Taal zonder geschiedenis De morfologische verschijnselen die Aronoff bestudeert, kunnen gezien worden als een soort relict van de geschiedenis. Een eenvoudig voorbeeld is in dit verband het verschil tussen regelmatige en onregelmatige werkwoorden in de Germaanse talen. Van de regelmatige werkwoorden wordt de verleden tijd gevormd door middel van een achtervoegsel (-de of -te): wandel - wandel-de, rook - rook-te. Daarnaast hebben we onregelmatige werkwoorden, waarvan de verleden tijd gevormd wordt door middel van een klinkerwisseling: loop - liep, lig - lag. Elk van die twee systemen kan op zich misschien begrepen worden in puur fonologische termen, maar de keuze voor elk systeem niet. Het is een morfologische toevalligheid dat het ene werkwoord regelmatig is en het andere onregelmatig. En bij de onregelmatige werkwoorden lijken de precieze klinkerwisselingen in het paradigma ook toevallig gekozen. Dit soort dingen moet je uit je hoofd leren als je een taal leert.

De oorzaak voor deze complicatie is volgens de meeste geleerden historisch. Het Nederlands stamt af van een taal waarin die klinkerwisselingen de enige manier waren om verleden tijden te vormen. De regelmatige werkwoorden, met hun uitgangen, zijn een latere ontwikkeling. Op de een of andere manier heeft dit nieuwe systeem bepaalde werkwoorden nooit kunnen aantasten. Er is wel aangetoond dat, omgekeerd, sommige werkwoorden nog steeds onregelmatig kunnen worden. We hebben daardoor in dezelfde taal soms twee vervoegingen naast elkaar.

Voor het Latijnse voorbeeld geldt een soortgelijke verklaring: de verschillende paradigma's correspondeerden oorspronkelijk misschien met welgedefinieerde syntactische, fonologische en/of semantische klassen: vrouwelijk woorden in deze klasse, woorden die eindigen op deze of gene klank in die klasse. Langzamerhand werd dit beeld echter steeds troebeler, totdat de verbuigingsklassen geheel gemorfologiseerd werden.

Zo heeft elke taal zijn eigenaardigheden, die enigszins de blik op de Universele Grammatica vertroebelen. Wie een aantal talen bestudeerd heeft, ontsnapt niet aan de conclusie dat een lange geschiedenis van een taal vrijwel automatisch een grotere of kleinere component van bijzondere morfologie impliceert. We hebben daarom een taal zonder zo'n lange geschiedenis nodig om de Universele Grammatica in zijn helderste vorm te kunnen zien.

Nu zouden we aan het werk kunnen gaan en zelf zo'n taal ontwerpen, maar eerlijk gezegd lijkt me dat een ontmoedigende hoeveelheid werk. Het is gemakkelijker om een al bestaande taal te nemen die een niet al te lange geschiedenis achter zich heeft. Zogenoemde pidgin- en creooltalen zijn voorbeelden van dergelijke talen, al valt bij dergelijke talen de oorsprong uiteindelijk toch voor een belangrijk gedeelte buiten ons blikveld.

Nog beter is het daarom misschien om een geconstrueerde taal te nemen: het Esperanto is daar het bekendste voorbeeld van, al zijn er ook tientallen alternatieven voorhanden (in geschatte volgorde naar het aantal sprekers: Interlingua, Ido, Glosa). Sommige van die alternatieven zijn vrij letterlijk te zien als varianten van natuurlijke talen, met het wegsnijden van bijzondere morfologie. Het Latino sine flexione dat aan het begin van deze eeuw werd voorgesteld door de Italiaanse wiskundige Peano is, zoals de naam al zegt, een voorbeeld van een dergelijk systeem: we nemen het Latijn maar halen alle overbodige bijzondere morfologie weg. Peano ging daarbij zelfs nog iets verder dan ik hierboven suggereerde, en kapte het hele naamvalssysteem weg, niet alleen de klassen. Of dat zinnig was, valt moeilijk te zeggen: naamvallen hebben immers behalve voor- ook nadelen. Ook het Basic English is in ieder geval gedeeltelijk op de gedachte gebaseerd dat we historische ballast overboord moeten gooien: het Engels moet de internationale taal worden, maar om dit te vergemakkelijken, moet de overbodige franje worden weggehaald.

