6.2.10

Steven D. Levitt en Stephen J. Dubner. Superfreakonomics. London: HarperCollins, 2009.

Steven D. Levitt en Stephen J. Dubner. Superfreakonomics

Freakonomics van de econoom Steven Levitt en de schrijver Stephen Dubner was een aanstekelijk boek. Een journalist schreef over de originele onderzoeken van een briljante jonge econoom die van alles en nog wat aanpakt dat op het eerste gezich weinig met economie te maken lijkt te hebben, maar dat toch kan worden opgehelderd door de geavanceerde statistische technieken te gebruiken waar economen aan gewend zijn geraakt.

Superfreakonomics is het vervolg, en het ongewild zien hoe de pretenties van die jonge econoom niet waargemaakt zijn. Er wordt weer van alles aangepakt in dit boek: onderzoek van een socioloog naar hoeren in Chicago, negentiende-eeuws onderzoek waaruit bleek dat veel ziekenhuisdoden konden worden voorkomen als dokters hun handen wassen, en klimatologische onderzoek naar het broeikaseffect. Maar veel eigen onderzoek van Levitt zit er niet bij, en bovendien is veel van het wél beschreven onderzoek helemaal niet gedaan door economen.

Tamelijk verbazingwekkend is dat de schrijvers weigeren iets over de kredietcrisis te zeggen: dat is het gebied van de macroeconomen, en zij zijn slechts microeconomen. Dat lijkt mij, als leek, onzin. In de eerste plaats, als je wel met oplossingen voor de klimaatverandering durft te komen is het een beetje nuffig om over de macro-economie te zeggen dat dat je vak nu eenmaal niet is. Wie zich als econoom slim genoeg vindt om te begrijpen hoe de klimaatcrisis moet worden opgelost moet ook iets over de kredietcrisis durven zeggen. En in de tweede plaats vind ik het een beetje laf om naar collega's van de overkant te wijzen: die crisis was toch niet (alleen) een gevolg van verkeerd macro-economisch beleid maar ook van het verkeerd uitpakken van allerlei 'incentives', waar Levitt als micro-econoom zo dol op is?

En zelfs in de wel economische hoofdstukken begon me op te vallen hoe groot de crisis van de economische wetenschap moet zijn. Het is reuzeleuk om slim te zijn en datamining te doen en slimme statistiek toe te passen, maar het is nooit eens gebaseerd op een grotere theorie of een overkoepelend model. Een van Levitts helden, de Nobelprijswinnaar Gary Becker heeft “de economische benadering” gedefinieerd als “a method of analysis, not an assumption about particular motivations.” Het probleem daarbij is dat, in ieder geval in mijn visie op wetenschappelijke vooruitgang, eerdere resultaten soms wel degelijk zouden moeten leiden tot 'aannames' over 'bepaalde motivaties': je verwacht immers dat deze in lijn zijn met wat je eerder vindt. Zo bouw je langzaam maar zeker een theorie op die al je eerdere bevindingen samenvat.

Iedere keer opnieuw stap je opnieuw de zee van data in, zonder ooit rekening te houden met wat we eerder wisten. Niets kan weerlegd worden, want alles is op gegevens gebaseerd en stijgt uiteindelijk ook nauwelijks boven die gegevens uit. Waar Freakonomics een vrolijk boek was, stemt Superfreakonomics vooral treurig.

Labels: , , ,

13.12.09

Erin Arvedlund. Madoff. The man who stole $ 65 billion. London: Penguin Books, 2009.

Erin Arvedlund. Madoff. The man who stole $ 65 billion. Het was een paar dagen precies een jaar geleden dat ik de naam Bernard Madoff hoorde. Nog weer een dag eerder had hij zijn zoons verteld dat zijn grote succesvolle bedrijf feitelijk gebaseerd was op bedrog; zijn zoons hebben hem daarop aangegeven bij de politie, en dit jaar werd hij veroordeeld tot 150 jaar gevangenschap.

Wat drijft iemand er toe om miljarden dollars te stelen? Hoe kan iemand die er op de foto's zo vriendelijk en beschaafd uitziet, die zich volgens kennissen ook altijd vriendelijk en beschaafd gedroeg, hoe kan zo iemand zo'n nietsontziende geldwolf zijn geweest? En was hij eigenlijk wel een geldwolf? Was het hem echt om het geld te doen of alleen om de eer en de aanzien? Of was hij gaandeweg verstrikt geraakt in een net waarin hij het ene illegale gat met een nog net iets groter illegaal gat probeerde te stoppen?

Op een heleboel van die vragen geeft dit boek van Arvedlund geen antwoord. Daarvoor zou waarschijnlijk een diepgravender onderzoek nodig zijn, mogelijk een zeer uitgebreid interview met Madoff zelf — al weet je bij zo'n verstokte en gewiekste leugenaar dan waarschijnlijk nog steeds niet wat er uit zal komen. Arvedlund heeft vooral veel verstand van financiën — ze publiceerde in 2001 al een artikel in het gezaghebbende Amerikaanse tijdschrift Barron's waarin ze aantoonde dat er iets niet deugde aan Madoff's handelswijze, maar net als enkele andere klokkenluiders werd ze toen niet geloofd. Het artikel is dan ook het inzichtelijkst als het gaat over de gebrekkige werking van het Amerikaanse systeem, vooral dat van de controle-organen. Madoff had die in zijn zak, door zijn beminnelijkheid, zijn talent (behalve een illegaal had hij ook een groot en succesvol legaal bedrijf, en was hij een van de eersten die via computers begon te handelen in plaats van op de beursvloer), een aura van exclusiviteit en een uitgebreid netwerk van persoonlijke relaties. Interessant is bijvoorbeeld hoe lastig het was om direcht bij Madoff te beleggen. Iemand moest daarvoor een goed woordje voor je doen bij de grote man zelf, en op daarna kwam het bij de meeste mensen niet meer op om dan ook navraag te gaan doen.

Er zijn nog veel open vragen, die ook Arvedlund niet stelt. Waar is bijvoorbeeld al dat geld gebleven? Je kunt je toch niet voorstellen dat iemand miljarden consumeert - een groot deel moet toch in roerend en onroerend goed zijn gaan zitten, waarvan je je zou kunnen voorstellen dat het verkocht kan worden. En wat was nu precies de rol van Madoffs vrouw, broer, zoons en andere familie? En waarom werden zij niet meteen ook vervolgd? Ik hoop het over een paar jaar nog eens in het definitieve werk over deze fascinerende kwestie te lezen.

Labels: , ,

15.11.09

Philip Roth. The Humbling. London: Jonathan Cape, 2009.

Philip Roth. The Humbling Simon Axler is een acteur die niet eens meer kan doen alsof hij een acteur is. Hij begint een verhouding met een veertigjarige dochter van jeugdvrienden, Pegeen, die tot die tijd alleen lesbische verhoudingen heeft gehad, waaronder een met iemand die zich ineens tot man wilde laten ombouwen en een met iemand die haar sindsdien is gaan stalken. Uiteindelijk verlaat Pegeen Simon ook, die daarop besluit om zich door de mond te schieten.

Over The Humbling blijken de recensenten het niet eens. NRC Handelsblad publiceerde zelfs maar liefst drie verschillende opinies in de boekenbijlage. Er zijn mensen die vinden dat Roth hiermee laat zien dat hij het ook niet meer kan, en als ik het verhaal samenvat, zie ik des te duidelijker hoe drakerig het in elkaar zit.

Toch heb ik heel sterk het gevoel dat in dit debat een partij volkomen ongelijk heeft: degenen die zeggen dat The humbling een staaltje slappe porno is in een literaire vermomming. Porno is het al helemaal niet — er komen als ik het goed tel twee bedscènes in voor, en de titel van het boek lijkt gekozen te zijn om die twee te beschrijven. Axler beleeft misschien op het eerste gezicht een oudemannenfantasie door het aan te leggen met een jongere vrouw, maar hij komt daar enorm vernederd uit.

Aan de andere kant is The humbling nu ook weer niet het ultieme meesterwerk waar Philip Roth zijn hele carrière naar toe heeft gewerkt. Zijn vorige boek, Indignation, wekte bij mij in ieder geval veel heftiger het gevoel van verontwaardiging op dan dit boek dat van vernedering. Dat komt denk ik vooral doordat The humbling zo opzichtig een Shakespeareaans spel is met (sekse-)identiteit: bijna iedereen in dit boekje ondergaat op een of ander niveau een transformatie van man naar vrouw of omgekeerd: door een echte operatie te ondergaan, door zich als man een pistool in de mond te duwen, door zich als vrouw een voorbinddildo om te binden. Dat is mooi, maar maakt het verhaal ook wat afstandelijker. Zoals ook het theatrale van Axlers gedrag het moeilijk maakt het boek te geloven. Axler is een acteur van wie de lezer niet eens meer kan geloven dat hij een mens is.

Labels: ,

23.8.09

William Faulkner. The Sound and the Fury. New York: Vintage, 2005 (1929).

William Faulkner. The Sound and the Fury Ik denk dat alle lezers van Faulkner het overal en tot in eeuwigen dage op een bepaald moment over een onderwerp moeten hebben: dat The Sound and the Fury zo lastig te lezen is. Je kunt het prachtig vinden of afschuwelijk, je kunt alle andere boeken uit de wereldliteratuur gelezen hebben, of geen enkel — moeilijk blijft het.

Dat geldt vooral, of eigenlijk uitsluitend voor de eerste van de vier hoofdstukken, die ieder geschreven zijn uit het standpunt van een van de gebroeders Compson waar een steekje los aan is: het eerste van Benjamin, die autistisch is maar ook enigszins achterlijk, het tweede vanuit Quentin op de dag dat hij in wanhoop zelfmoord pleegt. Het derde hoofdstuk is geschreven vanuit Jason, die zo'n onsympathiek en laag bij de gronds personage is dat zijn verhaal voor weinig problemen zorgt, en het laatste hoofdstuk heeft zelfs een heel klassieke alwetende verteller.

Het verhaal is, als je het helemaal uitgeplozen krijgt, nog niet eens zo vreselijk ingewikkeld. Een familie uit het zuiden raakt aan het begin van de twintigste eeuw in verval door drankzucht van de vader, overdreven eergevoel van de moeder, promiscuïteit van de dochter, de zelfmoord van Quentin en het zelfzuchtige gedrag van Jason. Maar doordat voor Benjamin en Quentin heden en verleden door elkaar lopen (en er bovendien twee verschillende personages zijn die Quentin heten en twee andere die Maury heten) raak je als argeloze lezer bijna onvermijdelijk in de war.

Een geweldig hulpmiddel is dan het internet. Daar is namelijk een prachtige hyperteksteditie van het boek te vinden. The Sound and the Fury blijkt gemaakt voor hypertekst. Met kleurtjes worden de verschillende herinneringen ineens uit elkaar gehaald, en bovendien kun je de fragmenten nu, behalve in de volgorde waarin ze in het hoofdstuk staan, ook in chronologische volgorde lezen.

Waarom maakte Faulkner het boek zo moeilijk? Uit de laatste twee hoofdstukken, maar eigenlijk ook al uit flarden in de eerste twee, blijkt dat het in ieder geval geen onmacht was. Hij kon heel knap en meeslepend in een tamelijk 'gewone' stijl een aangrijpend verhaal vertellen. Uit dedain voor het publiek alleen kan het ook nauwelijks zijn ontstaan, want uit biografische informatie begrijp ik dat Faulkner op het moment van publicatie arm was en nauwelijks van zijn schrijfwerk kon leven. Een bestseller zou The Sound nooit worden, dat zal de schrijver toch wel hebben voorzien.

Je zou kunnen denken dat het in de lucht hing, dat schrijvers als Faulkner in die tijd de gedachte hadden dat ze het proza moesten veranderen, dat zij de literatuur van de toekomst zouden schrijven. Maar als dat de gedachte was, en dit de toekomst, dan is het experiment mislukt. Zo schrijven de meeste schrijvers niet meer, ze lijken een paar stappen terug te hebben gezet.

Ik weet dus niet waarom Faulkner het zo heeft gedaan, maar ik weet geloof ik wel wat voor effect het op mij als lezer maakt. In het begin voelt een lezer als ik, een gewone, doorsneelezer, alleen maar weerstand. Als je moet gaan studeren en puzzelen om een beetje te kunnen begrijpen wat er gebeurt, ga je je al snel afvragen of dat wel de moeite waard is. De thematiek is in sommige opzichten ook een beetje ouderwets, veel problemen komen toch vooral voort uit de bekrompenheid van de mens in het zuiden aan het begin van de vorige eeuw. Doordat je in de eerste hoofdstukken zo enorm veel moeite moet doen, ga je vanzelf meer van het boek houden. Omdat in de tweede helft gaandeweg bijna alles duidelijk wordt, houd je aan het eind bovendien nog een prettig gevoel over dat je het hebt begrepen. En door dat gevoel kun je dan ook wat meer waardering op brengen voor het begin, en inzien hoe knap het eigenlijk is dat iemand een geestelijk gehandicapte of een gefrustreerde zelfmoordenaar vanbinnenuit beschrijft. Wie doorzet, wordt uiteindedelijk beloont met een rijk beeld van een totaal verknipte familie. Ik denk dat ik uiteindelijk heel veel van dit boek ga onthouden — veel meer dan menig gemakkelijker boek.

