6.2.10

Steven D. Levitt en Stephen J. Dubner. Superfreakonomics. London: HarperCollins, 2009.

Steven D. Levitt en Stephen J. Dubner. Superfreakonomics

Freakonomics van de econoom Steven Levitt en de schrijver Stephen Dubner was een aanstekelijk boek. Een journalist schreef over de originele onderzoeken van een briljante jonge econoom die van alles en nog wat aanpakt dat op het eerste gezich weinig met economie te maken lijkt te hebben, maar dat toch kan worden opgehelderd door de geavanceerde statistische technieken te gebruiken waar economen aan gewend zijn geraakt.

Superfreakonomics is het vervolg, en het ongewild zien hoe de pretenties van die jonge econoom niet waargemaakt zijn. Er wordt weer van alles aangepakt in dit boek: onderzoek van een socioloog naar hoeren in Chicago, negentiende-eeuws onderzoek waaruit bleek dat veel ziekenhuisdoden konden worden voorkomen als dokters hun handen wassen, en klimatologische onderzoek naar het broeikaseffect. Maar veel eigen onderzoek van Levitt zit er niet bij, en bovendien is veel van het wél beschreven onderzoek helemaal niet gedaan door economen.

Tamelijk verbazingwekkend is dat de schrijvers weigeren iets over de kredietcrisis te zeggen: dat is het gebied van de macroeconomen, en zij zijn slechts microeconomen. Dat lijkt mij, als leek, onzin. In de eerste plaats, als je wel met oplossingen voor de klimaatverandering durft te komen is het een beetje nuffig om over de macro-economie te zeggen dat dat je vak nu eenmaal niet is. Wie zich als econoom slim genoeg vindt om te begrijpen hoe de klimaatcrisis moet worden opgelost moet ook iets over de kredietcrisis durven zeggen. En in de tweede plaats vind ik het een beetje laf om naar collega's van de overkant te wijzen: die crisis was toch niet (alleen) een gevolg van verkeerd macro-economisch beleid maar ook van het verkeerd uitpakken van allerlei 'incentives', waar Levitt als micro-econoom zo dol op is?

En zelfs in de wel economische hoofdstukken begon me op te vallen hoe groot de crisis van de economische wetenschap moet zijn. Het is reuzeleuk om slim te zijn en datamining te doen en slimme statistiek toe te passen, maar het is nooit eens gebaseerd op een grotere theorie of een overkoepelend model. Een van Levitts helden, de Nobelprijswinnaar Gary Becker heeft “de economische benadering” gedefinieerd als “a method of analysis, not an assumption about particular motivations.” Het probleem daarbij is dat, in ieder geval in mijn visie op wetenschappelijke vooruitgang, eerdere resultaten soms wel degelijk zouden moeten leiden tot 'aannames' over 'bepaalde motivaties': je verwacht immers dat deze in lijn zijn met wat je eerder vindt. Zo bouw je langzaam maar zeker een theorie op die al je eerdere bevindingen samenvat.

Iedere keer opnieuw stap je opnieuw de zee van data in, zonder ooit rekening te houden met wat we eerder wisten. Niets kan weerlegd worden, want alles is op gegevens gebaseerd en stijgt uiteindelijk ook nauwelijks boven die gegevens uit. Waar Freakonomics een vrolijk boek was, stemt Superfreakonomics vooral treurig.

Labels: , , ,

2.2.10

Joseph Conrad. Nostromo. A Tale of the Seaboard. Manybooks.net, 2009 (1904). http://manybooks.net/titles/conradjoetext00nstrm10.html

Joseph Conrad. Nostromo. A Tale of the Seaboard

Joseph Conrad was van het langzaam schrijven en het langzaam lezen. Nostromo is een groots, bewonderenswaardig epos over het politieke gewoel in de stad Sulaco in het imaginaire Latijns-Amerikaanse land Costaguana. Iedere zin van de tienduizenden die het boek telt is prachtig geconstrueerd, alle personen worden heel precies getekend. "A work that aspires, however humbly, to the condition of art should carry its justification in every line," heeft Conrad ooit geschreven, en dat die ambitie heeft hij met Nostromo eer aangedaan.

