11.3.10

This blog has moved


This blog is now located at http://marc-las.blogspot.com/.
You will be automatically redirected in 30 seconds, or you may click here.

For feed subscribers, please update your feed subscriptions to
http://marc-las.blogspot.com/feeds/posts/default.

8.3.10

Italo Calvino. If on a Winter's Night a Traveller. Truly-free.org, 2009 (1979).

Italo Calvino. If on a Winter's Night a Traveller.

Als je voor het eerst in je leven een illegaal gedownloaded boek leest, kan dat het best If on a Winter's Night a Traveller van Italo Calvino zijn, dat boek waarin de lezer ondergesneeuwd raakt in de beginfragmenten van allerlei romans van over de hele wereld, en uiteindelijk uit zijn leesstoel opstaat om zelf op onderzoek te gaan, een andere lezer tegenkomt, een lezeres zelfs, en met haar verzeild raakt in een wereld van onbetrouwbare vertalers, wanhopige schrijvers, verbitterde literatuurwetenschappers en censors die stiekem 's avonds op hun computer verboden boeken lezen.

If on a Winter's Night a Traveller is vooral heel erg grappig. Op zeker moment komt de lezer (die de hele tijd met jij wordt aangesproken) in een land waarin revolutionairen en contrarevolutionairen in een wurggreep verzeild zijn geraakt. De vrouw die hem bevrijdt of arresteert legt uit:

I'm an infiltrator, a real revolutionary infiltrated into the ranks of the false revolutionaries. But to avoid being discovered, I have to pretend to be a counterrevolutionary infiltrated among the true revolutionaries. And, in fact, I am, inasmuch as I take orders from the police; but not from the real ones, because I report to the revolutionaries infiltrated among the counterrevolutionary infiltrators."

Verder is Calvino's boek een ode aan het lezen, het onbekommerd in een boek verzeild raken. Calvino werkte zelf bij een uitgever, en hij laat ergens een redacteur uitleggen wat je verliest als je in het boekenvak gaat werken en voor je werk de hele tijd met verhalen moet omgaan als het koopwaar is. Toch legt ook die redacteur nog boeken apart om later, als hij met pensioen is, te gaan lezen.

Maar behalve een ode aan het lezen is het boek ook met zoveel plezier geschreven! Al die verhalen, over de professor die geobsedeerd wordt door rinkelende telefoons. De succesvolle zakenman die in zijn hele huis spiegels heeft geïnstalleerd om eventuele kidnappers te misleiden. En vooral ook het laatste, waarin iemand gaandeweg alles uit zijn eigen wereld wegtovert (de belastingen, maar dan ook maar de brandweer, de kantoren maar dan ook maar de natuur) zodat er uiteindelijk een schimmige wereld overblijft - een verhaal dat een beetje lijkt op The Unnameable van Samuel Beckett, maar dan ongeveer duizend keer verteerbaarder voor mij, want grappig! Alles kan, als je leest en schrijft, dus waarom zou je chagerijnig doen?

Als je het van je e-reader leest, is If on a Winter's Night a Traveller in eerste instantie een beetje ouderwets. De lezer wordt geacht gestoord te worden doordat katernen verkeerd zijn ingenaaid, of hij bladzijden moet opensnijden, maar gaandeweg merk je dat het een verhaal is dat juist ook voor e'-readers bedoeld is. Ik heb inmiddels ongeveer zeshonderd boeken op mijn lezer staan, en via internet de mogelijkheid om er nog vele tienduizenden te downloaden. Wat lees ik in die zee van mogelijkheden? If on a Winter's Night a Traveller.

Labels: , ,

7.3.10

Alfred Döblin. Berlin Alexanderplatz. Frankfurt a.M.: Fischer Verlag, 2009 (1929)

Alfred Doblin. Berlin Alexanderplatz.