Labels: ,

14.8.09

Philip Roth. Patrimony. New York: Library of America, 2008 (1991).

Philip Roth. Novels and other narratives 1986-1991 De vader van Philip Roth is dood. Op 86-jarige leeftijd is hij gestorven aan de gevolgen van een hersentumor. Dat is weliswaar al ongeveer twintig jaar geleden gebeurd, maar ik heb het nieuws pas nu tot me door laten dringen, doordat ik Roths roman over de laatste maanden van zijn vader las, Patrimony. A true story.

Een waargebeurd verhaal als ondertitel, dat geeft bij deze schrijver altijd te denken, ja, dat roept op tot wantrouwen. Roth heeft meer boeken geschreven die zogenaamd waargebeurd zijn en zelfs over Philip Roth gaan, maar tegelijkertijd onmiskenbaar versonnen zijn (Operation Shylock bijvoorbeeld). Maar dan verbaast de schrijver je toch weer — door nu ineens volkomen oprecht te lijken te zijn.

Dat wil niet zeggen dat hij niet zelfs in dit boek speelt met de grenzen tussen fantasie en werkelijkheid. Wanneer Philip naar zijn vader rijdt om die het slechte nieuws te brengen van de tumor, rijdt hij in gedachten per ongeluk verkeerd, en komt uit bij de begraafplaats waar zijn moeder zeven jaar eerder begraven is. Dat is te mooi om waar te zijn, en daar denkt de schrijver in het boek ook over na; maar het is ook te mooi om te zijn verzonnen.

Nog een voorbeeld: in het boek komt ook een vriend van Roths vader voor, een holocaust-overlever die door Philip aan een uitgever moet worden geholpen. Op een etentje geeft die vriend een paar proefbladzijden te lezen: ze blijken te bestaan uit pornografie van de slechtste soort, eindeloze opsommingen van welke vrouwen de hoofdpersoon hoe allemaal tijdens zijn onderduikperiode in Berlijn heeft bezeten.

Maar vooral is het een liefdevol portret van de vader, de man die het als verzekeringsagent bij een half-antisemitisch bedrijf in het Amerika van de jaren dertig en veertig gemaakt heeft door te werken en nog eens te werken, een man die nu dwars en opstandig en onredelijk en vuil is, maar vooral wil leven. Een man die worstelt met zijn geloof en zijn gevoelens voor zijn kinderen, die onredelijk is tegen de vriendin die hij na de dood van zijn vrouw gekregen heeft, maar die uiteindelijk en daardoor een mens is zoals u en ik.

Ik heb Patrimony gedeeltelijk gelezen op de fiets, als een illegaal gedownloaded luisterboek, waarin het verhaal prachtig wordt voorgedragen door een Amerikaanse acteur die vader Roth ook nog eens een heel mooie stem weet te geven. Doordat het die acteur is die het leest, de acteur die zichzelf Philip Roth noemt, komt er toch ineens weer een laag van fictie over de autobiografie. Het houdt nooit op in de wereld van Roth.

Labels: , , ,

7.8.09

Philip Roth. I married a communist. New York: Vintage, 1999 (1998)

Philip Roth. I married a communist. New York: Vintage, 1999 (1998) Ira Ringold is een communist die ook wil leven, een jongen van eenvoudige afkomst die in de jaren veertig trouwt met de filmster Eve Frame, en een verhouding begint met de vriendin van haar dochter. Die zelf acteert en beroemd wordt, maar zijn afkomst niet verloochent en die altijd bewondering blijft houden voor zijn steile communistische vriend Johnny O'Day. Maar het einde is onontkombaar: het huwelijk met Eve strandt, en onder invloed van haar glamour-vrienden publiceert zij een boek waarin ze beweert dat Ringold een belangrijke schakel is in een communistisch complot om de Amerikaanse amusementsindustrie in handen te krijgen. Ringold wordt zo een van de eerste slachtoffers van het McCarthy-tijdperk.

Op internet heb ik wat oude recensies van dit boek gelezen, waarin de nadruk erg wordt gelegd op het feit dat niet lang voordat dit boek verscheen de ex van Philip Roth een boek publiceerde over hun mislukte huwelijk. I married a communist zou een in rancune gedrenkte afrekening zijn.

Die recensenten hebben dit boek heel anders gelezen dan ik. Natuurlijk zijn er overeenkomsten met wat Roth gebeurde, maar ik zie helemaal niet waar die rancune uit blijkt. Eve komt er helemaal niet zo slecht vanaf in dit boek — er wordt duidelijk gemaakt dat het boek vooral geschreven wordt door de familie Grant met wie ze bevriend is om de ambitie van meneer Grant om Republikeins parlementariër te worden meer kansen te geven. En bovendien is het verhaal hier zo duidelijk ingebed in de communistenjacht uit de jaren veertig en vijftig dat het volkomen losraakt van wat de auteur zelf kan zijn gebeurd.

In plaats daarvan vinden we weer allerlei thema's van Roth, zoals de moeilijke zoektocht naar identiteit en de onontwarbare kluwen van fantasie en werkelijkheid. Natuurlijk heeft Roth naar dat boek van zijn ex-vrouw verwezen; maar het lijkt bijna of de weinig begripvolle reactie van die recensenten zélf uit een boek van Roth komt: ze zien alleen de buitenkant, maar kennen de lui daarom nog niet.

I married a communist vormt samen met American Pastoral en The human stain een soort trilogie waarin Roth's alter ego Nathan Zuckermann verhalen vertelt over verschillende perioden in de Amerikaanse geschiedenis. Volgens veel kenners is dit misschien het minst van de drie en wie weet hebben de kenners daar gelijk in. Maar dat komt dan vooral doordat die andere twee zo weergaloos zijn. Vooral het einde van I married a communist, waarin alles rondom Ira Ringold nog net iets verschrikkelijker blijkt te zijn geweest dan je dacht, en je merkt dat je allerlei aanwijzingen daarvoor in de loop van het verhaal gemist hebt, is prachtig.

Labels: ,

14.7.09

Herman Melville. Moby-Dick. Or, The Whale. Borders Group, 2006 (1851).

Herman Melville. Moby Dick Er is een bekend verhaal over een aantal blinden die in het donker een olifant betasten, en waarvan er een denkt dat hij een lantaarnpaal te pakken heeft, een een tuinslang meent te ontdekken, en een een zeilboot vermoedt vanwege de grote oren. Zo'n verhaal is Moby Dick in zekere zin ook, maar dan met een verteller die de moeite doet om nu eens aan deze kant van de walvis te gaan staan en daar zijn verhaal te vertellen, en dan weer eens aan de andere kant. Die zijn onderwerp tegelijkertijd wetenschappelijk en antiwetenschappelijk benadert, zakelijk en romantisch, vanuit het standpunt van de walvisvaarder en dat van de liefhebber, enzovoort. Die een bont geschakeerd geheel toont en daarmee laat zien hoe weinig we eigenlijk begrijpen van een medeaardebewoner als de walvis.

Een van de mooie dingen die romans kunnen is precies dat: een probleem van allerlei gezichtspunten laten zien, en tonen dat iedereen gelijk heeft en daarin nu juist de moeilijkheid schuilt. In dat opzicht is Moby-Dick waarschijnlijk inderdaad de Great American Novel. Ik heb in ieder geval gesmuld.

Het boek begint met een vertellerskracht die geloof ik ongeëvenaard is. Ik ben in ieder geval niet veel vaker zo sterk een verhaal ingetrokken als tijdens de eerste pakweg honderd bladzijden, waarin Ishmael zijn nieuwe vriend, de 'kannibaal' Queequeg ontmoet in een naargeestige walvisvaardersherberg in Nantucket, enkele nachten met hem doorbrengt en uiteindelijk samen met hem aanmonstert op het roemruchte schip waarop kapitein Ahab uiteindelijk blijkt zijn verdoemde wraaktocht op Moby-Dick, het gevaarte dat zomaar zijn been verbrijzeld heeft, te vermoorden.

De wereld is groot en onbegrijpelijk, ik geloof dat uiteindelijk alle boeken over de zee daarover gaan. Je kunt er honderden aspecten van belichten, en dan nog heb je de waarheid niet te pakken — dat zegt Moby Dick.

Labels: ,

5.3.09

Edward O. Wilson. On human nature. Cambridge, Mass: Harvard, 2004 (1978).

Edward O. Wilson. On human nature De mens is een aap. Jaja. En het gedrag van de mens kan en moet daarom in de eerste plaats begrepen worden als het gedrag van apen, dus uit een biologisch oogpunt. Dat was dertig jaar geleden de stelling van Edward Wilson en kennelijk was dat controversieel. In een voorwoord dat Wilson in 2004 schreef voor een nieuwe druk, legt hij uit hoe dat volgens hem komt: in de jaren zeventig waren alle academici halve marxisten die werkten met een model van de menselijke geest als een blanco blad, die niets moesten hebben van biologische gepredisponeerdheid. En die geesteswetenschappers begrijpen niets van de echte, de harde wetenschap, dat vond hij eigenlijk in 1978 ook al.

Ik geloof niet dat ik een marxist ben en ik vind het heel aannemelijk dat je menselijk gedrag in biologische termen kunt begrijpen. Maar ik vind niet dat Wilson erg overtuigend is. Hij geeft niet echt veel concrete voorbeelden van fenomenen die je beter uit een biologisch oogpunt kunt begrijpen dan uit een cultuurwetenschappelijk oogpunt. Misschien is dat wel eerder de reden dat zijn sociobiologie indertijd niet zo succesvol was, dan dat iedereen maar vol vooroordelen zit.

Neem de oorlogsvoering van de Mundurucú. Wilson legt omstandig uit dat er allerlei 'biologische' (dat wil zeggen externe) omstandigheden zijn die het bijna noodzakelijk maken dat Mundurucú veel oorlog voeren. Zelf hebben ze wel allerlei mythologische verhalen over waarom zij zo'n fantastisch volk zijn, maar die verhalen zijn minder plausibel dan het biologische.

Maar dat is het punt helemaal niet. Je zou willen weten waarom die verhalen dan toch verteld worden — en daar dan een biologische verklaring voor willen geven, want dat is het feitelijke culturele verschijnsel. Eigenlijk bespreekt Wilson alleen maar heel algemene eigenschappen van de menselijke cultuur. Hij legt het verband niet met de ingewikkelder, de 'hogereorde' verschijnselen. Dat is waarschijnlijk ook heel moeilijk om te doen, en daar wringt het hem nu net. Uiteindelijk moet waarschijnlijk alle menselijke gedrag inderdaad in biologische, in natuurwetenschappelijke zin verklaard worden. Maar de menselijke cultuur is vooralsnog zo complex, dat we aan een zinnige reductie nog lang niet toe zijn.

Labels: , ,

29.12.08

Raymond Carver. Cathedral. London: Vintage Books, 2003 (1983).

Raymond Carver. Cathedral Mensen, andere mensen zijn onbegrijpelijk. Ze doen misschien nog niet eens van die vreemde dingen, maar toch begrijp je niet goed waarom ze doen wat ze doen.

Het verhaal 'Fever' van Raymond Carver gaat bijvoorbeeld over een leraar die net gescheiden is van zijn vrouw, die met een collega van hem is weggelopen. Die vrouw bekommert zich toch nog om hem, al praat ze daar een beetje zweverig over. Zo zorgt ze er samen met haar nieuwe vriend voor dat er een oppas komt voor de kinderen, een mevrouw Webster. De leraar neemt het aanbod met open handen aan, omdat de enige oppas die hij zelf kon regelen, al na een paar dagen feestjes in zijn huis blijkt te geven. Mevrouw Webster blijkt een aanwinst, maar neemt na enkele weken ontslag omdat haar man elders kan gaan werken.

Hoe vreemd is dat? Als Raymond Carver het vertelt is het heel vreemd. Het gedrag van de ex krijgt iets onheilspellends, je begrijpt precies waarom de man haar liever niet meer aan de telefoon wil hebben, en ook het ontslag van mevrouw Webster heeft een enorme betekenis - al kom je er niet zo goed achter welke.

En zo is het in alle verhalen. De taal is heel simpel, het verhaaltje is ook heel simpel, maar de hele tijd wordt de lezer met zijn neus gedrukt om het onomstotelijke feit dat wij mensen niets begrijpen van mensen. Wat gaat er in iemand anders om?

Ik weet niet of ik ooit aan Carver begonnen was, als ik dit boek niet had geleend van een vriendin, die hetzelf weer had geleend van een andere vriendin. Die keten van vriendinnen was zeer onder de indruk, en ik ga als ik weer een boek van Carver tegenkom, dat zeker ook lezen.

Labels: ,

8.11.08

Barack Obama. The Audacity of Hope. Edinburgh (etc.): Canongate, 2007 (2006).

Barack Obama. The Audacity of Hope Aan het eind van The Audacity of Hope beschrijft Obama zijn eerste persconferentie als senator:

It was my first day in the building; I had not taken a single vote, had not introduced a single bill — indeed I had not even sat down at my desk when a very earnest reporter raised his hand and asked, "Senator Obama, what is your place in history?"

Even some of the other reporters had to laugh.