Deze alternatieven hebben echter als nadeel dat ze nauwelijks als taal functioneren. Het Esperanto beschikt in mindere of meerdere mate over alle middelen waarover een taal beschikken kan, inclusief moedertaalsprekers, en een selecte groep sprekers die de taal vrijwel elke dag een belangrijk deel van de dag gebruiken.

Inderdaad heeft het Esperanto geen noemenswaardige bijzondere morfologie. De verbuigingen en vervoegingen zijn bijvoorbeeld zoals dat heet volstrekt regelmatig. L.L. Zamenhof zelf, de ontwerper van het Esperanto, heeft erop gewezen dat iets dergelijks overigens geen verbazing hoeft te wekken in een taal die door een persoon bedacht is:

Dit is een volstrekt natuurlijke zaak, de grammatica van een kunsttaal zou zelfs niet anders kunnen zijn, en was ze anders, dan was dat geen 'gebrek aan genie', maar gewoonweg waanzin. Als iemand een kanaal tussen twee plaatsen graaft, kunnen we het dan als een verdienste beschouwen, als hij dit kanaal recht graaft en niet zo gekromd en onregelmatig als alle natuurlijke rivieren? [...] Want wie haalt het in zijn hoofd om een paar declinaties in te voeren, als hij met één kan volstaan? [...]9

Wie een taal maakt, sluit misschien compromissen, en maakt de keuzes die nodig zijn. Maar het heeft geen enkele zin om aan die taal allerlei morfologische complexiteiten toe te voegen. Zeker als iemand de taal niet maakt uit liefhebberij om de taal zelf, maar om een bepaald niet-taalkundig doel te bereiken. Zoals bekend was dit bij Zamenhof het geval.

De taal bestaat ondertussen meer dan een eeuw. Dit jaar is het 111 jaar geleden dat de eerste brochure verscheen. Dat is een erg korte, bijna verwaarloosbare periode in het leven van een taal. Wie het verzameld werk van Zamenhof naast de meest recente jaargangen van - laten we zeggen - het maandblad Monato legt, ziet dat de taal in die tijd dan ook nauwelijks veranderd is. Een moderne lezer kan Zamenhof nog gemakkelijk lezen, net zoals Zamenhof waarschijnlijk weinig moeite zou hebben met de taal van Monato.10

Het Esperanto is niet de ideale taal van Leibniz. De waarheid of onwaarheid van de stelling 'alle mensen zijn dieren' kan niet worden nagetrokken door de zin in het Esperanto te vertalen en vervolgens lei en griffel tevoorschijn te halen, en te rekenen. Ook is de syntaxis niet ideaal, in die zin dat hij onmiddellijk door elke willekeurige aardbewoner verstaan kan worden. In de syntaxis van elke taal moeten keuzes gemaakt worden: ook het Esperanto maakt die keuzes.

Overigens ontstaan er in dit verband wel enkele interessante kwesties. De meeste keuzes die in de syntaxis en de fonologie gemaakt zijn hebben een duidelijke (Indo-)Europese inslag. Het is echter de vraag hoe dwingend deze keuzes eigenlijk zijn. Neem de vraagwoordproblematiek die ik hierboven kort aanstipte. In het Esperanto van Zamenhof en in dat van vrijwel alle auteurs na hem vinden we de vraagwoorden vooraan in de zin:
3 a Johano acxetas libron.
b Kion Johano acxetas?