Ik ben net Rainer Maria Fassbinder. In een artikel vertelde die filmer, die een 15 uur durende verfilming maakte van de grote roman Berlin Alexanderplatz, dat hij zich de eerste honderd bladzijden van dat boek een beetje verveelde, maar dat hij toen gegrepen werd.

Ik heb dat ook en ik denk te weten waar het door komt. Berlin Alexanderplatz is een litanie, een lange maalstroom van taal, waarin dan weer brokstukken van liedjes of van de bijbel of van de route van een tramlijn opduiken, een tijdje blijven rondzingen, dan verdwijnen om soms later weer terug te komen. Het is een maalstroom waaraan je je moet overgeven, waardoor je je moet laten meevoeren, recht over het verhaal van Franz Biberkopf, die aan het begin van het verhaal (het is dan 1928, een jaar voor de roman zal verschijnen) uit de gevangenis in Tegel komt, waar hij heeft vastgezeten omdat hij zijn vriendin heeft doodgeslagen, en dan eerlijk probeert te blijven in een half crimineel milieu.

Berlin Alexanderplatz ademt de sfeer van veel Duitse (Berlijnse) literatuur uit de jaren twintig en dertig (Tucholsky, Brecht), er stijgt een geur uit op van onrust en lichte misdadigheid, gedoe met vrouwen, en kleding waar de mot inzit. Het eindigt expliciet met een voorspelling: we gaan weer ten oorlog, daar is geen ontkomen aan, en je begrijpt uit dit boek op zijn minst een beetje waarom: omdat de wanhoop zo groot is, dat je net zo goed dan maar oorlog kan voeren, het is allemaal toch al een rommeltje, het kan er nooit slechter op worden.

Maar vooral is er dus de taal, die dikke lage van Berlijns dialect over letterkundig veel verantwoorder taalgebruik heengesmeerd. Ik heb ooit van mijn opa een Nederlandse vertaling geërfd, maar uit de uitgeknipte krantenrecensie die in het boek zat, begreep ik dat de vertaler niets met dat dialect heeft gedaan. Ik weet niet of ik de Nederlandse vertaling dan had kunnen uitlezen. Het mooie aan Berlin Alexanderplatz vond ik juist die veelkleurigheid van taal die het grootse, het overweldigende, het vermorzelende van de grote stad oproept. Als je er een film van zou maken, zou hij minstens 15 uur moeten duren. Misschien moet ik toch eens proberen of ik Fassbinder ergens kan bekijken.

Labels: , ,

1.3.10

Sarah Bakewell. How to Live. A Life of Montaigne in One Question and Twenty Attempts at an Answer. London: Chatto & Windus, 2010.

Sarah Bakewell. How to Live. A Life of Montaigne in One Question and Twenty Attempts at an Answer.

In een bekend citaat uit zijn Essais vertelt de Franse zestiende-eeuwse schrijver Michel de Montaigne hoe hij met zijn kat speelt, en zich dan ineens afvraagt: speel ik met haar, of speelt zij met mij? Soms heeft hij geen zin, en soms probeert hij haar over te halen om te spelen. Maar hetzelfde geldt voor haar.

Ik ben Montaignes essays aan het lezen. het eerste deel heb ik uit en nu ben ik al een tijdje met het tweede bezig. Ik had behoefte aan wat achtergrondinformatie en toen ik in een boekwinkel in Londen een nieuwe biografie van Montaigne zag staan, in de gedaante van een zelfhulpboek, kocht ik het en las het in een weekeinde.

How to Live is meer dan een zelfhulpboek of een biografie. Het beschrijft ook hoe het nageslacht met Montaigne is omgegaan; hoeveel woede hij opwekte bij Pascal en Descartes, die er allebei om uiteenlopende redenen van overtuigd waren dat de mens naar het absolute moest streven — iets waarvoor de gematigde, schipperende schrijver met het oog voor het verschil in standpunt tussen hemzelf en zijn poes absoluut niet voor geschikt was. Hoe hij bewonderd werd door Friedrich Nietzsche en Virginial Woolf. Hoe hij via een vroege vertaling invloed uitoefende op Shakespeare. En hoe nu al eeuwenlang mensen zijn Essais lezen en tot de verbijsterende conclusie komen dat ze dat boek zelf hadden kunnen schrijven.