Het is een kenmerkende anekdote, niet alleen vanwege de lichte zelfspot, en vanwege de persoonlijke toon, maar omdat uit The Audacity of Hope vooral blijkt dat Obama toch stiekem ook wel erg bezig is met zijn plaats in de geschiedenis. Ieder onderwerp dat hij aansnijdt — de verzuring van de strijd tussen Republikeinen en Democraten, de verhouding tussen de 'rassen', het buitenlands beleid van de VS — wordt eerst en vooral in een historisch kader geplaatst. Hier is iemand aan het woord die heel erg beseft dat het nu een stapje is in de geschiedenis.

Die combinatie met het persoonlijke geeft Obama's eigen toon. Hij beschrijft hoe hij een wet door de Senaat heeft gehaald en daar heel trots over is. Hij belt zijn vrouw Michelle om uit te leggen hoe belangrijk die wet is en zij zegt: 'We hebben mieren! Neem jij onderweg naar huis wat lokdoosjes mee?'

Het boek is zo goed geschreven dat je af en toe een beetje wantrouwig wordt; maar aan de andere kant, waarom zou een politicus ook niet goed kunnen schrijven? Obama kan in ieder geval denken en spreken, en schrijven doet hij kennelijk graag. Al wijst alles erop dat er de komende jaren geen nieuwe titels meer van hem verschijnen — ik verheug me nu al op het vervolg van over tien jaar.

Labels: , ,

10.9.08

Philip Roth. Indignation. London: Jonathan Cape, 2008.

Philip Roth. Indignation Ik liep vanmiddag door het centrum van Amsterdam, klaar met winkelen, en kwam langs de American Bookshop aan het Spui waar het nieuwste boek van Philip Roth in de etalage stond. Ik liep naar binnen, pakte het boek, rekende af, liep weer naar buiten en nam plaats op een bankje vlak voor de winkel. Daar heb ik Indignation tussen vier en zeven uitgelezen.

Het is weer een prachtig boek. Kenners (nou ja) verdelen het werk van Roth in een 'jonge Roth' en een 'oude Roth', waarbij de jonge vol hilarische woede zit, en de oude vol melancholie. Indignation is een beetje van allebei, een schreeuw van frustratie en verontwaardiging over de hypocrisie van de jaren vijftig.

Marcus Messner is de jonge, ambtieuze zoon van een kosjere slager uit Newark, die de overdreven angsten en zorgzaamheid van zijn vader probeert te ontvluchten door uit te wijken naar een college in Ohio. Maar daar laat men hem niet met rust: terwijl hij zich probeert af te zonderen, alleen maar te studeren om zoveel mogelijk 10en te halen, en in het weekeinde werkt in een bar om ervoor te zorgen dat zijn ouders niet helemaal krom hoeven te liggen, wordt hij gedwongen 'socialer' te zijn. En dat is uiteindelijk het begin van het einde. Hij laat zich in met een klein vergrijp, wordt gesnapt, van school gestuurd, en moet dan naar de Koreaanse oorlog, die hij niet overleeft.

Bitter is het historische nawoord waarin Roth erop wijst dat de regels die Messner overtrad, sinds de studentenrevolte van 1971 helemaal niet meer bestaan, en daarmee lijkt het inderdaad een protest tegen de enorm benauwende jaren vijftig. Maar tegelijkertijd: welke schrijver zondert zich ook weer af om het ene boek na het andere te schrijven, en zo allemaal tienen te halen?

(Eerder schreef ik hier over Operation Shylock, Exit Ghost, Portnoy's complaint, American pastoral, Everyman, The dying animal en The plot against America.)

Labels: ,

14.6.08

Ernest Hemingway. The Old Man and the Sea. New York: Scribner, 2003 (1953).

Ernest Hemingway. The Old Man and the Sea

Een oude man, Santiago, is alleen op de oceaan. De jongen die hem altijd hielp bij het vissen, mag van zijn ouders niet meer met de oude man mee — het geluk heeft hem verlaten. Dus gaat hij er alleen op uit, en vangt een enorme zwaardvis (althans, de Engelse tekst noemt het een marlin en de plaatjes die Google daarop geeft zou ik benoemen als een zwaardvis). Enkele dagen en nachten strijdt de oude man met de zwaardvis, om hem tenslotte te doden. Voordat hij terugkomt in de haven is al het vlees van de vis al door de haaien opgegeten.

De oude man is kortom, op een totaal andere manier alleen dan de hulpboukhouder Bernardo Soares in Het boek van de onrust van Fernando Pessoa dat ik eerder deze week uitlas. Hij praat wel een beetje met zichzelf, maar hij is toch vooral bezig te leven, te strijden en dus te leven. Hij is een ouderwets mytisch soort held - oud maar vitaal, 'pijn betekent niets voor een man', denkt hij ergens, en dat zou Soares nooit denken. Santiago wint uiteindelijk dan ook, al komt hij bijna met lege handen terug: het gigantische geraamte van de vis is het bewijs van de geleverde strijd.

Ik voel meer voor Hemingway dan voor Pessoa. Dat is misschien een beetje raar, voor iemand die werkt op het instituut dat model stond voor Het Bureau en nog nooit ook maar een spierinkje gevangen heeft, maar in plaats daarvan op een uithoek van het internet iets opschrijft over de boeken die hij gelezen heeft. Toch denk ik dat ik meer een vechter ben, maar wie weet is dat allemaal maar escapisme van de kantoorklerk.

Labels: ,

15.5.08

Philip Roth. Operation Shylock. New York: Vintage, 1993.

Philip Roth. Operation Shylock

De schrijver Philip Roth komt er in 1988 achter dat er in Europa en in Israël een man rondloopt die ook Philip Roth heet, uiterlijk heel sterk op hem lijkt en die propaganda maakt voor het 'Diasporisme' — de gedachte dat er zoveel mogelijk Asjkenazische joden uit Israël terug moeten keren naar Europa, om zo een rampzalige confrontatie met de Arabieren te voorkomen én omdat volgens Philip Roth (de andere) de ware Joodse cultuur in Europa te vinden is. Philip Roth (de ene) ontsteekt in woede, en spoort de andere Philip Roth op in Israë. Het komt tot een zeer gecompliceerde relatie, en uiteindelijk begint ook de Israëlische geheime dienst zich ermee te bemoeien. Die doet Philip Roth (de ene, de schrijver) het voorstel om in Athene te gaan spioneren bij joden die als geldschieter voor de PLO werken. Dat is Operatie Shylock. De schrijver doet dat ook, en schrijft er een boek over. Alleen het laatste hoofdstuk, over wat er in Athene allemaal gebeurd is, dat kan hij maar beter niet publiceren.

Operation Shylock speelt in 1988, het jaar dat Demjanjuk terecht stond in Tel Aviv en het jaar dat Israël zijn veertigste verjaardag vierde. Het verscheen vijf jaar later, en toen heb ik het ook gelezen. Dit viert Israël zijn zestigste verjaardag en las ik het opnieuw. Het boek is onder andere een prachtige beschrijving van de enorme complexiteit van de Israëlische samenleving en de enorme complexiteit van de gevoelens van een Amerikaanse jood over dat land. Werkelijk iedere mogelijke gedachte die je over dat land kunt hebben, van grote afkeer tot intense liefde, komt aan de orde.

Maar het boek gaat over veel meer - over de relatie van iemand tot zichzelf, over de verschillen tussen de manier waarop jij jezelf ziet en waarop je gesprekspartner je blijkt te zien, over de onweerstaanbare drang van iedereen om een verhaal van zijn leven te maken. En Dostojewski speelt op de achtergrond een minstens even grote rol als Shakespeare en Anne Frank — drie grote beschrijvers van de menselijke conditie.

(Eerder schreef ik hier over Exit Ghost, Portnoy's complaint, American pastoral, Everyman, The dying animal en The plot against America.)

Labels: ,

29.12.07

Vladimir Nabokov. Lolita. New York: Berkley Books, 1986 (1955).

Dit boek begint en eindigt met dezelfde naam: Lolita. Namen zijn belangrijk in dit boek: er zijn denk ik weinig boeken waarin er zoveel verschillende namen vallen, in vergelijking met het aantal karakters. Als een persoon een beetje vlees en bloed krijgt in het verhaal van Humbert Humbert, krijgt hij of zij ook al snel een heel stel bijnamen. Bovendien staan er op een aantal plaatsen lijsten namen waar geen personen bijhoren: de namen van Lolita's klasgenoten bijvoorbeeld, of een opsomming van de verzonnen namen die Humberts antagonist (Clare Quilty) opgegeven heeft aan hotelrecepties.

In het nawoord zegt Nabokov dat dit boek onder andere begrepen kan worden als 'the record of my love affair with the English language'. Dat spel met die namen is daar vast een onderdeel van. Bovendien probeert Humbert uit die namen zelf allerlei betekenissen te peuren. Over de valse namen van Quilty:

"Who was 'Johnny Randall, Ramble, Ohio'? Or was he a real person who just happened to write a hand similar to 'N.S. Aristoff, Catagela, NY'? What was the sting in 'Catagela'?"

Ik weet niet hoeveel studies er naar deze namen gedaan zijn. De moderne lezer komt er dankzij internet in een handomdraai achter dat catagela een mottensoort beschrijft, en dus waarschijnlijk vooral verwijst naar Nabokovs voorliefde voor vlinders. Zoals elders iemand een woordspelletje maakt van de naam Maeterlinck (Maeterlinck-Schmetterling).

Ik had eerder nooit een boek van Nabokov uitgelezen, terwijl ik er aan verschillende begonnen ben. Ik vond die boeken, ook Lolita, altijd te ingewikkeld en te bedacht. Deze keer pakte het ineens wel. Inderdaad viert Nabokov zijn fascinaties met taal en structuur en literatuur uit in een ingewikkeld spel. Maar achter dat ingewikkelde spel zag ik nu ineens een prachtig, huiveringwekkend verhaal.

Bovendien heeft die kunstzinnigheid, dat gespeel met namen - namen die bovendien allemaal gefingeerd zijn, want Humbert is gesteld op zijn privacy - ook een functie: er zit een ontzagwekkend dik gaas tussen Humbert en de werkelijkheid. Hij kent zijn 'geliefde' Lolita helemaal niet, en weet ook eigenlijk niets van haar. Hij is eens en vooral verliefd op zijn eigen fantasie.

Labels: , ,

27.12.07

Oliver Sacks. Musicofilia. Verhalen over muziek en het brein. Amsterdam: Meulenhoff, 2007.

Vertaling Han Visserman

Ongeveer twintig jaar geleden zag een documentaire zag ik een documentaire op tv die ik nooit ben vergeten: een film over de Engelse musicus Clive Wearing die juist alles vergeten was. Weaver is een van de ernstigste amnestiepatiënten ter wereld, die alles vergeten is wat meer dan een halve minuut geleden is gebeurd. Daardoor heeft hij doorlopend het gevoel net wakker geworden te zijn. Dat schrijft hij dan ook doorlopend op in zijn dagboek: ik ben net wakker geworden. Of hij belt zijn vrouw - een van de weinige mensen die hij zich nog levendig herinnert - om haar te zeggen dat hij er nu echt weer is, en dat hij naar haar verlangt. Elke keer dat zij binnenkomt vliegt hij haar dan ook in haar armen. Alleen als hij muziek speelt, lijkt de amnestie voorbij: alles herinnert hij zich, zelfs als er een herhalingsteken staat, vergist hij zich niet. (Op YouTube is een Amerikaanse documentaire uit 1999 te zien waar de BBC-film uit 1986 deels in is verwerkt.)

In zijn nieuwe boek Musicofilia vertelt de beroemde neuroloog Oliver Sacks het verhaal van Wearing, en beschrijft een verslag van een bezoek dat hij Wearing bracht. Heel veel voegt die beschrijving niet toe aan wat ik me nog herinnerde van die documentaire van twintig jaar geleden: nog steeds heeft Wearing iedere dag het gevoel dat hij net wakker geworden is. En nog steeds speelt hij prachtig piano.

Toevallig heb ik net een ander boek over de relatie tussen muziek en brein gelezen,  This brain on music van de neurowetenschapper David Levitin. Het is interessant om die twee boeken te vergelijken, omdat ze uit zulke verschillende invalshoeken zijn geschreven. Waar Levitin op zoek is naar algemene wetmatigheden &mdash Hoe zit muziek in ons aller hoofd? Hoe werkt het allemaal precies? — is Sacks duidelijk een dokter: iemand die geïnteresseerd is in zijn patiënten; die ook in ieder van hen het eigen verhaal wil zien.

In theorie heeft Sacks het makkelijker, want die kan smeuïge verhalen vertellen over verbijsterende gevallen zoals dat van Clive Weaver. Maar het boek van Levitin vind ik uiteindelijk een stuk beter. Sacks verklaart wat mij betreft wel heel weinig van wat muziek is, of wat onze hersenen precies doen, en doet dat ook vaak in vrij hopeloos gemurmel over hersenonderdelen (een arts is zijn gehoor in zijn rechteroor kwijtgeraakt 'nadat er een akoestisch neuroma in de sensibele zenuw was verwijderd'). Levitin heeft een sterker verhaal — de prachtige zoektocht naar wat de menselijke hersens kunnen.