Het is moeilijk te beschrijven wat het verhaal is - de eerste paar honderd bladzijden is er nauwelijks sprake van een verhaal, maar wordt vooral de geschiedenis van Sulaco en het politieke systeem van Costaguana beschreven. Heel, heel langzaam wordt er ingezoomd op Nostromo, een man van Italiaanse afkomst, van wie duidelijk wordt gemaakt dat hij voor de machthebbers een uiterst betrouwbare kracht is en die uiteindelijk in een moment van grote verwarring vanwege een machtswisseling, de opdracht krijgt het zilver van een groot mijnbedrijf in veiligheid te brengen. Doordat het op zee wemelt van schepen van de tegenstander, lukt het hem alleen maar om dat zilver op een klein nabijliggend nagenoeg onbewoond eilandje te verbergen. Men denkt echter dat het zilver in het water is geraakt toen Nostromo's schip geraakt werd. Nostromo blijkt nu toch niet zo betrouwbaar; als hij het geld zelf probeert te confisceren wordt hij echter doodgeschoten.

Nostromo was geen boek voor mij. Alle kwaliteiten kan ik zien: hoe fraai het Engels is, hoe knap Conrad zijn maatschappij heeft geconstrueerd, enzovoort. Maar afgezien van een enkele passage - Nostromo en de politicus Delcoud alleen op zee, die ontdekken dat er nog een verrader zou kunnen zijn - greep het me nergens echt aan.

Misschien, bedacht ik, is het het totale gebrek aan humor. Ik geloof dat ik weinig boeken echt mooi vind waarin niet op zijn minst bepaalde passages of bepaalde personages grappig zijn. In Romeo and Juliet, dat ik onlangs las, wordt duidelijk de spot gedreven met Romeo die binnen vierentwintig zijn smoorverliefdheid laat overgaan van de een op de ander, en bovendien is er de kwebbelzieke oude bediende van Juliet. Door die humor, is mijn theorie, maak je contact met de schrijver, weet je even zeker dat je begrijpt wat hij bedoelt, en dan komt de eventuele klap ook harder aan. Door de staalharde ernst van iedere punt en komma in Nostromo gaat het in ieder geval langs deze lezer uiteindelijk heen. Het is mooi, en wijs, maar alles op een afstandelijke manier.

Labels: , ,

William Shakespeare. Romeo and Juliet. London: BBC, 1978 (1591).

William Shakespeare. Romeo and Juliet

Een paar maanden geleden was ik op bezoek in Verona, waar mijn gastvrouw me onder andere het balkon liet zien waarop Juliet zou hebben gestaan, om daarna uit te leggen dat men in Verona in Italië indertijd helemaal niet op dergelijke balkons stond, maar in plaats daarvan op een trapachtige constructie, die me vervolgens ook werd getoond.

Maar Shakespeare wist waarschijnlijk niets van Verona of op wat voor balkons men daar stond — het juiste balkon is er waarschijnlijk een waarop de Engelse Juliet zal hebben gestaan.

Wat betekent het dat Romeo and Juliet in Verona speelt, zoals ook hoofdpersonen uit Two Gentlemen from Verona and The Taming of the Shrew uit die stad komen? Ik neem aan dat er een bijzondere exotische aantrekkingskracht van die stad uitging. Maar welke? Ik kan er nergens iets over vinden. (Ja, het verhaal van R&J is gebaseerd op een Veronese geschiedenis, maar wat zegt dat?)

Romeo and Juliet is vooral mooi vanwege de retoriek. Alles wat er gebeurt, weet je als volwassen West-Europeaan uit je hoofd, maar de precieze woorden waarmee de hoofdpersonen zich uitdrukken, is steeds weer een verrassing. De merkwaardige liefde - die jongeren die zo plotseling zo verliefd worden en alle competitie vergeten - zou zich voor Shakespeare misschien alleen in Verona kunnen afspelen. Maar ze spreken een prachtig Engels.

