Een optimale taal - wat valt eraan te onderzoeken? Het Esperanto is een bijzondere taal. Dat heb ik hopelijk nu voldoende aangetoond. De taal is zelden een onderwerp van serieus taalkundig onderzoek geweest, en dat is volgens mij onterecht. Juist de bijzondere eigenschappen van het Esperanto maken de taal bijzonder interessant voor iedereen die belang stelt in taal.

Juist het gebrek aan geschiedenis maakt de studie van de grammatica interessant. Juist het gebrek aan een homogene en geografisch geconcentreerde groep sprekers maakt de manier waarop de eerstetaalverwerving verloopt interessant. Omdat de ouders van de taalverwervende kinderen meestal geen moedertaalsprekers zijn, moet er een soort constant veranderingsproces aan de gang zijn (met een technische term noemt men dat in de taalkunde wel 'creolisering'). Omdat in veel gevallen de taal alleen van de ouders komt - in de buurt spreekt men de taal niet, de radio en de TV zenden over het algemeen niet in de taal uit - gebeurt die taalverwerving bovendien onder zeer sterk gecontroleerde omstandigheden.

Ook de tweedetaalverwerving heeft boeiende aspecten. Informele observatie lijkt in ieder geval uit te wijzen dat het Esperanto voor veel mensen op de wereld makkelijker te leren is dan andere Westerse talen. De vraag is uiteraard hoe dit kan: is dit alleen die regelmatigheid, dat gebrek aan bijzondere morfologie? Of zijn er ook andere factoren? Een ander interessante vraag in dit verband is hoe transfer precies verloopt. Bij een 'normaal' tweedetaalverwervingsproces spelen minstens twee normen een rol: die van de oorspronkelijke moedertaal, en die van de doeltaal die geleerd moet worden. Omdat er in het Esperanto minder normen zijn, of omdat deze in ieder geval minder duidelijk zijn, kan de eerste taal misschien een duidelijker rol spelen. Die rol noemen we transfer en een studie van de taalverwerving van het Esperanto werpt mogelijkerwijs een helderder licht op deze zaak.16

Die normen in de taal zelf zijn trouwens ook vaak een onderwerp van onderzoek geweest: waar komen ze vandaan? Wie bepaalt ze in een taalgemeenschap waar de moedertaalsprekers duidelijk in de minderheid zijn en waarbinnen bovendien een zogenaamde 'fundamentele grammatica' wordt gehanteerd die met gemak valt neer te schrijven op een A4-tje en waarin bovendien zaken als spelling en de precieze fonologische inhoud van het bepaald lidwoord wordt geregeld? Zo'n onderzoek naar taalnormen is overigens maar een van de vele vormen van sociolingu•stisch onderzoek die volgens mij mogelijk zouden zijn. Ook onderzoek naar stijlniveaus, naar de manier waarop binnen de Esperanto-gemeenschap problemen als beleefdheid, aanspreekvormen, en dialect- of accentverschillen worden benaderd, zouden in een ideale wereld moeten uitgevoerd.

En dan nog zou mijn wensenlijstje niet ten einde zijn, want er is geen vorm van taalkundig onderzoek die niet op een interessante manier op het Esperanto kan worden toegepast. Het Esperanto is uit taalkundig oogpunt misschien niet de ideale taal, het is wel een ideale taal voor taalkundig onderzoek.

16 Dankova (1997)

[wat kunnen we ermee]