Labels: , , ,

24.12.07

Daniel J. Levitin. This is your brain on music. New York: Plume, 2007 (2006).

Hoe is het mogelijk dat je soms na twee noten al hoort welk liedje er klinkt op de radio? Of dat de luisteraar die een trompet en een klarinet tegelijkertijd dezelfde melodie hoort spelen, die instrumenten toch moeiteloos uit elkaar houdt en niet één ingewikkeld instrument hoort? En waarom hebben alle bekende culturen eigenlijk muziek en dans? Dat zijn fascinerende vragen, en Daniel Levitin geeft er fascinerende antwoorden op. Dat kan hij, omdat hij een bijzondere combinatie van competenties heeft: hij is producer geweest bij een platenmaatschappij en tegenwoordig is hij als muziekwetenschapper verbonden aan McGill.

Ik ben zelf fonoloog van mijn vak, ik bestudeer de klanken van talen, en dat ligt natuurlijk in sommige opzichten dicht bij muziekpsychologie. Toch was er veel dat ik niet wist, nee, ik wist bijna niets. De raakvlakken bleken zelfs nog groter dan ik dacht. In mijn vak is er een grote discussie over de vraag hoe mensen woorden precies in hun geheugen opslaan. Een spreker van het Nederlands weet hoe het woord doek klinkt. Komt dat doordat hij (1) alle keren dat hij ooit iemand 'doek' heeft horen zeggen ergens in zijn geheugen heeft zitten, en daar een soort gemiddelde van uitrekent als hij zelf iets moet zeggen, of (2) hij een abstractere vorm heeft die bestaat uit instructies voor het uitspreken van d-oe-k? Voor allebei de theorieën valt iets te zeggen en de discussie duurt voort. Grappig is dan om te zien dat je voor bijvoorbeeld het onthouden van melodietjes dezelfde discussie hebt: onthoud je die in groot detail van de uitvoeringen die je kent, of in een wat abstractere vorm zodat een liedje hetzelfde klinkt als je het twee tonen hoger begint dan de vorige keer? Ook hier valt voor allebei wat te zeggen.

Het viel me wel op dat Levitin weinig gevoel lijkt te hebben voor klassieke muziek. Zijn hart ligt bij de jazz en de rock, en tegen het eind van het boek geeft hij een heel wonderlijke samenvatting van de geschiedenis van de klassieke muziek: tot ongeveer 1950 (Bernstein) was het allemaal oké, daarna verwerd het tot óf filmmuziek óf onbegrijpelijke kunstzinnige muziek. Dat er voor 1950 ook al volop kunstzinnigheid en filmmuziek was, ontgaat hem, evenals het feit dat er ook echt toegankelijke hedendaagse muziek is, en dat er mensen zijn die daar oprecht van genieten. En wel op de manier die Levitin zo toegankelijk en enthousiasmerend beschrijft in zijn boek.

Labels: , , ,

23.12.07

Shalom Auslander. Foreskin's Lament. New York: Riverhead, 2007

Een man van rond de dertig ziet terug op zijn jeugd waarin hij zich uit allemacht verzette tegen het kleinburgerlijke joodse milieu waarin hij is opgegroeid. Hij doet dit door alle geboden te overtreden die hij kan bedenken, bijvoorbeeld dat op masturbatie. Als ik het zo samenvat, lijkt Shalom Auslander's Foreskin's Lament wel heel sterk op Portnoy's Complaint, maar die samenvatting is maar oppervlakkig. Auslander (de hoofdpersoon heeft dezelfde naam als de schrijver) verzet zich niet zozeer tegen zijn milieu als tegen God, dat oneindig wrede opperwezen, die boven onze hoofden zit te grijnzen om alle rottigheid die hij op de mensen afstuurt. En die kwaad wordt als je iets onaardigs over hem zegt. Zodat het boek eindigt met een smeekbede aan God om het boek toch vooral niet verkeerd op te vatten, het is immers maar een boek, God kan Shaloms vrouw en kind toch best laten leven?

Daarmee is dit boek een indrukwekkend verslag van hoe moeilijk het is im van een geloof af te komen, niet eens vanwege de sociale verliezen die je lijdt als afvallige, maar doordat het onmogelijk is om niet meer in God te geloven, zelfs als je je tegen hem verzet, vanwege het voortdurende gevoel van zondigheid.

Labels: ,

19.12.07

Gregory Chaitin. Metamath! The Quest for Omega. New York: Vintage Books, 2006 (2005).

Dit is een mislukt, amateuristisch geschreven en bij vlagen nauwelijks te begrijpen boek, dat ik in één adem heb uitgelezen. Gregory Chaitin is de bedenker of ontdekker van het getal Ω (omega) - een voorbeeld van een volkomen onvoorspelbaar getal, een getal dat je alleen zou kunnen uitdrukken door het helemaal op te schrijven, terwijl het oneindig veel cijfers achter de komma heeft. Van zulke getallen moeten er oneindig veel zijn, maar juist doordat ze alleen zijn uit te drukken door ze helemaal op te schrijven, is het moeilijk om er één aan te wijzen. Chaitin heeft een manier bedacht om dat wel te doen. In dit boek legt hij uit hoe hij dat heeft gedaan – en dat doet hij op een heel duidelijke manier, ondanks die paar wat duistere passages.

Chaitin legt in zijn boek ook uit dat hij niet houdt van droge opsommingen. Hij wil dat de persoonlijkheid van de pagina's afspat, en dat probeert hij vervolgens ook zelf met alle macht te doen, van de pagina's afspatten. Hij doet dat vooral door heel veel uitroeptekens te gebruiken. Allemachtig, wat staan er veel uitroeptekens in dit boek, en dat heus niet alleen omdat het veel over het wiskundige begrip faculteit gaat. De laatste zin van het boek is zelfs:

Thank you for reading this book and taking this journey with me!

Maar je wilt Chaitin dat alles als lezer graag vergeven, omdat hij zo enthousiast is dat hij al die uitroeptekens echt lijkt te menen, en bovendien over zulke fijne dingen enthousiast is: over Gödel en Turing bijvoorbeeld, of over Leibniz, de grootste intellectuele held uit de geschiedenis der mensheid, en over een verhaal uit Der Process van Kafka, dat ik onlangs gelezen heb. En Chaitins eigen geschiedenis, hoe hij tot zijn wonderbaarlijke getal gekomen is, dat is ook een prachtig verhaal. Wat is de wereld toch mooi, dat er zulke ideeën in bestaan!

Labels: , ,

23.11.07

A.J. Jacobs. The Year of Living Biblically. New York: Simon and Schuster, 2007.

A.J. Jacobs moet een beetje gek zijn. Anders ga je toch niet als zelfverklaard agnost — hij is naar eigen zeggen wel joods, maar dan 'in de zin waarin Olive Garden een Italiaans restaurant is' — alle regels van de bijbel zo letterlijk mogelijk te volgen. Dus ook de regel dat je geen kleding mag dragen waarin wol en linnen tegelijk zijn verwerkt. Of de regel dat je overspeligen moet stenigen. Of de regel dat je een os moet slachten in de buurt van een onopgeloste moord.

Gelukkig is Jacobs in de eerste plaats behalve gek ook onweerstaanbaar grappig. Als een vrouw eindeloos tegen hem zit aan te klagen, zegt hij: 'Zij is de Fidel Castro van het klagen'. Als hij beschrijft hoe werkverslaafd zijn vader en hij zijn, vertelt hij dat ze zelf zitten te schrijven terwijl ze op hun laptop een dvd bekijken; nou ja, bekijken: af en toe spiekt hij even 'om te zien of het beeld nog beweegt'.

En behalve gek en grappig is Jacobs uiteindelijk ook serieus op zoek naar hoe dat nu eigenlijk zit met die bijbel. Wat beweegt mensen (hij interviewt onder meer ultra-Orthodoxe joden, Amish en Jehovah's Getuigen) om zich in onze tijd zo letterlijk aan dat oude boek te houden? Hoe kan er in een boek zo'n combinatie van fundamentele morele regels (gij zult niet stelen) met absurde detail voorkomen (als een man x in gevecht raakt met een man y, en de vrouw van x komt haar man te hulp en grijpt y in het kruis, dan heeft y het recht haar hand af te hakken). Wat zegt de bijbel ons nu nog? Jacobs vindt de antwoorden natuurlijk ook niet, maar hij heeft wel een jaar lang oprecht gezocht.

Labels: , ,

29.10.07

Philip Roth. Exit Ghost. New York: Houghton Mifflin Books, 2007.

Nathan Zuckerman, de schrijver, trekt na de laatste elf jaar van zijn leven in vrijwel totale afzondering te hebben doorgebracht, ergens in de Berkshires, terug naar de stad, terug naar New York. Hij is oud, en incontinent, en impotent. In de stad wordt hij meteen belaagd door de plagen van het moderne leven: iedereen loopt met een mobiele telefoon, iedereen doet alsof het vreselijk belangrijk is als George W. Bush in 2004 voor de tweede keer de verkiezingen wint, en niemand leest nog een boek. Bovendien wordt hij, de oude, zieke man, verliefd op een jonge vrouw van dertig. En krijgt hij het aan de stok met een ex-vriendje van haar, die de aandacht wil vestigen op een alweer vergeten schrijver van vroeger, iemand die ooit Zuckermans held was. Maar dat vestigen van de aandacht kan alleen door een schandaal uit het leven van die schrijver op te dissen.

Wat is het aandeel van fictie in het leven? Zuckerman wil niet dat de aandacht op zijn lievelingsschrijver wordt gevestigd door 'waargebeurde' schandalen. Tegelijkertijd probeert hij van zijn hopeloze verliefdheid fictie te maken: hij schrijft dialogen met zijn geliefde die nooit echt zijn gevoerd. De vorm van die dialogen is gebaseerd op een verhaal van Tsjechov, ook al weet hij niet meer waar dat verhaal overgaat. Enzovoort.

Er is geen schrijver die beter over het mannelijk lichaam weet te schrijven dan Roth, in dit geval dan vooral het heel oude, het aftakelende mannelijk lichaam. Er rest hem eigenlijk geen manier meer om die aftakeling te overstijgen dan door fictie, dan door in de huid te kruipen van iemand die op hem lijkt, van Nathan Zuckerman. Maar dit is Roths laatste Zuckerman-boek, aan het eind gaat de schrijver dood. Hoe nu verder?

(Eerder schreef ik hier over Portnoy's complaint, American pastoral, Everyman, The dying animal en The plot against America.)

Labels: ,

13.10.07

Michael Gil. How Starbucks Saved My Life . London: Harper Collins, 2007.

Michael Gil is een zoon van een journalist bij de New Yorker en gemaakt voor het succes. Hij heeft dan ook een mooie loopbaan in de reclame, tot hij ineens op straat wordt gezet: te oud voor het vak, en te weinig omhooggeklommen in de loop der jaren. Dan wil zijn vrouw hem niet meer, omdat hij een buitenechtelijke verhouding heeft en een kind, maar zijn vriendin wil hem ook niet meer. Hij glijdt langzaam naar beneden, tot hij op een dag een Starbucks binnenloopt, waar hem een baan wordt aangeboden in een koffietentje in het noorden van Manhattan.

Een nieuwe wereld gaat voor hem open, Michael Gil kan niet ophouden te jubelen over hoe geweldig Starbucks is, hoe goed men er voor zijn medewerkers zorgt, hoe aardig de medewerkers zijn tegen elkaar, en tegen de klanten, hoe aardig de klanten zijn tegen de medewerkers, hoe fijn het is om de vloer te schrobben, en hoeveel hij en iedereen van koffie houdt. Hij schrijft zelfs gedichten voor zijn klanten: Your wonderful smile / When you walk in the door / Helps to make / Our spirits soar. / You make sure to ask / Just how we are / When we see you at the register / Or at the bar. (enz.) Ook dat soort gedichten schijnt iedereen prachtig te vinden.

Er zijn twee problemen met dit boek: die jubeltoon, en het gebrek aan enig journalistiek verlangen bij de auteur. Zelfs als hij zo ongecontroleerd had willen jubelen, was het bijvoorbeeld aardig geweest om wat achtergrondinformatie te geven, om bijvoorbeeld de ongetwijfeld boeiende levensverhalen van zijn mede-'Partners' iets meer te achterhalen en te belichten. Allemaal gemiste kansen; een slecht boek.

Labels: , ,

17.9.07

Michael Chabon. The Yiddish Policemen's Union. London: Fourth Estate, 2007.

"Nine months Landman's been flopping at the Hotel Zamenhof without any of his fellow residents managing to get murdered." Een boek dat zo begint, dat moet ik lezen. Niet alleen vanwege die naam Zamenhof, maar ook vanwege de toon van die zin, en de lichtelijk absurde wending dat de bewoners van dat hotel 'in staat' zouden moeten of willen zijn om vermoord te worden.