How to Live is goed geschreven, niet opdringerig en niet kleurloos. Toch doet het je natuurlijk weer verlangen om verder te lezen bij de meester zelf, je verder onder te dompelen in de vreemde ervaring dat we hier een man hebben die onder geheel andere omstandigheden in een geheel andere tijd geboren is, en die je toch zelf had kunnen zijn. Aan het eind van haar boek keert Bakewell toch weer even terug naar de scene met de kat, omdat hij laat zien hoe Montaigne alles in perspectief zag. Ze laat schrijver en poes even spelen en eindigt dan:

The two of them can be left suspended there, suspended in the midst of their lives with the Essays not yet fully written, while we go and get on with ours — with the Essays not yet fully read.

Labels: , , ,

19.2.10

Barend ter Haar. Het Hemels Mandaat. De geschiedenis van het Chinese Keizerrijk. Amsterdam: Amsterdam University Press, 2009.

Barend ter Haar. Het Hemels Mandaat. De geschiedenis van het Chinese Keizerrijk.

Bij de vakgroep Chinees in Leiden hebben ze een traditie van inzichten van wetenschappelijk onderzoek op een gedegen manier voor een breder publiek te vertalen. Bekend waren de inspanningen van W.L. Idema, die eigenhandig een groot deel van de klassieke Chinese literatuur ontsloot. Ook de hoogleraar Chinese geschiedenis Barend ter Haar sluit zich aan bij deze traditie en schreef met Het Hemels Mandaat een wervelende geschiedenis van enkele duizenden jaren Chinees Keizerrijk.

Ter Haars stijl is een beetje droog maar ook heel duidelijk. In ruim vijfhonderd bladzijden stormt de lezer aan zijn hand door allerlei aspecten van de geschiedenis: de opeenvolging van dynastie�n, de veldtochten, de steeds wisselende positie van de vrouw, de letterkunde, de beeldende kunst en nog veel meer..

Een van de verrassendste aspecten van Hemels Mandaat is de aandacht voor de eeuwigdurende mondialisering. Als leek ben je geneigd te veronderstellen dat intensieve international handels- en andere contacten iets van de laatste jaren zijn, en dat je de geschiedenis van een groot rijk als China best zelfstandig kunt beschouwen. Ter Haar laat zien dat dit onzin is, dat er eigenlijk altijd contacten bestaan hebben, al zijn die wel intensiever geworden.

Zo was er omstreeks de tiende eeuw al een joodse gemeenschap in Kaifeng die geld verdienden door de verkoop van 'harige kleden' aan het hof - dat waren waarschijnlijk Perzische tapijten. Tot ver in de achttiende eeuw wist deze gemeenschap vervolgens haar identiteit te bewaren en bijvoorbeeld een synagoge in stand te houden waar als concessie aan de omringende cultuur alleen twee leeuwen in Chinese stijl bij de poort werden gezet. Als de Italiaanse jezu�et Matteo Ricci in 1605 Beijing bezoekt, zoekt een van de joden hem op, omdat hij gehoord heeft dat er een geloofsgenoot in de stad is. En zo zijn er ook altijd her en der contacten geweest met christenen, met moslims en met aanhangers van allerlei andere geloven. Zoals ook al heel vroeg handel werd gedreven met Perzen, Turken, Arabieren en andere barbaren. Zelfs van de Indo-Europeanen zijn woorden geleend toen deze nog door de steppen trokken. Een ander interessant voorbeeld is dat gewassen uit het pas ontdekte Amerika al heel snel werden overgenomen, zodat de pinda bijvoorbeeld inmiddels een belangrijk onderdeel vormt van de traditionele Chinese keuken.