Labels: , ,

1.2.10

Willem Frederik Hermans. Nooit meer slapen. Amsterdam: De Bezige Bij, 2008 (1966).

Willem Frederik Hermans. Nooit meer slapen.

Ik ken wel meer mensen die Nooit meer slapen aanbevelen aan beginnende promovendi. Alfred Issendorf, de held van deze moderne Aeneis, heeft zoveel tegenslag dat de moeilijkheden van de gemiddelde taalkundige promovendus welbeschouwd nog wel meevallen. Bovendien kun je je afvragen of veel van die problemen niet welbeschouwd aan Issendorf zelf te wijten zijn. Dat is iets waar je weinig over leest in de Nooit meer slapen-kundige literatuur, maar in het boek vraagt Issendorf zich wel degelijk af of hij niet meer lichamelijk had moeten trainen en de luchtkaarten van het gebied vantevoren thuis had moeten bestuderen, in plaats van op de bonnefooi naar het hoge noorden af te reizen.

Omdat R. het boek nu in vertaling aan het lezen was, heb ik eerst een aantal hoofdstukken Beyond Sleep gelezen, en ben daarna teruggegaan naar het Nederlandse origineel op mijn e-lezer. De Engelse versie blijkt overigens de toon van dat origineel heel goed te vatten, al viel me nu ook iets op dat je toch als een gebrek van Hermans' stijl kunt opvatten: de brokkeligheid, de korte zinnen die in onze literatuur wel voor 'leesbaar' doorgaan, maar die af en toe toch ook wel doen verlangen naar een passage die iets meer durft te meanderen. Merkwaardig is daarbij dat de hoofdpersonen, vooral de mannen die gezamelijk de expeditie ondernemen, zo welbespraakt zijn.

Het was minstens de derde keer dat ik Nooit meer slapen gelezen heb, en ik zal het blijven aanraden, aan promovendi, en aan buitenlanders die de Nederlandse literatuur willen leren kennen. Het is aan de ene kant zo helder als glas, en uiteindelijk ook mysterieus. De schrijver klinkt net zo cerebraal als zijn hoofdpersonen en cirkelt tegelijk om onbeantwoorde vragen heen zoals die over de plaats van de mens in het heelal. Het is niet voor niets dat Wittgenstein met instemming wordt geciteerd - zijn vorm van rationeel zijn over de mystiek is ook kenmerkend voor Nooit meer slapen.

Labels: , ,

24.1.10

Multatuli. Duizend en eenige hoofdstukken over specialiteiten. Gutenberg Project, 2004 (1871). http://www.gutenberg.org/etext/10664

Multatuli. Duizend en eenige hoofdstukken over specialiteiten.

Multatuli, zonder veel competitie de belangrijkste Nederlandstalige schrijver van de negentiende eeuw, kon enorm zeuren. Sommige gedeelten vooral aan het begin van de Specialiteiten zijn behoorlijk langdradig, als hij maar eindeloos blijft herhalen dat echte specialisten, mensen die echt iets weten van binnen en van buiten, natuurlijk nooit in de Tweede Kamer willen, en de mensen die dat wel willen daarmee dus eigenlijk al een brevet van onvermogen geven, en we ook eigenlijk helemaal geen specialisten willen hebben in de Kamer, en ga zo maar door.

Af en toe maakt hij uitstapjes om over allerlei mensen die niet in de Kamer zitten te foeteren, zoals bijvoorbeeld over de taalgeleerden De Vries en Te Winkel die indertijd enkele spellingvereenvoudigingen voorstelden (om bijvoorbeeld geen zoo meer te schrijven, of om schildwacht voortaan als een vrouwelijk woord voor te stellen. Niet dat Multatuli het met die spellingwijzigingen oneens was, maar hij verweet die brave De Vries en Te Winkel als ik het goed begrijp dat ze hun voorstellen zo omzichtig en voorzichtig deden.