Dat viel tegen. Tot mijn verbijstering blijkt het vooral te gaan om een ouderwets soort detective. Nee, echt, ik overdrijf niet met dat woord verbijstering. U had me moeten zien zitten met dat boek in mijn hand en mijn mond open. Je verwacht dat niet, je denkt in het begin dat je je vergist, dat het heel ingewikkelde verhaal op de achtergrond toch nog wel iets meer moet zijn dan een heel ingewikkeld verhaal op de achtergrond: in Alaska is 1948 tijdelijk een veilige haven voor Europese Joden ingericht, waar men Jiddisch spreekt en in Hotel Zamenhof woont, maar die veilige haven zal in 2008 worden opgeheven en het is nu 2007. Dat leek me een interessant verhaal, maar het zicht erop werd me nu ontnomen door de prototypische detective, die gescheiden is en aan de drank.

Er zijn veel kunstzinnige films die ironisch citeren uit oude filmgenres. The Yiddish Policemen's Union leek me daar een literaire tegenhanger van, maar een die bovendien nog een aantal dingen wil zeggen over thema's als 'identiteit'. Voor mij hoeven die stijlcitaten al niet, en zo'n identiteitsverhaal is te zwaar om alleen maar als saus te dienen over zo'n lichte maaltijd.

Labels: ,

9.9.07

Irvin D. Yalom. When Nietzsche Wept, 2005 (1993).

We zijn in Wenen en het eind van de negentiende eeuw is nabij. Friedrich Nietzsche komt op consult bij Jozef Breuer, een van de leermeesters van Sigmund Freud. Nietzsche heeft last van heftige en veelvuldige migraine-aanvallen, maar volgens zijn ex-vriendin Lou Salomé is de grote denker ook depressief en suïcidaal. Hij wil daar zelf echter niets van weten. Daarom moet Breuer hem behalve voor die migraine ook in het geniep behandelen voor zijn geestesproblemen. Hij doet dit door de rollen om te draaien en Nietzsche te vragen hém te behandelen voor 'wanhoop'. Die wanhoop blijkt echter minder gespeeld te zijn, en zo komen de filosoof en de pre-psychoanalyticus in een schaakspel terecht van angst, onuitgesproken gevoelens, eenzaamheid, opgeslotenheid, en ander heftig gevoel.

Bij het einde, als de twee mannen elkaar nog eens diep in de ogen kijken en opbiechten wat ze tot nu toe voor elkaar verzwegen hebben, zwellen de dramatische vioolpartijen wel wat sterk aan. Maar in de bladzijden verbeeldt Irvin Yalom de grote crisis rond het midden van het leven — als je je keuzes gemaakt hebt en eigenlijk niet weet waarom — op een meeslepende manier, en zoeken zijn hoofdpersonen hartstochtelijk naar antwoorden op hun vragen. Zoals dat in een goede roman gaat, worden daarbij een aantal onverenigbare opvattingen naast en tegenover elkaar gezet, zonder dat de schrijver kiest. En krijgen die opvattingen ook nog eens vlees en bloed.

Irvin D. Yalom. When Nietzsche Wept. New York: Perennial, 2005 (1993).

Labels: , ,

14.8.07

Jodi Picoult. The Tenth Circle. London: Hodder, 2006.

Daniel en Laura Stone hebben een vreedzaam gezin: hij is een redelijk succesvol striptekenaar, zij geeft een populair college over Dante. Samen hebben ze een lief dochtertje, dat ze Trixie hebben genoemd, naar Beatrice. Alles is pais en vree, totdat de veertienjarige Trixie huilend thuiskomt om te vertellen dat haar ex-vriendje haar verkracht heeft.

Dat zijn de ingrediënten voor het boek The Tenth Circle van Jodie Picoult, een schrijfster die ieder jaar een spannend boek schrijft naar aanleiding van een actueel thema — haar laatste gaat over een schietpartij op een middelbare school — en die daarmee een zekere populariteit heeft verworven; ook onder mensen om mij heen.

Voor mij draagt het boek te duidelijk de kentekenen van een formule om me mee te slepen: een mix van een actueel probleem (in dit geval de verwilderende zeden der Amerikaanse jeugd), diep menselijke zorgen en zaken waar je wat van kunt opsteken — je leert wat over Dante, over DNA, over het Yupik en over Alaska.

Het is wel knap gedaan, maar doordat het schrijfwerk er zo duidelijk doorheen schemert, raak ik als lezer in ieder geval niet eno rm betrokken. Heel knap worden bijvoorbeeld bepaalde motieven van Dante — wiens Divina Commedia ik toevallig momenteel ook aan het lezen ben — door het boek heen geweven: de gedachte dat de hel bestaat uit je vervulde wensen, en de gedachte dat het in het binnenste van de hel niet heel heet is, maar juist vriest, omdat je er niet meer bewegen kan, want alle beweging komt van De Onbewogen Beweger, bijvoorbeeld. Tegelijk wordt er ook nog een aardige eigen moderne draai aan gegeven: de tiende cirkel van de hel is in de eenentwintigste, zelfpsychologiserende eeuw, gereserveerd voor degene die zichzelf niet kent, die liegt tegen zichzelf.

Tegelijk heb je het idee dat Picoult helemaal niet zo geïnteresseerd is in Dante, dat ze het alleen gelezen heeft als research voor haar eigen boek. Waarom hem er bijgehaald? Alleen omdat boeken die verwijzen naar de klassieken (Da Vinci Code) populair zijn? Of waarom de hoofdstukken afgewisseld met een zogenaamd door Daniel getekend stripverhaal? Ze doet wel haar best om de lezer op allerlei manieren te onderhouden, maar wat wil Jodi Picoult nu eigenlijk zelf?

Labels: ,

28.5.07

Garry Kasparov. How life imitates chess. London: William Heinemann, 2007.

Zijn schakers bijzonder intelligent? Als schaken een denksport is, zou de beste schaker dus ook het best moeten denken. Toch blijken de meeste schakers, ook de allerbesten, helemaal niet zo geschikt voor het leven buiten de vierenzestig velden.

Is Garry Kasparov, volgens de voorkant van het boek 'the most succesful chess player of all time' een uitzondering? Twee jaar geleden gaf hij het schaken eraan om politicus te worden, om Rusland te redden van de 'tyrannie' waarin volgens hem Poetin en de zijnen het land dreigen te storten. Toen kondigde hij dit boek al aan, en hij is ook regelmatig in het nieuws als een van de sleutelfiguren van de oppositie; al is het maar omdat hij af en toe wordt vastgehouden door Poetins politie.

How life imitates chess is een vreemd boek, dat niet weet wat het wil zijn: een autobiografie van Kasparov, een handleiding voor managers (Kasparov heeft regelmatig trainingen gegeven voor managers over hoe schaakstrategiën in het bedrijfsleven zouden kunnen worden geïplementeerd), een boek over schaken, een overzicht van de belangrijkste schakers van de afgelopen honderdvijftig jaar, of een politiek boek. Het is een klein beetje van dat alles, en dat is af en toe verwarrend. Wat wil die Kasparov nu eigenlijk? In het begin vond ik het heel inspirerend, zo'n slim iemand met zo'n gepassioneerd pleidooi om altijd te blijven vechten. Gaandeweg begon ik het een beetje te wantrouwen: wat weet zo'n Kasparov nou eigenlijk van het bedrijfsleven waarover hij soms bladzijden lang praat? En wat is eigenlijk zijn politieke agenda, behalve dat hij Poetin van zijn troon wil stoten? Wil hij daarna soms zelf op die troon gaan zitten?

Maar uiteindelijk maakt het geheel, misschien juist vanwege die rommeligheid, wel een oprechte indruk. Kasparov heeft misschien geen grootse politieke visie, maar hij ziet wel een reëel gevaar, en hij wil zich ervoor inzetten dat gevaar af te wenden. Bovendien meent hij oprecht dat hij uit zijn schaakervaringen iets heeft geleerd over strategie en tactiek, over innovatie en intuïtie, over creativiteit en consolidatie, en vooral, over het leven. Hij is vast geen gemakkelijke man, en vast geen vriendelijke man. Maar hij is oprecht, en hij verdient, vermoedelijk, steun — misschien niet als een toekomstig leider, maar in ieder geval als een belangrijke pilaar onder de huidige oppositie.

Labels: , , , , ,

14.4.07

Frans de Waal. De aap in ons. Waarom we zijn wie we zijn. Amsterdam/Antwerpen: Contact, 2006 (2005).

De aggressieve chimpanzee staat niet het dichtst bij ons van alle primaten; de vredelievende bonobo komt even dicht in de buurt. Bij chimpanzees draaien de sociale structuren om de mannetjes met hun onderlinge machtsgevechten; bij bonobo's gaat het om de vrouwtjes die alles met verzoening en seks oplossen. Wij mensen hebben twee spiegelbeelden, zijn 'bipolaire' apen en kunnen veel over ons zelf leren door naar beide voorouders te kijken.

Dat is de strekking van De aap in ons van de Nederlands-Amerikaanse aapkundige Frans de Waal, van wie ik eerder The ape and the sushimaster las. Ik wilde bijna schrijven dat dit laatste boek op mij veel meer indruk maakte, maar ik lees nu in mijn bespreking van toen dat ik van dat boek ook helemaal niet zo weg was. Gek is dat, ik herinner me het veel positiever.

Laat ik daarom nu maar documenteren dat ik De aap in ons ook niet zo'n geweldig boek vind. Het is een beetje rommelig gestructutreerd, verschillende beweringen komen enkele malen terug, en je hebt het idee dat het kernidee ook wel wat kernachtiger had kunnen worden uitgedrukt: niet in een boek van 250 pagina's, maar van 125 of daaromtrent. Ik vind dat kernidee ook nog eens niet zo sterk. Kennelijk hebben de chimpanzee en de bonobo een gemeenschappelijke voorouder (Pan) en is de homo sapiens eerder afgesplitst. Het is daarmee helemaal niet zo duidelijk dat de mens tussen die andere twee in zou moeten staan, en dat maakt het hele zoeken van vergelijkingen eigenlijk niet veel meer dan een spelletje. Tegelijkertijd neem je die apen daarmee niet zo heel erg serieus, als je hun gedrag alleen maar beschrijft in zoverre het betrekking heeft op de mens.

Er kwam nog een ergernisje bij doordat ik het boek in vertaling las, en die vertaling is heel slecht. Niet alleen doordat de vertaler denkt dat 'liberals' hetzelfde is als 'liberalen', of 'scientists' hetzelfde als 'wetenschappers' (zodat De Waal lijkt te beweren dat hij op een congres van postmodernistische geleerden een van de weinige wetenschappers was), maar ook doordat allerlei voor de Nederlandse lezer overbodige mededelingen over het geboorteland van de auteur, of voor niet-Engelstaligen overbodige toevoegingen zoals dat het woord voor 'tongzoen' verwijst naar Frankrijk, gewoon zijn blijven staan. Het boek maakt daarmee een beetje een achteloze indruk.

Labels: , , ,

1.4.07

Dave Eggers. What is the What. The autobiography of Valentino AchaK Deng. San Francisco: McSweeney's, 2006.

Valentino Achak Deng, de hoofdpersoon van deze roman, bestaat echt. Hij is een van de zogeheten Lost Boys, de kinderen die in de jaren tachtig uit Zuid-Soedan gevlucht zijn, eerst naar Ethiopië, en toen het daar ook niet veilig maar was, naar Kenia. Hij vertelt in dit adembenemende boek hoe dat allemaal is gegaan — hoe een kind van zeven geconfronteerd kan worden met de ergste gruwelen, jarenlang in die gruwelen kan leven, en toch overleefd.

Op een dag vlucht Achak bijvoorbeeld weg uit het Ethiopische vluchtelingenkamp: er is een nieuwe regering gekomen en die wil de Dinka niet meer, het Zuid-Soedanese volk waar het jongetje bij hoort. Samen met drie anderen rent hij door de velden. Dan doemt er een jonge vrouw op, die weliswaar in een Ethiopisch uniform is gekleed, maar de jongens toeroept dat ze hen wil helpen, dat ze een moeder voor hen is. Twee jongetjes lopen naar haar toe. Ze worden neergeknald.

Dat is maar een van de honderden details in het boek. Dat tegelijkertijd dragelijk blijft door de menselijke toon, hoe moet ik het anders zeggen.

Onder dit enorme boek, vijfhonderd bladzijden van rijkdom, lees je bovendien nog een ander, ontroerend verhaal, dat verteld wordt in allerlei stukken die her en der op internet verschenen over dit boek. Het verhaal over hoe Achak, eenmaal in Amerika geland, zijn verhaal wil vertellen. Zijn Engels is echter niet goed genoeg, en dus zoekt hij iemand die hem een beetje kan vertellen. Zo komt hij terecht bij een bestsellerauteur, Dave Eggers. En Die Doet Het! Samen schrijven zij binnen enkele jaren dit boek, waarvan de auteursrechten ten goede komen aan een stichting die Achak steunt, en Zuid-Soedan.

In Soedan is al twintig jaar een grote tragedie aan de gang: een misdadig regime dat zijn weerga niet kent, roeit bijna ongestraft zijn eigen bevolking uit. Tegelijkertijd komen er uit die hel af en toe mensen te voorschijn, echte mensen als Achak. En gelukkig zijn er ook onder de goede schrijvers nog echte mensen als Dave Eggers.

Labels: , , ,

24.3.07

Lee Smolin. The trouble with physics. The rise of string theory, the fall of a science, and what comes next. London: Allen Lane, 2006.

