelijk kwaad maakt over een grammaticale kwestie. Er waren andere esperantisten die beweerden dat la pordo estis fermata ook kon betekenen dat de deur gesloten was (de 'atisten') werden ze genoemd), terwijl iedereen wist dat die zin betekende dat hij alleen kon betekende dat hij geslotenwerd. Waarom maakte dat verschil van mening Kalocsay zo kwaad? Je komt het uit de brieven niet echt te weten. Je kunt alleen speculeren. Hij nam de taal heel serieus, hij had een belangrijk deel van zijn leven aan die taal gewijd -- duizenden uren studeren, vertalen, schrijven. Hij was er een beetje bitter van geworden, er was niet veel van de taal terecht gekomen, en nu begonnen ze ook nog eens rare interpretaties te geven aan de zinnen. Je wordt er melancholiek van.

(Ooit hadden we het plan om de correspondentie tussen Waringhien en Kalocsay op internet uit te geven. Er is niet veel van gekomen, over melancholie gesproken, maar de aanzet staat er nog: hier.)

Labels: ,

28.12.05

Ziko Marcus Sikosek. Sed homoj kun homoj. Universalaj Kongresoj de Esperanto 1905-2005. Rotterdam: UEA, 2005.

Ziko Sikosek is een jonge en de enige echt serieuze historicus van de Esperanto-beweging. Hij is nu bezig met een proefschrift over de geschiedenis van de Wereld-Esperantovereniging en hij schreef eerder een boek met de veelzegggende titel Esperanto sen mitoj (Esperanto zonder mythen). Ook gaf hij een kleine serie cd's met historische geluidsdocumenten uit. In het boekje Sed homoj kun homoj geeft hij over ieder congres enkele aardige wetenswaardigheden. Het boekje is verder geïllustreerd met foto's en afbeeldingen van congressnuisterijen als speldjes en naambordjes. De titel ('Maar mensen met mensen') verwijst naar een uitspraak van Zamenhof, de auteur van het Esperanto, tijdens het eerste congres, honderd jaar geleden: "Heden kwamen tussen de gastvrije muren van Boulogne-sur-Mer niet Fransen met Engelsen samen, of Russen met Polen, maar mensen met mensen."

Sikosek heeft wel oog voor het amuserende detail:

Bij een loket voor een toneeluitvoering in het kader van het congres [in Den Haag in 1920] zei één man dat hij niet naast een Duitser wilde zitten. Twee Britten protesteerden heftig: "Wij zijn allen kameraden, zonder onderscheid tussen de naties!" De man antwoordde: "Ik ben zelf Duitser, maar ik heb niet zo'n dure reis gemaakt om naast landgenoten te zitten, met wie ik elke dag thuis kan praten."

Alles bij elkaar geeft dit boekje, voor de enigszins ingewijden (maar daarvoor is het dan ook in het Esperanto geschreven), een aardig inkijkje.

Labels: ,

27.5.02

{P} Tivadar Soros. Maskerado chirkau la morto. Nazimondo en Hungarujo. Rotterdam: Universala Esperanto Asocio, 2001 (1965).

Wat een man was dat toch, pa Soros! In dit boek vertelt hij hoe hij het laatste jaar van de oorlog als jood in Budapest overleefde: door lakoniek te blijven, door al zijn familieleden doorlopend van nieuwe identiteiten en vooral bijbehorende papieren te voorzien, door anderen te helpen waar dat kon en een beetje uit te zuigen waar dit verantwoord was, zodat hij zelf ook nog een beetje kon leven. In het voorwoord vertelt zoon George Soros dat dat dit jaar tot de gelukkigste van zijn leven behoorde, hoe naar dit ook klinkt - en dat kwam door het optimisime en de vasthoudendheid van zijn vader. Dat kun je begrijpen als je het leest.

Tegelijkertijd wordt niet vergeten dat er in de straten van de stad stapels lijken te zien waren; dat de nazi's op een bepaald moment twee mannen aan lantaarnpalen hadden opgehangen, ��n met een brieftje 'Dit gebeurt met joden die zich verstoppen' en de ander met een briefje 'Dit gebeurt met christenen die joden verstoppen.' De Tweede Wereldoorlog blijft een onbegrijpelijke legpuzzel vol gruwelen en menselijkheid. Dit is weer een stukje.