Een andere interessante kwestie die geregeld aan de orde komt, is de rol van geleerden en geleerdheid. Tijdens een belangrijk deel van de geschiedenis gold dat wie vooruit wilde komen in de Chinese wereld een ambtenarenexamen moest afleggen, waarbij onder andere de actieve beheersing van de oude schrijftaal getoetst werd.

Tegelijkertijd werden intellectuelen soms ook als een potentieel gevaar gezien, en bedacht men grootschalige projecten om hun aandacht af te leiden. De Qing-keizer Kangxi begit bijvoorbeeld een groot Karakterwoordenboek van Kangxi en zijn opvolger Qianlong de grote boekenverzameling Complete Boeken van de Vier Schatkamers der Literatuur. Bij de uitvoering van dat project leek overigens ook te horen dat auteurs van onwelgevallige werken werden vervolgd.

De elitaire opleiding voor ambtenaren had in sommige opzichten een gunstig effect voor de hele samenleving. Mensen die niet slaagden voor hun examens, kwamen daarna soms toch in beroepen terecht waarvoor een zekere mate van geletterdheid noodzakelijk was, zoals dat van koopman, herenboer, arts, leraar of schrijver.

Een iets langere versie staat hier.

Labels: , , ,

6.2.10

Steven D. Levitt en Stephen J. Dubner. Superfreakonomics. London: HarperCollins, 2009.

Steven D. Levitt en Stephen J. Dubner. Superfreakonomics

Freakonomics van de econoom Steven Levitt en de schrijver Stephen Dubner was een aanstekelijk boek. Een journalist schreef over de originele onderzoeken van een briljante jonge econoom die van alles en nog wat aanpakt dat op het eerste gezich weinig met economie te maken lijkt te hebben, maar dat toch kan worden opgehelderd door de geavanceerde statistische technieken te gebruiken waar economen aan gewend zijn geraakt.

Superfreakonomics is het vervolg, en het ongewild zien hoe de pretenties van die jonge econoom niet waargemaakt zijn. Er wordt weer van alles aangepakt in dit boek: onderzoek van een socioloog naar hoeren in Chicago, negentiende-eeuws onderzoek waaruit bleek dat veel ziekenhuisdoden konden worden voorkomen als dokters hun handen wassen, en klimatologische onderzoek naar het broeikaseffect. Maar veel eigen onderzoek van Levitt zit er niet bij, en bovendien is veel van het w�l beschreven onderzoek helemaal niet gedaan door economen.

Tamelijk verbazingwekkend is dat de schrijvers weigeren iets over de kredietcrisis te zeggen: dat is het gebied van de macroeconomen, en zij zijn slechts microeconomen. Dat lijkt mij, als leek, onzin. In de eerste plaats, als je wel met oplossingen voor de klimaatverandering durft te komen is het een beetje nuffig om over de macro-economie te zeggen dat dat je vak nu eenmaal niet is. Wie zich als econoom slim genoeg vindt om te begrijpen hoe de klimaatcrisis moet worden opgelost moet ook iets over de kredietcrisis durven zeggen. En in de tweede plaats vind ik het een beetje laf om naar collega's van de overkant te wijzen: die crisis was toch niet (alleen) een gevolg van verkeerd macro-economisch beleid maar ook van het verkeerd uitpakken van allerlei 'incentives', waar Levitt als micro-econoom zo dol op is?

En zelfs in de wel economische hoofdstukken begon me op te vallen hoe groot de crisis van de economische wetenschap moet zijn. Het is reuzeleuk om slim te zijn en datamining te doen en slimme statistiek toe te passen, maar het is nooit eens gebaseerd op een grotere theorie of een overkoepelend model. Een van Levitts helden, de Nobelprijswinnaar Gary Becker heeft �de economische benadering� gedefinieerd als �a method of analysis, not an assumption about particular motivations.� Het probleem daarbij is dat, in ieder geval in mijn visie op wetenschappelijke vooruitgang, eerdere resultaten soms wel degelijk zouden moeten leiden tot 'aannames' over 'bepaalde motivaties': je verwacht immers dat deze in lijn zijn met wat je eerder vindt. Zo bouw je langzaam maar zeker een theorie op die al je eerdere bevindingen samenvat.