De theoretische natuurkunde is in de loop van de twintigste eeuw het model voor alle andere wetenschappen geworden: geen enkele andere wetenschap is zo diep, zo precies, zo rijk, en staat zo dicht bij de uiteindelijke oplossing. Iedere zichzelf serieus nemende wetenschap heeft methoden van de natuurkunde geleend, of wil zichzelf uiteindelijk tot de natuurkunde reduceren.

Maar de natuurkunde is nog lang niet af, en Lee Smolin is bang dat dit ook nog wel even zal duren. Volgens hem is het vak in de afgelopen dertig jaar niet vooruitgekomen: de grote problemen van toen zijn de grote problemen van nu. Er is eigenlijk niets opgelost, anders dan in de tweehonderd jaar ervoor.

Zelden zijn me zoveel dingen duidelijk geworden uit een boek: hoe de natuurkunde zich in de loop van tweehonderd jaar ontwikkeld heeft, wat de problemen zijn van de snaartheorie, wat voor alternatieven er mogelijk zijn, en vooral, wat er eigenlijk mis is met de natuurkunde en misschien wel met alle wetenschap: er is op de (Amerikaanse) universiteit eigenlijk alleen nog maar ruimte voor mensen die 'normal science' doen — mensen die technisch vaardig zijn, waanzinnig goed kunnen rekenen, zonder dat ze al te origineel hoeven zijn. De snaartheorie houdt die mensen gevangen, en heeft daarmee het hele debat over de fundamenten van de natuurkunde gekaapt. De echte doorbraken zijn daardoor uitgebleven.

Veel mensen die in de academische wereld werken kunnen daarmee waarschijnlijk instemmen: het onderzoek wordt steeds meer aan regels en prestatiecriteria gebonden, en dat levert ongetwijfeld allemaal keurig werk op, maar er is meer nodig dan keurig werk: we hebben doorbraken nodig.

Labels: , ,

10.3.07

Kurt Vonnegut. Slaughterhouse-Five. New York: Random House, 1991 (1969).

Vorige week was ik in New York en zag er een musical (The Lion King) en een opera (Die Zauberflö) die allebei geregisseerd waren door dezelfde poppenspeelster (Julie Taymor). Zij maakte in de musical en de opera gebruik van dezelfde techniek: een poppenspeler komt op met een levensgrote, of soms meer dan levensgrote pop. De poppenspeler staat erachter, je ziet dat hij zijn mond beweegt als de pop iets zegt, je ziet hoe hij de pop manipuleert. En toch maakt die pop een levensechte indruk.

In New York kocht ik ook A Man Without A Country van Kurt Vonnegut. Ik raakte er zo door gecharmeerd dat ik meteen ook zijn bekendste boek kocht, Slaughterhouse-Five.

Eerder had ik dat boek niet gelezen, eigenlijk omdat ik om de een of andere reden dacht dat het een flauwe tegenhanger van Catch-22 zou zijn, van Joseph Heller.

Dat is helemaal niet zo: Vonnegut is veel wanhopiger dan Heller. Vonnegut kan echt geen grap maken waarin je niet de bommen op Dresden hoort vallen. Als Amerikaans soldaat, krijgsgevangen genomen door de Duitsers, heeft hij dat bombardement meegemaakt en als een van de weinigen overleefd. Slaughterhouse-Five gaat op een heel ingewikkelde manier over hoe je zoiets nooit meer te boven komt.

Een van Vonneguts technieken lijkt op Julie Taymor: hij zet een soort karikaturale persoon in, Billy Pilgrim. (Ik denk dat die naam een tegenhanger moet zijn van zijn eigen naam: 'Vonnegut' klinkt natuurlijk nogal Duits, maar wat kan er nu Amerikaanser zijn dan 'Pilgrim'?) Door zijn enigszins verwarde ogen zien we het verhaal maar af en toe laat Vonnegut even weten dat hij er ook nog is: dan vertelt hij dat een andere soldaat in Pilgrims omgeving in paniek raakte, en dat hij dat was, hij, de verteller van het verhaal.

Nog zo'n truuk: elke keer als iemand doodgaat in het verhaal, zegt hij erbij 'So it goes'. Dat is alsof je elke keer een belletje laat rinkelen: je wordt weer attent gemaakt op nog een dode. En doden zijn er veel te veel, in dit verhaal en in het werkelijke leven.

Labels: ,

1.3.07

Kurt Vonnegut. A Man Without A Country. New York: Random House, 2007 (2005).

Van Kurt Vonnegut heb ik nooit wat gelezen, maar afgelopen zomer heb ik eens urenlang met een Griekse vriendin in Amsterdam naar dit boekje gezocht, dus toen ik het deze week in New York in een boekwinkel zag liggen, kon ik er niet aan voorbij lopen.

En wat een elegant boekje is het! Heel vrolijk is de strekking niet — de schrijver legt in iets meer dan honderd bladzijden uit waarom de aarde gedoemd is kapot te gaan, vooral vanwege onze verslaving aan olie en alle natuurrampen die dat voor ons gaat opleveren — maar er is ook tijd voor mijmeringen over vrouwen en muziek: "If I should ever die, God forbid, let this be my epitaph: The Only Proof He Needed For The Existence of God was Music"

Vooral voor zo'n bijzin zou een andere schrijver een moord doen. Vonnegut schudt ze op zijn oude dag uit zijn mouw. Van zo'n schrijver ga ik nog wel meer lezen.

Labels: , ,

11.2.07

Philip Roth. Portnoy's Complaint. New York: Fawcett Crest, 1985 (1969).

Ik ga alle boeken van Philip Roth lezen in mijn leven. Eerder besprak ik hier American pastoral, Everymanl, The dying animal en The plot against Americal. Ik las ook The human stain en Operation Shylock. Later dit jaar komt er naar verluidt weer een nieuwe roman, maar intussen probeer ik af en toe ook in te halen: er zijn al tientallen boeken verschenen die ik nog lezen moet.

Ik ben nu maar met Portnoy's Complaint begonnen, Roths beroemdste. Ik moet toegeven dat ik het vooral als een curiosum las, een vroeg werk waarin je thema's uit zijn latere werk weerspiegeld ziet. Zo wordt er ergens melding gemaakt van een zeer succesvolle oom die door de buurt als onjoods succesvol werd gezien — een thema in American pastoral. En ergens wordt terloops melding gemaakt van een Afro-jewish kapsel — iets wat in The human stain van groot belang wordt.

Als het boek op zichzelf had gestaan, als ik al niet een verklaard bewonderaar van Roth was geweest, had ik het misschien niet zo snel uitgelezen. Het is zo, hoe zal ik het zeggen, het is zo puberaal zoals de jaren zestig puberaal waren: een man van 33 die zich nog met zoveel woede afzet tegen zijn ouders. Wat mooi is aan de latere boeken van Roth, vind ik, is de totale compassie met andere mensen; die compassie ontbreekt hier. We zien het hele verhaal vanuit een egomane persoon.

Toch zet het verhaal ook wel aan het denken. Je leest weleens dat de problemen die sommige jonge immigranten in de Nederlandse samenleving hebben, vooral voortkomen uit het feit dat ze zien dat hun goedwillende hardwerkende vaders totaal geen respect krijgen in de samenleving, en misschien ook wel geen respect verdienen. Daarover gaat Portnoy's Complaint óók — het geeft misschien wel een uniek inkijkje in een dergelijke toestand.

Labels: ,

7.1.07

Katherine Kressmann Taylor. Adres onbekend. Amsterdam : Ambo/Anthos, 2005 (Address unknown, 1938).

'Dit moet je ook lezen', zei M. nadat ze dit kleine boekje zelf bijna in één adem had uitgelezen. Tegen haar gewoonte in was ze zelfs niet na een of twee bladzijden ingeslapen. En inderdaad is het een hartverscheurend verhaal van twee vrienden die samen een kunsthandel hebben. Aan het begin van de jaren dertig gaat een van hen, een Duitser, terug naar zijn vaderland. De ander, een jood, blijft in Californië. Ze schrijven elkaar, en de brieven vormen het boekje: de Duitser rapporteert over wat er in zijn vaderland gebeurt, en het duurt niet lang tot hij bekeerd is tot verering voor zijn Glorieuze Leider. De ander ziet zijn vriend met verbijstering van hem wegdrijven, en dan gebeurt er iets vreselijks: een nicht van de joodse vriend wil met alle geweld naar Duitsland, raakt in ernstige moeilijkheden, vlucht naar het huis van de Duitse vriend. Die weigert haar op te nemen, en dat moet ze met de dood bekopen. De andere vriend neemt dan wraak door enorm lieve en vriendelijke brieven naar zijn vriend te sturen — die vriendschap zal de vriend uiteindelijk zwaar opbreken.

Het verhaal verscheurt door de eenvoud en subtiliteit — maar ook een beetje door het succes dat het indertijd in Amerika had, en dat dus laat zien hoeveel in ieder geval het Amerikaanse lezende publiek toen al kon weten over wat er gaande was.

Labels: ,

4.1.07

Daniel Gilbert. Stumbling on happiness. London: HarperPresss, 2006.

"Fantastic", roept Steve Levitt uit op het omslag van dit boek. En: "Ceaselessly entertaining". Levitt is een van de auteurs van Freakonomics, een boek dat ik niet zo lang geleden las, en niet tot mijn verdriet. Toch heeft die flaptekst aantoonbaar geen effect gehad op mijn koopgedrag: toen ik Stumbling on happiness aanschafte, kon ik die woorden niet eens lezen, want het omslag was een klein plaatje op Amazon. Eigenlijk heb ik dit boek alleen gekocht omdat de internetboekhandel een voordelige package deal aanbood met het boek The Happiness Hypothesis van Jonathan Haidt.

Het heeft enige tijd geduurd voordat ik het boek begon te lezen, en daar waren twee redenen voor, die allebei achteraf onzinnig zijn. De eerste reden was dat ik net het boek van Haidt gelezen had, en bang was dat dit iets soortgelijks zou zijn. Stumbling on happiness gaat maar ten dele over het geluk. Het gaat vooral over iets anders: over hoe onze hersenen ons de hele tijd bedriegen, zodat we nauwelijks kunnen voorspellen wat ons precies gelukkig of ongelukkig zal maken, of wat ons in het verleden gelukkig of ongelukkig heeft gemaakt. Hij heeft spectaculaire kleine voorbeelden: stel je voor dat je morgenavond spaghetti zou eten, zou je dat dan lekker vinden? Het rare is dat ieder mens zich bij die vraag meteen een concreet bord met spaghetti begint voor te stellen, inclusief een bepaald soort saus en ook een setting waarin die spaghetti gegeten wordt. Het antwoord op de vraag of je dat lekker zou vinden, is afhankelijk van allerlei van dat soort details, maar dat besef je eigenlijk niet eens als je daarover nadenkt.

Een grappig verschil tussen de twee boeken: uit wat Haidt schrijft kun je concluderen dat het je genen zijn die je ongelukkig maken, omdat ze je bijvoorbeeld kinderen laten krijgen. Voor Gilbert zijn het de maatschappij en de economie die ons dat soort ideeën opdringen: een samenleving waarin dat idee niet wordt overgedragen, heft zichzelf op. Beide auteurs gebruiken het idee van de evolutie, maar voor Haidt zijn het de kleine genen en voor Gilbert de grote economie die de mens tegen zijn eigenbelang in laten rennen.

De tweede reden was dat ik een paar kleine stukjes in Gilberts boek gelezen had en dacht dat het té luidruchtig grappig zou zijn. Dat is niet het geval. Wel maakt Gilbert allemaal grapjes waar ik niet echt om hoef te lachen, maar alles bij elkaar spat er toch vooral het plezier vanaf om te mogen schrijven: "My friends tell me that I have a tendency to point out problems without offering solutions, but they never tell me what I should do about it."

Labels: , ,

16.11.06

Bill Buford. Heat. An Amateur's Adventures as Kitchen Slave, Line Cook, Pasta-Maker, [...]. New York: Alfred A. Knopf, 2006.

Bill Buford was een succesvolle schrijver en journalist, maar hij wilde leren koken. Daarom meldde hij zich eerst aan bij de keuken van de gevierde chefkok Mario Batali in New York en later bij de al even gevierde Toscaanse slager Dario Cecchini. Aan het eind van het boek zegt Batali tegen hem dat hij wel een eigen restaurant zou kunnen beginnen — maar toch is Buford kennelijk weer gaan schrijven.

Hoe gaat het eraan toe in een professionele keuken? Hoe leven mensen die leven voor het lekkere eten? Dat zijn mooie onderwerpen om over te schrijven, en Buford, die voor de New Yorker werkt, weet ook heus wel hoe hij een boek moet vullen.

Toch viel Heat me alles bij elkaar een beetje tegen. Er zit wat weinig structuur in: de ervaringen in de keuken en de slagerij en de biografieën van de chefkok en de slager worden op elkaar gestapeld. En je voelt wat weinig van de passie die al die keukenslaven drijft. Het komt allemaal misschien doordat Buford zichzelf wel erg buiten beeld houdt: hij vertelt wel wat over zijn ervaringen in de pastakeuken, hij verhaalt wel over hoe hij zelf een varken helemaal uit elkaar sleutelt, en af en toe krijg je ook wel even zijn vrouw te zien; maar waarom iemand nu precies van schrijver tot kok wil worden en wat er nu precies zo aantrekkelijk is aan een goedgemaakte maaltijd, daar had hij wel wat meer over mogen vertellen.

