Optimaliteit Volgens de optimaliteitstheorie is het - nog veel sterker dan volgens het minimalisme - ten enenmale onmogelijk om een ideale taal aan te wijzen. Volgens deze theorie bestaat de grammatica uit een verzameling welgevormdheidseisen - voor elke taal dezelfde verzameling- die allemaal tegelijkertijd van toepassing worden verklaard op een gegeven taaluiting. Het probleem is alleen dat deze condities soms met elkaar in tegenspraak zijn. De manier waarop een dergelijke tegenspraak wordt opgelost, is de enige manier waarop talen van elkaar kunnen verschillen. Ideale talen bestaan niet: hooguit optimale.

Neem het eerder besproken verschil tussen het Engels, waarin tate de ideale vorm is, en het Russisch, waarin tata dat is. We kunnen dit verschil begrijpen door aan te nemen dat er twee welgevormdheidseisen zijn in de Universele Grammatica. De eerste zegt: 'onbeklemtoonde klinkers dienen te worden uitgesproken als sjwa'. De tweede zegt: 'sjwa is ongewenst'. In het Russisch wint de tweede het in alle gevallen: geen enkele klinker verandert ooit in sjwa, en daarom is tata beter dan tate. In het Engels wint echter de eerste conditie het, en daardoor ontstaat een interessanter 'compromis': sjwa mag daar, net als in het Russisch, eigenlijk niet, maar met ŽŽn uitzondering: namelijk als de klinker in de onbeklemtoonde positie staat. Er is in dit geval in geen enkel opzicht sprake van een 'betere' of een 'minder goede' keuze. Alle keuzes zijn even goed of even slecht: er is altijd een welgevormdheidseis die wint, en er is er altijd een die verliest.

Net als in het minimalisme is er in de optimaliteitstheorie eigenlijk geen plaats voor een bijzondere morfologie. Ook deze theorie moet een aantal eigenaardigheden verwijzen naar een ander deel van de grammatica8 - en ook voor deze theorie ligt het voor de hand om dit in de morfologie te doen.

De grammaticatheorie die ik zojuist geschetst heb - met een minimalistische syntaxis en een optimale fonologie - definieert hoe dan ook niet een unieke 'ideale' taal. Daarvoor zijn er veel te veel keuzemogelijkheden. In plaats daarvan bestaat er een hele klasse van optimale talen. Wel is het duidelijk welke talen er niet 'ideaal' zijn - dit zijn de talen met een goed gevulde bijzondere morfologie. Het Latijn is dus niet ideaal. Als we nu de natuurlijke talen bekijken, ontdekken we dat eigenlijk al deze talen een dergelijke morfologische component hebben; ze hebben allemaal hun historisch gegroeide eigenaardigheden die ons het zicht op de Universele Grammatica ontnemen. Het zijn allemaal 'complex mixtures and amalgams'. Nu dient van tevoren worden opgemerkt dat dit geen negatieve kwalificatie is. Juist in die merkwaardige historische bouwwerken die we in de bijzondere morfologie vinden wil een beetje taalkundige graag wonen. Onderzoek naar deze bouwwerken kan ons veel vertellen over een volk, de geschiedenis van dat volk, zijn cultuur en uiteindelijk ook over het menselijk taalvermogen.

Maar als we op zoek zijn naar de Universele Grammatica staat al die morfologie toch een beetje in de weg. Het is eigen tijd dat we eens een taal proberen te bekijken zonder al die eigenaardige morfologie. Het is, met andere woorden, tijd voor een experiment.

8 Roca (1997)

[taal zonder geschiedenis]