Kunnen we een taal maken? Nu rijst er wel een interessante vraag. Als het feit dat kinderen een systeem als moedertaal leren een kenmerkende karakteristiek is, hoe anders is het Esperanto van die kinderen dan van dat van Zamenhof? Het merkwaardige is dat die verschillen eigenlijk helemaal niet zo groot zijn als een oppervlakkige beschouwer misschien zou verwachten. Er zijn misschien wel wat creoliseringsverschijnselen13 aan te wijzen, maar erg dramatisch zijn deze eigenlijk niet. Ik denk in ieder geval dat het in de meeste gevallen niet mogelijk is om in een blinde test op basis van alleen het taalgebruik aan te wijzen of een bepaalde tekst van Zamenhof is of van een moedertaalspreker. Het lijkt er een beetje op dat de taal uit het hoofd van Zamenhof is komen stappen als Pallas Athena uit het hoofd van haar vader.

Hoe is dat mogelijk? Kan iemand een taal bedenken? Het is denk ik geen onbetekenend feit dat Zamenhof naar eigen zeggen al op zeer jonge leeftijd begon aan zijn taal te werken. Al in de eerste klassen van het gymnasium maakte hij plannen en op zijn achttiende verjaardag, dit jaar precies 120 jaar geleden vierde hij samen met enkele vrienden een feestje in een eerste versie van die taal. Hoewel we van dit eerste stadium van de taal helaas niet veel meer dan een paar fragmenten over hebben, lijkt het erop dat de syntaxis en de fonologie - anders dan de woordenschat -sinds dat eerste stadium geen ingrijpende wijzigingen heeft ondergaan. Zamenhof maakte zijn taal dus mogelijkerwijs op zijn minst gedeeltelijk in een periode die door taalkundigen wel de kritische periode wordt genoemd: de periode in een mensenleven dat het nog gemakkelijk is om een vreemde taal te leren.

Daar komt bij dat we uit opmerkingen van Zamenhof zelf kunnen opmaken dat hij tijdens de creatie van zijn taal op een tamelijk intuïtieve manier te werk ging: hij bedacht een woord of een constructie en probeerde deze dan eerst een tijdje uit, door te denken en te schrijven in zijn taal. Men maakt in de interlingu•stiek wel onderscheid tussen apriori-talen en aposteriori-talen. Apriori-talen zijn volkomen bedacht volgens een van te voren opgezet schema: Leibniz' Lingua Generalis is hier een voorbeeld van. Aposteriori-talen zijn modificaties van reeds bestaande: hiervan is dus het Latino sine flexione een voorbeeld. Zamenhofs methode viel eigenlijk buiten deze twee categorieën: hij liet de natuur zijn gang gaan, en maakte een autonome taal.

De taalkunde heeft zich wat mij betreft de afgelopen honderd jaar vooral belachelijk gemaakt in de manier waarop ze met kunstmatige talen is omgesprongen. Een goed voorbeeld hiervan vinden we in het werk van de beroemde taalkundige Otto Jespersen. Toen in 1907 een commissie werd opgericht om het probleem van een internationale taal te onderzoeken nam Jespersen - net als zijn al even beroemde collega Baudouin de Courtenay - zitting in deze commissie. Uiteindelijk nam deze commissie een gemodificeerde en zogenaamd 'verbeterde' versie van Esperanto aan, die Ido werd genoemd. In de jaren dertig publiceerde Jespersen zelf nog een boek waarin hij weer een gewijzigde, 'verbeterde' versie van dit Ido voorstelde, onder de naam Novial.

Het idee achter al deze wijzigingen was uiteraard dat het oorspronkelijke Esperanto taalkundig niet deugde. In zijn International Language14 maakt Jespersen herhaaldelijk duidelijk dat hij inderdaad niet op Zamenhofs intuïties vertrouwde. Een taal moest samengesteld worden door een vakman, een taalkundige. Dit argument is vaker gebruikt. Ook beroemde taalgeleerden zoals Trubetzkoy en Sapir toonden een zeker dédain jegens het Esperanto, en aanhangers van Interlingua wijzen er graag op dat hun taal ontwikkeld is onder leiding van professionele taalkundigen als Alexander Gode en André Martinet. Impliciet blijft het verwijt dat het Esperanto 'slechts' gemaakt is door een oogarts, een amateur.

Dit argument snijdt echter geen hout. De creatie van internationale talen hoort niet bepaald tot het stiel van de taalkundige. Ik geloof dan ook niet dat Chomsky gelijk heeft, voor zover hij werkelijk zou bedoelen dat het echt gemakkelijk is om, met de huidige taalkundige theorie in de hand, een taal te scheppen. Daarvoor is die taalkundige theorie nu eenmaal waarschijnlijk nog te weinig ontwikkeld, net zoals ze dat in Jespersens tijd was. We weten nog te weinig over het taalvermogen. Maar onbewust hebben we dat taalvermogen natuurlijk nog wel, en precies dat taalvermogen zouden we kunnen inzetten. Alleen hoef je daar geen taalkundige voor te zijn: het is voldoende om een mens te zijn.

Een ander misverstand is volgens mij dat er veel aan het Esperanto de verbeteren valt. Zoals ik hopelijk nu wel voldoende heb aangetoond, heeft het Esperanto weinig of geen bijzondere morfologie en valt het daarmee in de klasse van ideale talen. Er zijn bepaalde compromissen gesloten, die ook anders uit hadden kunnen vallen. Er zijn bepaalde keuzes gemaakt die ook anders gemaakt hadden kunnen worden. Uiteraard vallen op het gebied van de woordenschat ook veel andere keuzes te maken. In plaats van kaj (en) zouden we ook et kunnen zeggen. Dit zijn dan ook precies het soort verbeteringen dat Jespersen en andere hervormers voorstelden. Ido en Novial zijn naar mijn idee niet veel beter of slechter dan het Esperanto. Ze vallen in dezelfde klasse van talen.

Overigens heeft Zamenhof zichzelf in iets krachtiger bewoordingen uitgelaten over de talloze voorstellen tot verbetering die er ook in zijn eigen tijd al waren:

Als de grammatica van het Esperanto, die het volledig mogelijk maakt om alle nuances van het menselijk denken op een zeer precieze manier uit te drukken, in totaal uit zestien kleine regeltjes bestaat en in een half uur geleerd kan worden - wat kan een nieuwe auteur dan nog voor iets beters geven? In het uiterste geval zou hij misschien in plaats van 16 regels er 15 geven, en in plaats van 30 minuten werk, 25 minuten vereisen?15
Zamenhof was wat dit betreft trouwens niet helemaal consequent, want in veel opzichten zou waarschijnlijk ook Volapük in de klasse van bijna ideale talen gevallen zijn - en dan had het dus geen zin om het Esperanto als alternatief voor te stellen. Maar de verhouding van Zamenhof tot het Volapük was enorm complex, en verdient eigenlijk meer studie dan ze tot nu toe gekregen heeft.

13 Van Oostendorp (1991), Lindstedt (1997)
14 Jespersen (1928)
15 "Se la gramatiko de la lingvo Esperanto, kiu donas plenan eblon esprimi en la plej preciza maniero cxiujn nuancojn de la homa penso, konsistas tute el 16 malgrandaj reguletoj kaj povas esti ellernita en duono da horo - tiam kion la nova auxtoro povus doni pli bonan? En ekstrema okazo li donus eble anstatauxx 16 reguloj 15 kaj anstataux 30 minutoj da laboro postulus 25 minutojn?" Zamenhof (1989-1991.II:973)

[wat valt eraan te onderzoeken]