Labels: , ,

17.10.06

Steven Levitt and Stephen Dubner. Freakonomics. A Rogue Economist Explores the Hidden Side of Everything. New York: Harper Torch, 2005 (2006)

Volgens Steven D. Levitt wordt de economische wetenschap vooral gekenmerkt door een verzameling methoden, en verder door aandacht voor een specifiek onderwerp: prikkelingen. Maar prikkelingen zijn niet per se financieel, en dus kun je die economische methoden van zeer geavanceerde statistiek over grote verzamelingen gegevens ook op andere onderwerpen toepassen. En zo kun je bewijzen dat leraren in Chicago of sumo-worstelaars in Japan af en toe frauderen: er duiken eigenaardigheden op in de testscores van hun leerlingen of hun winst-verlieskansen in bepaalde wedstrijden die niet anders te begrijpen zijn.

Ik weet maar weinig van economie, en dit boekje geeft wel een aardige inleiding in een bepaalde manier van denken. Afgezien van de afgrijselijke titel is het ook goed geschreven. Duidelijk. Niet te traag en niet te snel. Vlot zonder ontsierd te worden door al te opzichtige Amerikaanse humor.

Wel heeft de structuur een enkele keer de inhoud weggeduwd. Volgens de flaptekst — en iets soortgelijks wordt ook in het boek zelf beweerd — begint Levitt gewoonlijk "with a mountain of data and a simple, unasked question". Maar vervolgens wordt de lezer geacht te geloven dat een zo'n vraag is 'What do school teachers and sumo wrestlers have in common?' Het antwoord is dus dat ze beide bedrog plegen; maar dat iemand met precies deze vraag zijn onderzoek begint, dat is wel heel onwaarschijnlijk. Het lijkt toch meer een vraag die achteraf de resultaten aardig kan samenvatten in een afgerond hoofdstukje.

Labels: , ,

4.10.06

Ian Buruma. Murder in Amsterdam. The death of Theo van Gogh and the limits of tolerance. London: Atlantic Books, 2006.

Ian Buruma is een bekende Engels-Amerikaanse essayist, maar ook een Nederlander. Zo iemand moest wel een boek schrijven over Nederland in de verwarrende periode. Iemand die er van een afstandje maar met een heleboel achtergrondkennis naar kijkt, iemand die de Nederlandse volksaard wel kent, maar er ook weer niet zo dicht bovenop zit dat hij overal bij betrokken is. Lang leve Ian Buruma, dus, dat hij 'zijn verantwoordelijkheid genomen heeft'.

Maar wat een teleurstellend resultaat. Buruma heeft een jaar in zijn vaderland geleefd en daar met de gebruikelijke mensen gesproken — Geert Wilders, Theo Holleman, Ahmed Aboutaleb — en komt eigenlijk ook niet veel verder dan wat algemene observaties. Een enkele keer probeert hij wel wat dieper te graven, maar dat overtuigt mij eigenlijk niet. Zo schrijft hij dat schuldgevoelens over wat er in de oorlog gebeurd is aan beide kanten een belangrijke rol speelden. Nu geeft hij daar ook enkele bizarre voorbeelden van — joden en NSB'ers als één scheldwoord gebruikt — maar het verklaart niet waarom het zestig jaar na dato ineens tot allerlei uitbarstingen zou komen.

Het soort verklaring dat ik eigenlijk nog nooit gelezen heb, is dat van de verveling. Ik begrijp wel dat het cynisch klinkt: de opkomst van een extreem-rechtse politicus, twee moorden, zeer verhitte debatten allerwege — en dat alles omdat men niets anders omhanden had? Natuurlijk waren er ook andere factoren — vooral van onbehagen, over 11 september, over de paarse kabinetten, over de immigratie. Maar ik zou geloof ik wel durven beweren dat al dat onbehagen in Nederland eigenlijk nog niet eens zo groot was, maar dat het zich in eerste instantie rond Pim Fortuyn kristalliseerde, omdat je je bij die man tenminste niet hoefde te vervelen, net zo min als bij Theo van Gogh. En dat in ieder geval jongens als Mohammed Bouyeri zich ook in de islam verdiepten om iets te doen te hebben. De jaren negentig waren voor veel mensen misschien wel wat saai, alles ging zo goed, iedereen was het in grote lijnen met elkaar eens. Wat je over de afgelopen jaren ook kunt zeggen, saai waren ze in ieder geval niet, voor Nederlandse begrippen.

Labels: , ,

15.9.06

Jonathan Haidt. The Happiness Hypothesis. Putting Ancient Wisdom to the Test of Modern Science. London: William Heineman, 2006.

Hoe moet je leven? Het antwoord op die vraag kan in onze wetenschappelijke tijd natuurlijk alleen komen van de wetenschap. Jonathan Haidt is een onderzoeker naar 'moraal' en 'moraliteit'. In dit boek zet hij uiteen wat er volgens de klassieke filosofen en volgens de moderne wetenschap nodig is: balans. Balans tussen de bewuste ratio bijvoorbeeld en het hele grote brok van onbewuste verlangens en gevoelens en gedachten dat eronder zit - het deel dat niet in de eerste plaats geluk op het oog heeft, maar overleven, het deel dat ons daarom laat streven naar materieel geluk waarmee we anderen de ogen kunnen uitsteken in plaats van naar vriendschap waar we zelf gelukkiger van kunnen worden.

Haidt zegt dat we van alles een beetje moeten proberen te nemen. Buddha had wel een beetje gelijk dat je je aan zo min mogelijk dingen moest hechten, maar hij sloeg door toen hij stelde dat je je nérgens aan mocht hechten: banden met vrienden zijn juist heel belangrijk.

De metafoor van de 'egoïstische genen' krijgt zo een nieuwe dimensie: de genen zorgen voor allerlei soorten gedrag waar zij misschien baat bij hebben, maar wij niet. De genen hebben er niets aan als wij gelukkig zijn: dood aan onze genen!

Een mooi boek. Nuchter en toch inspirerend: in balans.

Labels: , ,

19.8.06

Philip Roth. American pastoral. New York: Vintage Books, 1998 (1997).

Nadat ik The Human Stain las, ben ik Philip Roth blijven volgen om te zien of hij nóg zo'n ijzersterk boek zou schrijven. Hoewel al die volgende boeken goed waren, soms heel goed zelfs, vond ik er niet dezelfde kracht in terug. Maar nu ben ik in het verleden gedoken: The Human Stain maakt deel uit van een trilogie waarvan American Pastoral het eerste deel is. En American Pastoral heeft me verpletterd.

Een jonge sportieve man wordt door zijn vrienden De Zweed genoemd, omdat hij blond en knap is. Hij is succesvol in alle sporten, hij trouwt met Miss New Jersey en hij neemt de handschoenmakerij van zijn vader over. Zijn hele leven is een succes, denkt de schrijver Nathan Zuckerman, die in zijn jeugd bevriend was met de jongere broer van De Zweed. Totdat Nathan erachter komt dat dit succesvolle leven getekend is geweest door een groot drama: in 1968 heeft de 16-jarige dochter van De Zweed uit 'protest tegen de oorlog in Vietnam' het lokale postkantoortje in het gehucht waar ze wonen opgeblazen, met een dode tot gevolg.

De rest van het boek is een poging van Zuckerman om het innerlijke leven van De Zweed in die turbulente jaren te reconstrueren. Dat geeft een hartverscheurend resultaat, met enkele prachtig uitgewerkte personages: de goede Zweed met zijn vrouw die ook al het beste voorheeft met iedereen, en hun onbegrijpelijke, waanzinnige dochter. Hoe heeft het zover kunnen komen? Er worden honderden redenen voor gegeven, en geen ervan is voldoende. Er heeft een tragedie plaatsgevonden waar niemand schuld aan heeft. Het komt nooit meer goed met het leven.

(Eerder heb ik hier geschreven over The Dying Animal, The Plot Against America en Everyman.)

Labels: ,

11.8.06

Lisa Randall. Warped Passages. Unravelling the Universe's Hidden Dimensions. London: Penguin, 2006 (2005).

Lisa Randall is kennelijk een van de belangrijkste theoretisch natuurkundigen van dit moment: tussen 1999 en 2004 werd ze door haar collega's meer geciteerd dan welke andere natuurkundige ook. In 2005 publiceerde ze dit populair-wetenschappelijke boek en ook daarvan was de ontvangst niet mis: 'Mind-bending reading... engaging and remarkably clear' meende bijvoorbeeld The New York Times, die Warped Passages dan ook nog eens uitriep tot een van de 100 boeken van het vorige jaar.

En ik vind er maar weinig aan, ik ben bang dat ik het zelfs een nogal slecht boek vind.

Het begint ermee dat Randall zich de hele tijd voor haar onderwerp lijkt te verontschuldigen. Kennelijk is een van haar interesses die van de meer-dimensionele ruimte — de werkelijkheid bestaat uit meer dan drie ruimtedimensies — maar het voornaamste wat je daarover te horen krijgt is vooral hoofdstukken lang dat het wel een heel raar idee is. Waaróm je dan geïnteresseerd zou moeten zijn in dat rare idee, blijkt pas helemaal aan het eind van het boek.

Bovendien wordt een en ander opgedirkt met dingen die ík in ieder geval niet leuk vind - hele rare, slecht vertelde verhalen over een zekere Athina en een zekere Ike, en elk hoofdstuk begint met een citaat uit de popmuziek van de jaren tachtig dat zo nietszeggend mogelijk gekozen lijkt te zijn: 'La / La la la la / La la la la / La la la la la la la la la - Simple Minds', ik verzin het niet. En dan tot slot: Randall krijgt er geen genoeg van de lezer de hele tijd aan te sporen dat ze het huidige hoofdstuk ook mag overslaan. Wat ik uiteindelijk af en toe ook maar ben gaan doen: als ik het kennelijk niet voor het plezier hoef te lezen, dan maar niet. Bovendien had ik veel van het hier opgediste ook al een keer gelezen, en veel beter, bij Brian Greene - een ex-klasgenootje van Randall trouwens, dat is dan wel weer een aardig weetje.

Hoe kan het nu dat ik het zo oneens ben met The New York Times? Je bent natuurlijk geneigd te denken dat het een soort snobisme is om zo'n boek van zo'n knappe geleerde automatisch goed en duidelijk te vinden; hetzelfde effect doet zich volgens mij ook voor bij Stephen Hawking. Maar het is natuurlijk net zo goed mogelijk dat ik nu eenmaal niet bij deze schrijfster pas, dat ze te Amerikaans voor me is, of dat ze andere dingen wil uitleggen dan ik wil horen, wie zal het zeggen.

Labels: , ,

9.6.06

Philip Roth. Everyman. Londen: John Cape, 2006.

"Here, where men sit and hear each other groan; / Where palsy shakes a few, sad, last grey hairs; / Where youth grows pale, and spectre-thin, and dies; / Where but to think is to be full of sorrow ...' Wie zo'n sterk citaat van John Keats als motto van zijn boek durft te gebruiken, moet wel durven, als hij daarna ook nog een heel boek wil schrijven over oude lichamen. Want dat is Everyman: een boek over een oud lichaam, dat uit elkaar valt, dat misschien nog verlangt, dat toebehoort aan een man die in zijn leven enkele onvergeeflijke fouten heeft gemaakt -- tweemaal een vrouw met kinderen achter heeft gelaten -- en dat dan ook nog als een machine, als een lichaam, zonder het echt te willen. Een enorm melancholisch klein boek, ik heb eigenlijk zelden een boek gelezen dat zo duidelijk de ellende uiteenzet van het feit dat de mens, iedere mens, uiteindelijk een lichaam is dat sterft. Met een prachtig slot, een conversatie met een grafdelver die nauwgezet uiteenzet hoe hij dat eigenlijk doet, een graf graven.

(Eerder heb ik hier geschreven over The Dying Animal en The Plot Against America.)

Labels: ,

29.1.06

Jared Diamond. Collapse. How societies choose to fail or succeed. London: Penguin, 2006 (2005).

De samenlevingen van de Paaseilanden, van de Vikingen op Noorwegen en van de Maya's: allemaal zijn ze op een bepaald moment ten onder gegaan. Waarom? Volgens de Amerikaanse hoogleraar Aardrijkskunde Jared Diamond ligt er telkens min of meer hetzelfde pakket oorzaken aan te grondslag, zij het dat de relatieve bijdrage van ieder ingrediënt van keer tot keer kan verschillen: de mensen putten hun natuurlijke bronnen uit, bijvoorbeeld omdat ze dat gewend raken in relatieve gunstige tijden; er ontstaat een grotere of kleinere schommeling in het klimaat; er is onderlinge onenigheid of oorlog met buren; handels- of andere partners vallen weg.

Diamonds boek bestaat allereerst uit een reeks ilustraties van deze 'theorie' uit het verleden; het is natuurlijk maar de vraag in hoeverre dit echt een theorie is, omdat het moeilijk is om te bedenken wat voor factoren er nog meer een rol zouden kunnen spelen, als we er even vanuit gaan dat het onwaarschijnlijk is dat samenlevingen zomaar uit zichzelf in elkaar storten. Het is wel aardig om die verhalen te lezen, maar dat is meer omdat je er iets uit leert over de geschiedenis - ik wist bijvoorbeeld niet dat de Vikingen zichzelf in de eerste plaats als boeren zagen.