Maar gaandeweg komt Multatuli op dreef en verlaat hij de prietpraat om een steeds vlammender en romantischer betoog op te zetten tegen de prietpraat; een wereldbeeld waarin je je niet angstig moet verschuilen achter het kleine vakje van de maatschappij waar jij je zogenaamd op hebt toegelegd en waar niemand je echt kan bekritiseren omdat niemand er zoveel van afweet als jij, maar waarin 'de roeping van de mens [is] mens te zijn', een volledig, naar alle kanten ontwikkeld, volwassen mens, die ergens durft te staan en ook de specialisten durft te beoordelen, in ieder geval waar het gaat om zaken van algemeen belang.

Die moed om een volwaardig mens te durven zijn, was natuurlijk een van Multatuli's grote thema's -- de moed om niemand te volgen, maar op jezelf te durven staan (waarbij het dan weer wel nodig was om Multatuli zelf goed te volgen en te bestuderen, want het wemelt van de verwijzingen naar eigen werk, die je eigenlijk allemaal zou moeten opzoeken).

Onwillekeurig vroeg ik me af in hoeverre Multatuli's onvrede over de Nederlandse samenleving iets kan zeggen over het moderne ongenoegen van veel meer mensen over de samenleving. Er zijn wel overeenkomsten. Ook nu wordt er wel veel gemopperd over de 'elite' die de dienst uitmaakt op basis van een masterdiploma, het moderne brevet van specialiteitendom. En jezelf durven staan staat ook al hoog in het vaandel. Helaas ontbreken er dan wel bij al die mopperaars en zelfverwerkelekers (en ook bij mij en iedereen) twee dingen die Multatuli wel had. Allereerst de originaliteit om dan ook werkelijk een persoon te zijn met oorspronkelijke eigen meningen, hoe irritant die soms ook zijn. En in de tweede plaats een steeds weer verbazingwekkende schrijfstijl.

Labels: , ,

21.1.10

Paul Celan. Verzamelde gedichten. Amsterdam: Meulenhoff, 2003.

Paul Celan. Verzamelde gedichten.

Met een vertaling van Ton Naaijkens.

Dit is het verslag van een mislukking. Paul Celan is een groot dichter die ook in Nederlandgerespecteerde liefhebbers heeft, en door een van hen, de hoogleraar Duits en vertaalwetenschap Ton Naaijkens, in het Nederlands is vertaald. Celans verhaal - dat van een Duitstalige Roemeense Jood die na de oorlog het Duits opnieuw moest uitvinden om een glimp de verschrikkingen op te kunnen schrijven - is indrukwekkend, en zijn Verzamelde gedichten zijn in het Nederlands ongehoord prachtig opgeschreven.

Maar het boek ziet er ook uit als een brok geblakerd beton, en het is me niet gelukt om er doorheen te breken. Ik begrijp niet wat ik als lezer verondersteld wordt te doen met een gedicht als:

Das umhergestossene
Immer-Licht, lehmgelb,
hinter
Planetenhäupten

Erfundene
Blicke, Seh-
narben,
ins Raumschiff gekerbt,
betteln im Erden-
münder.

(Het alle kanten op gestoten
steeds licht, leemgeel,
achter
planetenhoofden.

Bedachte
blikken, kijk-
krassen, diep
in het ruimteschip gekerfd,
bedelen om aard-
monden.)

De Todesfuge is Celans bekendste gedicht, ik heb het leren kennen tijdens de lessen Duits op de middelbare school, en dat heb ik altijd prachtig gevonden. Maar dat gebruikt dan ook poëtische middelen die ik begrijp zonder dat ik precies weet wat de inhoud is, zoals ritme en sterke beelden. Van zulke gedichten heeft Celan er nog wel een paar geschreven, zoals in de enorm indrukwekkende Die Niemandsrose, waarin trouwens ook gedichten zijn die niet zozeer klankrijk zijn alswel begrijpelijk:

Psalm

Niemand knetet uns wieder aus Erde und Lehm
niemand bespricht unsern Staub.
Niemand.

Gelobt seist du, Niemand.
Dir zulieb wollen
wir blühn.
Dir
entgegen.