Iedere keer opnieuw stap je opnieuw de zee van data in, zonder ooit rekening te houden met wat we eerder wisten. Niets kan weerlegd worden, want alles is op gegevens gebaseerd en stijgt uiteindelijk ook nauwelijks boven die gegevens uit. Waar Freakonomics een vrolijk boek was, stemt Superfreakonomics vooral treurig.

Labels: , , ,

2.2.10

Joseph Conrad. Nostromo. A Tale of the Seaboard. Manybooks.net, 2009 (1904). http://manybooks.net/titles/conradjoetext00nstrm10.html

Joseph Conrad. Nostromo. A Tale of the Seaboard

Joseph Conrad was van het langzaam schrijven en het langzaam lezen. Nostromo is een groots, bewonderenswaardig epos over het politieke gewoel in de stad Sulaco in het imaginaire Latijns-Amerikaanse land Costaguana. Iedere zin van de tienduizenden die het boek telt is prachtig geconstrueerd, alle personen worden heel precies getekend. "A work that aspires, however humbly, to the condition of art should carry its justification in every line," heeft Conrad ooit geschreven, en dat die ambitie heeft hij met Nostromo eer aangedaan.

Het is moeilijk te beschrijven wat het verhaal is - de eerste paar honderd bladzijden is er nauwelijks sprake van een verhaal, maar wordt vooral de geschiedenis van Sulaco en het politieke systeem van Costaguana beschreven. Heel, heel langzaam wordt er ingezoomd op Nostromo, een man van Italiaanse afkomst, van wie duidelijk wordt gemaakt dat hij voor de machthebbers een uiterst betrouwbare kracht is en die uiteindelijk in een moment van grote verwarring vanwege een machtswisseling, de opdracht krijgt het zilver van een groot mijnbedrijf in veiligheid te brengen. Doordat het op zee wemelt van schepen van de tegenstander, lukt het hem alleen maar om dat zilver op een klein nabijliggend nagenoeg onbewoond eilandje te verbergen. Men denkt echter dat het zilver in het water is geraakt toen Nostromo's schip geraakt werd. Nostromo blijkt nu toch niet zo betrouwbaar; als hij het geld zelf probeert te confisceren wordt hij echter doodgeschoten.

Nostromo was geen boek voor mij. Alle kwaliteiten kan ik zien: hoe fraai het Engels is, hoe knap Conrad zijn maatschappij heeft geconstrueerd, enzovoort. Maar afgezien van een enkele passage - Nostromo en de politicus Delcoud alleen op zee, die ontdekken dat er nog een verrader zou kunnen zijn - greep het me nergens echt aan.

Misschien, bedacht ik, is het het totale gebrek aan humor. Ik geloof dat ik weinig boeken echt mooi vind waarin niet op zijn minst bepaalde passages of bepaalde personages grappig zijn. In Romeo and Juliet, dat ik onlangs las, wordt duidelijk de spot gedreven met Romeo die binnen vierentwintig zijn smoorverliefdheid laat overgaan van de een op de ander, en bovendien is er de kwebbelzieke oude bediende van Juliet. Door die humor, is mijn theorie, maak je contact met de schrijver, weet je even zeker dat je begrijpt wat hij bedoelt, en dan komt de eventuele klap ook harder aan. Door de staalharde ernst van iedere punt en komma in Nostromo gaat het in ieder geval langs deze lezer uiteindelijk heen. Het is mooi, en wijs, maar alles op een afstandelijke manier.

Labels: , ,