Zoiets geldt ook voor het tweede hoofddeel, waarin de huidige samenlevingen van Rwanda, Haiti, China en Australië worden beschreven. Ook daar leer je van alles uit over de ecologische problemen van de huidige tijd, maar om nu te zeggen dat er echt een grote lijn inzit, is volgens mij overdregen.

Diamond schrijft af en toe behoorlijk schools. Het eerste hoofdstuk eindigt nota bene met een overzicht over wat hij van plan is in hoofdstuk 2, 3, enz. te gaan doen. Het laatste deel van het boek - waarin lessen getrokken worden over hoe het nu verder met de wereld, heb ik, vooral om die reden, niet meer helemaal in detail gelezen. We moeten beter op onze aarde passen, en voorzichtig zijn!

Labels: ,

18.9.05

Henry James. The Portrait of a Lady. London: Everyman's Library, 1991.

Bij bevallingen schijnt het hormonaal zo te werken dat de vrouw snel na de geboorte alle pijn vergeten is, en zich alleen nog het geluk herinnert van het kindje dat in haar armen lag. Misschien is datzelfde effect er verantwoordelijk voor dat The Portrait of a Lady van Henry James allerwegen als een belangrijk boek wordt beschouwd. De laatste honderd bladzijden zijn weergaloos mooi, vooral de ruzie die Isabel eindelijk met haar echtgenoot heeft is meesterlijk, net als het gesprek dat ze onmiddellijk daarna met haar schoonzus voert, en waarin deze onthult wat het geheim van die man eigenlijk is -- dat zijn kind van degene is die zogenaamd alleen een vriendin is.

Maar ik vind dat je dan toch eigenlijk niet mag vergeten dat de eerste driehonderd pagina's een enorme worsteling opleveren met een vreselijk opdringerige alwetende verteller -- die steeds weer laten weten dat hij er is, maar het verhaal niet echt op gang weet te krijgen -- en dat ik ook in de tweehonderd pagina's na die eerste nog af en toe even iets anders moest gaan doen om me niet helemaal te vervelen.

Merkwaardig is dat, dit boek zou een meesterwerk zijn als het 250 pagina's zou tellen. Je hebt ook het gevoel dat James gaandeweg pas echt leert schrijven. Dat betekent dan strikt genomen dat ik me meteen op een later boek zou moeten werpen, ik heb de Golden Bowl ook in mijn bezit. Ik ga dat ook nog wel een keer lezen, maar ik geloof dat ik wel eerst even moet bijkomen.

Labels: ,

31.7.05

William Boyd. Armadillo. London: Penguin, 1998.

Een expert op het gebied van 'verliesbeperking' -- iemand die voor een verzekeringsmaatschappij probeert vast te stellen of de geleden schade wel zo hoog is als door de schadelijder is opgegeven -- raakt steeds meer in de problemen omdat iedereen de schuld voor alles op hem afschuift. Een vrouw die hij nog maar net ontmoet heeft, vertelt haar man dat ze al anderhalf jaar lang een gepassioneerde verhouding met hem heeft, zodat ze die man flink jaloers maakt. Zijn werkgever ontslaat hem om een duistere malversatie wit te wassen, enz. Een amusant boek? Als je net als ik kort geleden een ander boek van William Boyd gelezen hebt, Stars and bars, vallen je de overeenkomsten op met dit boek. Een man die een beroep heeft dat taxatie inhoudt (in S&B taxatie van kunstwerken, in dit boek van verliezen voor de verzekering) en die het gevoel heeft dat hij zijn leven op orde heeft, wordt ineens geconfronteerd met allerlei zich opstapelende problemen in zijn privé-leven en op zijn werk. De man in kwestie is in een land waar hij in zekere zin niet thuis hoort (een Brit in Amerika in S&B, een kind van zigeuners in A). In zijn privé-leven zijn er relaties met vrouwen die van elkaars bestaan niet afweten; op het werk blijkt hij van alle kanten bedrogen te worden. Eén probleem is in beide gevallen dat zijn auto onklaar wordt gemaakt (de wielen worden eraf geschroefd of de lak wordt in de brand gestoken). En in allebei de boeken speelt een asociale familie een belangrijke rol -- het eigen gezin in A, het gastgezin in S&B.

Ja, het is toch wel een amusant boek, ik heb me niet verveeld. Maar ik zou niet snel een nieuw boek van Boyd lezen: om ditzelfde verhaal nu binnen een paar maanden nágmaals tot me te nemen, dat lijkt me een beetje veel van het goede.

Labels: ,

30.5.05

William Boyd. Stars and bars. London: Penguin, 1985 (1984).

Op de voorkant van het boek staat het Empire State Building, maar dat klopt niet: slechts een klein deel speelt zich in New York af. Het grootste deel van het verhaal verkeert de Britse hoofdpersoon, Henderson Dores, in het zuiden van Amerika, temidden van allerlei idioten, die hij moet tolereren omdat hij een verzameling impressionistische schilderijen wil veilen voor zijn veilinghuis. Hij verkeert er met de veertienjarige dochter van zijn ex-vrouw, met wie hij nu ook weer wil trouwen, omdat hij beseft dat hij nooit gelukkiger was dan toen hij met haar getrouwd was. Ondertussen heeft hij ook nog een affaire met Irene, die hij eigenlijk mee had willen nemen op reis. Hij werd met de dochter opgescheept omdat hij tegen zijn ex-vrouw had gezegd dat hij naar Washington ging, om een smoes te hebben, en de dochter moest ook net naar Washington, dus die kon hij mooi nemen.

Dit is het soort verwikkelingen waar het boek vol van staat. Waar Jakob Heim in Amerika niets heeft meegemaakt, buitelen hier de gebeurtenissen over elkaar heen. Misschien, misschien gaat het soms wel een beetje te ver. Als de hoofdpersoon aan het eind gehuld in slechts een doorweekt karton door de straten rent, wordt de Britse gene wel erg op de spits gedreven. Maar je verveelt je er geen moment bij.

Labels: ,

9.5.05

Brian Greene. The Fabric of the Cosmos. London: Penguin, 2005 (2004).

"The new Hawking, only better" staat er op gezag van The Times op de cover van dit boek. Dat ben ik dan helemaal met die krant eens, maar dat komt ook wel doordat Hawking een heel slechte schrijver is: geen enkel boek van die man heb ik ooit helemaal uit kunnen lezen, terwijl ik de onderwerpen - hoe zit de ruimte in elkaar, waar komt de tijd vandaan - toch heel interessant vind. Brian Greene is een veel betere schrijver, ik heb het idee dat de natuurkunde die hij beschrijft nog veel geavanceerder is dan die van Hawking, maar ik heb er veel minder moeite mee om te snappen wat hij wil zeggen, sterker nog, ik schiet door zijn boek heen.

Maar nu ik dat allemaal gezegd heb, moet ik er meteen bijvertellen dat ik The Fabric of the Cosmos veel minder goed vond dan Greenes eerste boek, The Elegant Universe dat ik vorig jaar las. Nu kon Greene daar ook moeilijk nog overheen gaan. Dit boek is meer een soort schil die om The Elegant Universe heen gelegd wordt: er wordt meer uitgelegd over de klassieke natuurkunde, de algemene en speciale relativiteitstheorie en de quantummechanica aan de ene kant, daarna worden die snaren uit het eerste boek nog eens snel behandeld, en ten slotte gaat het door naar de moderne tijd. Die oudere natuurkunde, daar heb ik inmiddels geloof ik wel genoeg over gelezen, maar dat deel was toch nog wel onderhoudend. Maar het laatste deel, dat kon me op den duur eigenlijk gestolen worden: het bevat teveel speculaties waarvan ik me best kan voorstellen dat ze iemand die in het vak zit enorm kunnen opwinden, maar waarvan mij de portee een beetje ontgaat. Kom nog maar eens terug als jullie wat preciezer weten hoe het zit, denk ik dan. Greene beschrijft bijvoorbeeld heel veel experimenten die de komende jaren moeten gaan worden uitgevoerd en die als ze dit-of-dat resultaat geven, een bewijs zouden kunnen zijn van de snarentheorie. Maar ja, voor hetzelfde geld leveren die experimenten helemaal niet dit-of-dat resultaat, en dan heb ik dat allemaal mooi voor niks gelezen!

Labels: , ,

28.4.05

Philip Roth. The dying animal. Londen: Vintage, 2002 (2001).

Boeken over relaties tussen oudere intellectuele zestigers en meisjes van in de twintig zijn een kleine wereldwijde trend — neem mij nu, ik heb al boeken over dit onderwerp gelezen van onder andere Krabbé en Coetzee. Ook in The dying animal is het weer raak: een kunstcriticus en docent van 62 krijgt een verhouding met een meisje van 24. Hoewel de man al veel verhoudingen met studentes heeft gehad, raakt hij nu toch in de problemen want hij wordt, jawel, verliefd. Tijdens de eerste 100 bladzijden — van de 160 die het boekje telt — dacht ik: ja, dat thema dat kennen we nog wel. Bovendien kan de verteller die immers ook leraar is nogal uitwijden over al zijn theorieën over de ontwikkeling van de vrouwelijke seksualiteit in de twintigste eeuw en aanverwante thema's. Het is dan ook niet echt een roman: het is een novelle, er is een man aan het woord over het leve en over zijn grote liefde, de jonge, mooie Cubaanse Consuela. Maar in de laatste bladzijden pakt die Roth je toch weer beet, als door een onverwachte ontwikkeling niet alleen de man in zo'n relatie de dying animal blijkt te zijn, maar zelfs zo'n prachtige vrouw mogelijk niet bestand blijkt tegen het altijd maar naderende einde.

Eerder las ik van Roth (o.a.) The plot against America.

Citaat: «The great biological joke on people is that you are intimate before you know anything about the other person. In the initial moment you understand everything. You are drawn to each other's surface initially, but you also intuit the fullest dimension. And the attraction doesn't have to be equivalent: she's attracted to one thing, you to the other. It's surface, it's curiosity, but then, boom, the dimension. It's nice that she is from Cuba, it's nice that her grandmother was this and her grandfather was that, it's nice that I play the piano and own a Kafka manuscript, but all this is merely a detour on the way to getting where we are going.» (p. 15-16; het mooie van dit boek is dat al deze dingen die nu zo onbeduidend lijken, later, als de hele affaire is afgelopen en de geliefden elkaar toch weer ontmoeten ineens wel belangrijk blijken.)

Labels: ,

15.3.05

Bill Bryson. A short history of nearly everything.

Bill Bryson. A short history of nearly everything. London: Black Swan, 2004.

In vijfhonderd pagina's (pocketeditie) beschrijft Bryson de geschiedenis van het universum, van de wereld, van het leven op aarde en van de voorouders van de mens.

Op het omslag staat de volgende aanbeveling:

He never loses sight of his subject's power to astonish; he has a nose for the sort of fact that causes people to open their mouths wide in wonder. Every single page of his book contains three or four utterly bizarre facts... Deserves to sell as many copies as there are protons in the full stop that ends this review (at least 500,000,000,000).'
Craig Brown, Mail on Sunday

Dat slaat de spijker op de kop, niet alleen omdat het beschrijft wat je aan dit boek kunt bewonderen — iemand anders noemt het een bravourestukje, het is het populair-wetenschappelijke boek dat alle andere populair=wetenschappelijke boeken overbodig moet maken &mdash maar ook wat er uiteindelijk zo vermoeiend aan is. Het wetenschappelijke bedrijf is voor Bryson een parade van zeer excentrieke figuren die onder de onmogelijkste omstandigheden de vreemdste ontdekkingen doen. De hele tijd wordt je om de oren geslagen met vreemde feiten. Maar het is een beetje vermoeiend om honderden pagina's lang met je mond open te zitten en ook de humor is een beetje luidruchtig.

Bovendien kom je alle truukjes tegen uit de populair-wetenschappelijk trukendoos, maar dan zo copieus opgediend dat ook dat allemaal te veel wordt: al die grapjes over de verschillen tussen Engelsen en Fransen, al dat droge commentaar op het gebruik van geleerde woorden in geleerde teksten, al die pogingen de hele tijd om heel grote getallen aanschouwelijk te maken -- dat van die protonen in de punt is er een treffend voorbeeld van, 'als alle sterrenstelsels in het universum doperwtjes zouden zijn, kon je er de Royal Albert Hall mee vullen.

Er valt veel te leren uit dit boek, want Bryson heeft ontegenzeggenlijk heel veel populair-wetenschappelijke boeken gelezen (als het doperwtjes waren...) Het valt ook niet te ontkennen dat hij onderhoudend schrijft, maar je moet het niet allemaal achter elkaar lezen. En hierna heb je ook wel behoefte aan weer een wat serieuzer populair-wetenschappelijk boek. (Het vorige boek dat ik van Bryson las was Aantekeningen uit een groot land. Ik was trouwens vergeten dat dit dezelfde schrijver was, tot ik zijn biootje las op de cover.)

Labels: , ,