Zoals de vertaler en bezorger Humphrey Tonkin opmerkt in zijn aardige nawoord is de stijl van dit boek ook precies gepast. Zo droog en onderkoeld geserveerd wordt het allemaal heel heet gegeten. Iets anders wat heel sterk werkt zijn de vergelijkingen met het alledaagse leven. Tivadar zit ongerust op zijn zoon te wachten, want jongens worden gemakkelijk door de nazi's opgepakt. Hij wordt steeds ongeruster. Iedereen kent dat wel, zegt hij, ongerustheid is irrationeel. Hoe langer je staat te wachten op de tram, des te geagiteerde wordt je, terwijl je eigenlijk steeds kalmer zou moeten worden, want de kans dat de tram er binnenkort is wordt steeds groter. De ongepastheid van de vergelijking van het wachten op de tram en op je zoon (zonder spoorboekje) snijdt door je ziel.

Labels: , ,

30.4.02

{P} Sergho Elgo. Surklifa. Romano. Vieno: IEM, 2000.

Tja, een detective die uitdraait op een liefdesgeschiedenis, als hij niet in het Esperanto geschreven was, had ik hem waarschijnlijk niet uitgelezen. Maar het taalgebruik is prettig. Interessant is eigenlijk de constructie 'mi preferas ne paroli prie - ik wil-liever niet praten over', waarbij het voorzetsel pri de uitgang -e is van het bijwoord. Die constructie komt veel voor in het boek, en sowieso is de stijl, de taal modern. Het verhaaltje is daarentegen een beetje ouderwets, al speelt het in het heden: het gaat over een jaloerse echtgenoot (!) die op zijn kasteel (!) moorddadige plannetjes uitbroedt (!). Tja, als hij niet in het Esperanto geschreven was, had ik hem waarschijnlijk niet uitgelezen.

Labels: ,

17.4.02

{P} Gon�alo Neves. Nia justifiko. Esayo pri la existo-yuro di Ido Editerio Sudo; Lisboa, 2002. Estas interese ke pli-malpli konata Esperanta poeto/verkisto transiras al Ido en la komenco de la 21a jarcento. Kial li faris tion?
"Se oni volas sincera opiniono," diras Neves, "tote ne valoras la peno lernar Ido pro lua nuna movemento (qua es tre mikra) e mem ne pro lua tilnuna literaturo (qua es tre magra), ma nur pro la grandega estetikal plezuro quan grantas la linguo, e pro l'espero ke ultempe tre valoroza skripteri deskovros la beleso ed avantaji di Ido ed uzos ol kom potenta instrumento di kulturo."

Bedaurinde, la Nevesa eseo krome ne estas tre informa pri liaj motivoj. Ghi traktas chefe la historion de Ido, kelkajn konatajn diferencojn inter Ido kaj Eo (la akuzativo! la akcento en 'familio'!), k.t.p., sed li mem konfesas ke tiuj ja ne estas liaj chefaj kialoj por transiri al la alia lingvo. Sed tre interesa estas lia ekamo, ekamego al la nova lingvo, esprimita jene:

"Tote ne jenas men ke la quanto de lekteri diminutis e la chanci di aparigo stuntesis kande me transiris de Esperanto ad Ido. Me skriptas nur pro propra plezuro."

Sed li ne provas vere komprenigi kie lau li kushas tiu 'beleso' de Ido.

Fakte, en tiu chi eseo la autoro ankorau chiam shajnas celi ghuste esperantistan legantaron. Kaj oni konfesu tuj ke la Ido de Neves ne estas malfacile komprenebla por (okcidenta) Esperantisto. Kvazau legi la afrikansan por nederlandlingvano.

Kaj mia hereza penso, legante tiun chi eseon, estas: kial ne simple rekoni Idon kiel dialekton de Esperanto, ech se nur por literaturaj efikoj? Ekzemple, Neves trovas mankon de Ido ke en tiu lingvo "on ne darfas uzar l'afixi kom vorti autonoma, quale en Esperanto (ajho, ulo, ano, eco, eyo) (...) Por dicar 'ajho' Ido posedas la tre oportuna vorto 'kozo', ma ol indijas exemple vorto kun senco tam laxa ed ampla kam 'eyo'." Mia demando: kial ne uzi 'eyo'-n (kiel 'pruntitan' vorton)?
Inverse, se oni ne shatas la konsonantkombinon 'shpr', kial ne ekuzi 'sprici' au ech 'spricar'?
Ghenerale, mi kelkfoje pensas ke estas eble tro da normoj en la Esperanto- kaj Ido-movadoj. Efektive, se oni havas gravan anoncon por la tuta homaro, kaj estus nedemokrate eldiri ghin en maniero kiu eble ne estus tujtuje komprenebla por chiuj, oni eble uzu standardan lingvon. Sed en aliaj kazoj?

Fine, mi trovas Neves interesan poeton, ankau Idolingve, sed mi ne vere shatis lian poemon en tiu chi libreto.

Li nun shajnas labori super dulingva (Ea kaj Ida) traduko de 'O guardador de rebanhos' de Fernando Pessoa. Mi antaughojas!

Labels: , ,