Ein Nichts
waren wir, sind wir, werden
wir bleiben, blühend:
die Nichts-, die Niemandsrose.

[...]

Maar in veel andere gedichten is de taal zo verbrokkeld, dat ik me geen raad weet. Dat ligt natuurlijk niet aan de dichter, die het trouwens niet raakt wat ik vind, dat ligt aan mij. Zelfs als Celan in een lezing uitlegt waar het om te doen is, snap ik hem niet:

Meine Damen und Herren, es ist heute gang und gäbe, der Dichting ihre 'Dunkelheit' vorzuwerfen. - Erlauben Sie mir, an dieser Stelle unvermittelt - aber hat sich hier nicht jäh etwas aufgetan? -, erlauben Sie mir, hier ein Wort vond Pascal zu zitieren, ein Wort, das ich vor einiger Zeit be Leo Schestow gelesen habe: 'Ne nous reprochez pas le manque de clarté puisque nous en faisons profession!' - Das ist, glaube ich, wenn nicht die kongenitale, so doch wohl die Dichtung um einer Begegnung willen aus einer - vielleicht selbstentworfenenn - Ferne oder Fremde zugeordnete Dunkelheit.

Paul Celan had een zwartgeblakerde geest, waarom zou hij zich helder moeten uitdrukken? Wat hij wilde zeggen kon waarschijnlijk niet eens helder uitgedrukt worden. Ik heb zijn pogingen gelezen, maar ik weet nu niet wat ik met deze grote sintel moet. Dit is het verslag van een mislukking, een mislukking die ik niet had willen missen.

Labels: ,

18.1.10

Frans Kafka. Brief an den Vater. DigBib.org, ? (1952).

Frans Kafka. Brief an den Vater. Volgens de Duitse Wikipedia-pagina over dit boek, is Kafkas Brief an den Vater 'ein bevorzugter Text für psychoanalytische und biographische Studien über Kafka'. Dat nu lijkt me onzin. Althans, ik geloof wel dat het er mensen zijn die uit deze tekst allerlei raadselen over Kafkas romans en verhalen willen ophelderen, maar die mensen hebben het dan volgens mij bij het verkeerde eind.

Op het eerste gezicht denk je: wat een huilebalk. Want zo stelt de jonge Kafka zich wel een beetje voor: de man van 36 die zich nog steeds niet aan het spookbeeld van zijn vader heeft ontworsteld, die geobsedeerd is door die vader, die een brief schrijft die hij die vader niet eens durft te laten zien, waarin hij zich ook nog eens de mantel laat uitvegen door die eigen vader, want hij zit maar te denken wat die vader eigenlijk zal zeggen, en vinden, en hoe waar dat is, maar ook hoe hard. Een zoon die zijn eigen spookvader maakt en daar dan bang voor is.

Maar dan besef je ineens dat dit wel degelijk iets te maken heeft met die romans en die verhalen. Ook over Het Proces vond ik, toen ik het een aantal jaar geleden las: ' als Jozef K. niet zou meedoen, zou niemand hem een strobreed in de weg leggen (...) Het is Jozefs eigen schuldgevoel dat hem uiteindelijk in het mes van de 'rechtbank' laat lopen.'

Toch lijkt het me onzin om Het Proces te verklaren uit deze Brief. Dat suggereert teveel dat de laatste waarder is dan de eerster, op de een of andere manier meer zegt over de echte Kafka dan de eerste. Terwijl deze brief ook eigenlijk vooral verzonnen is: die vader, die is bijna net zo'n bedacht personage als de rechters in Het Proces
— Kafka voert hem immers zelfs sprekend op, met woorden die hij nooit gezegd kan hebben, omdat ze immers een reactie zijn op een brief die de echte vader nooit ontving. Dit is een ontroerend ego-document, jazeker, maar toch vooral omdat Kafka iemand was die kennelijk altijd en overal zijn eigen rechtbank ontwierp die hem dan vervolgens ter dood veroordeelde. Wat een man.

Labels: , , , ,