Het is echter de vraag wat nu de grammaticaliteit is van een zin als (3c):
3 c Johano acxetas kion?
Mijn indruk is dat veel gebruikers van het Esperanto desgevraagd zullen verklaren dat (3c) niet helemaal ongrammaticaal is, al is hij misschien minder gebruikelijk dan (3b). Het is misschien niet onmogelijk om aan het vraagwoord kion een Chinese morfologie mee te geven, of om het anders te zeggen: misschien is het woordje kion wel ondergespecificeerd voor het relevante morfologische kenmerk. Als dat kan, is de ideale taal er een waarin er helemaal geen morfologie is: de bijzondere morfologie ontbreekt volledig, de Chomskyaanse morfologie is helemaal ondergespecificeerd. Volgens de bekende twintigste-eeuwse taalkundige Jakobson is het verschil tussen talen nooit wat zij kunnen uitdrukken - de overtuiging is dat elke taal uiteindelijk hetzelfde kan uitdrukken als elke andere taal - maar in wat uitgedrukt moet worden. De ideale taal is in die visie misschien de taal waarin niets uitgedrukt hoeft te worden: een taal zonder morfologie.

Het Esperanto zou dat ideaal dan ook iets dichter benaderen dan de meeste andere talen, omdat de taal weinig geschiedenis heeft en er nog weinig claims kunnen zijn over de 'correcte' vorm van een willekeurig morfeem. Overigens is de taal in dit opzicht dan ook niet helemaal ideaal; ze stelt wel degelijk bepaalde verplichtingen. Het Esperanto werkt bijvoorbeeld met naamvallen, en wel met een systeem van nominatieven en accusatieven. Het verschil tussen ergatieve en absolutieve naamval, zoals dat bijvoorbeeld in het Baskisch gemaakt wordt, kan de taal niet uitdrukken; maar het onderscheid tussen nominatief en accusatief, dat we ook kennen uit het Latijn, moet het uitdrukken.11

Ook fonologisch is het Esperanto niet ideaal. Het heeft tamelijk ingewikkelde lettergrepen. De eerste lettergreep van het woord voor blond, 'blonda', is bijvoorbeeld blon, met twee medeklinkers aan het begin van het woord en een medeklinker aan het eind. Dat ligt wel een paar passen verwijderd van het ideale ta. Het compromis is hier kennelijk anders gemaakt, niet alleen ten gunste van de spreker.

Over deze kwestie valt nog wel het een en ander te zeggen, want de bekendste voorganger van het Esperanto, het Volapük, voldeed wat lettergreepstructuur betreft beter aan de eisen van idealiteit. Afgezien van de laatste lettergreep van een woord, die op een medeklinker eindigde, voldeden alle lettergrepen in een Volapükwoord aan het templaat van eerst een medeklinker en daarna een klinker. Dit is de reden waarom de woorden in deze taal nauwelijks herkenbaar zijn; de naam vola-pük zelf was bijvoorbeeld afgeleid van het Engelse world speech. De betere fonologie compromitteert hier de aansluiting met de brontaal.

9 "Tio cxi estas ja afero tute natura, alia la gramatiko de arta lingvo ne povus ecx esti, kaj se gxi estus alia, tio cxi estus jam ne manko de genio, sed simple frenezo. Cxu al homo, kiu fosas kanalon inter du lokoj, oni povas kalkuli kiel meriton, ke li faras tiun cxi kanalon rekta kaj ne elfleksita kaj neregula kiel cxiuj riveroj naturaj?[...] Cxar al kiu venos en la kapon enkonduki kelkajn deklinaciojn, se li povas kontentigxi je unu?"
Zamenhof (1989-1991.I:255.)
10 Toch zijn er wel een paar minimale morfologische veranderingen aan te wijzen; in een heruitgave van de door Zamenhof samengestelde bloemlezing van vroeg werk in het Esperanto (Fundamenta Krestomatio) zijn door G. Waringhien (Zamenhof 1992) voetnoten aangebracht met aanpassingen aan het 'hedendaags taalgebruik'.
11 Deze opmerking ontleen ik aan een gesprek met Wouter Kusters.

[zamenhof]