De ideale taal - wat kunnen we ermee? Toen Leibniz aan zijn Lingua Generalis werkte, had hij een heel specifiek doel voor ogen: de wereld moest beter worden door een zo rationeel mogelijke communicatie. Het is er niet van gekomen. Ik weet niet of de wereld wel of niet beter is geworden sinds Leibniz, maar van rationele communicatie is in ieder geval nog altijd geen sprake. Toch was Leibniz' werk niet vergeefs. Zoals ik al aanstipte zijn er in de loop der eeuwen allerlei min of meer nuttige toegepaste takken van wetenschap uit zijn werk ontstaan.

Ook Zamenhof heeft zich herhaalde malen in idealistische zin over zijn taal uitgesproken. Ook Zamenhof hoopte op een betere wereld, en ook Zamenhof zag zijn taal als een van de middelen om dat doel te bereiken. En als we in de wereld om ons heen kijken is van dat ideaal nog maar bar weinig terechtgekomen.

De eerste hoogleraar Interlinguïstiek en Esperanto in Nederland krijgt onvermijdelijk vragen naar dit ideaal te beantwoorden. Hoe zit het er eigenlijk mee? Spreken we niet over twintig jaar allemaal Engels? Heeft het dan nog wel zin om je met zo'n verloren zaak bezig te houden? Ik moet zeggen dat ik me als taalkundige enigszins ongemakkelijk voel met dat soort vragen: als ik het Nederlands bestudeer, hoef ik ze ook nooit te beantwoorden, terwijl over honderd jaar - je weet het maar nooit - misschien ook niemand meer Nederlands spreekt.

Als we de huidige situatie extrapoleren, spreekt inderdaad over laten we zeggen honderd jaar een aanzienlijk deel van de wereldbevolking Engels als eerste of tweede taal.17 Het is alleen wel heel gevaarlijk en eigenlijk zinloos om in dit soort kwesties de huidige situatie te extrapoleren. De keuze van een taal is een kwestie van internationale politiek en die heeft zoals bekend veel te maken met het prestige van een cultuur, en met allerlei andere zaken. Toen het Esperanto verscheen zeiden de mensen ook dat dit toch eigenlijk niet nodig was: we hadden het Frans toch al?

Daar komt dan uiteraard nog bij dat we ons de vraag moeten stellen of we ons bij die extrapolaties neer moeten leggen. Ik heb meer sympathie voor de mensen die streven naar een pragmatischer en eerlijker oplossing van de internationale taalproblemen. Wie bestudeert hoeveel miljarden er elk jaar door organisaties als de Verenigde Naties en het Europees Parlement worden uitgegeven aan tolken en aan vertalers, ontkomt niet aan de conclusie dat de internationale taalpolitiek op dit moment nog altijd in een geldverslindende crisis verkeert, die het Engels kennelijk ook niet oplost. Het wordt je treurig te moede als je bedenkt waar dat geld allemaal nog meer aan zou kunnen worden besteed, als de parlementariërs maar de moeite zouden nemen om een zeer gemakkelijke en politiek neutrale taal te leren.

Misschien blijven we de komende eeuwen in Europa wel in deze patstelling staan. Misschien wordt de patstelling wel opgelost doordat alle volken de Britten zoveel tegemoet willen komen dat ze in hun taal willen vergaderen. Misschien ontstaat er in de volgende eeuw wel een geoptimaliseerd Engels, zonder bijzondere morfologie. Ik voorspel dat die taal dan op zijn minst in zijn grammatica sterk op het Esperanto zal lijken.

Ik vind het merkwaardig dat het Esperanto voor de meeste mensen zo'n aura heeft van onvervulbaar utopisch denken. Ik heb het juist altijd als een veel rationeler oplossing gezien voor een aantal praktische problemen. Het Esperanto is een compromis. We hoeven geen miljarden guldens te investeren in tolken en vertalers. We hoeven scholieren in heel Europa niet te verplichten zich jarenlang te wijden aan de taal van de Britten en de Amerikanen. We hoeven niet een nieuwe vorm van Basic English te ontwerpen. De oplossing is tamelijk eenvoudig en meteen voorhanden. Het Esperanto is op kleine schaal in de afgelopen 120 jaar uitvoerig getest. Taalkundig gezien is er geen enkele reden om het geen taal te noemen; taalkundig gezien is er wel een reden om het als een bijzondere taal te beschouwen.

Natuurlijk: Esperanto leren heeft op dit moment niet zoveel praktisch nut als Engels leren. Wie snel rijk en beroemd wil worden zal ongetwijfeld meer bereiken als hij 'good morning' weet uit te spreken dan wanneer hij 'bonan matenon' zegt. Maar dat is een heel andere kwestie dan de politieke vraag hoe we in internationale organisaties onze taalproblemen moeten oplossen. Men hoeft zich niet tot een dichter in de internationale taal te ontwikkelen om te kunnen nadenken over een realistische oplossing voor de taalproblemen die er op de wereld nu eenmaal zijn.

Daar komt nog bij dat Zamenhofs werk ook nog eens minstens even onverwachte toepassingen kan hebben als dat van Leibniz. Een bekend voorbeeld uit de literatuur is de zogenaamde 'propedeutische waarde' van het Esperanto. Er wordt wel beweerd dat het gemakkelijker wordt om vreemde talen te leren als je als student eerst het relatief ongecompliceerde Esperanto verworven hebt. Nu heeft in zekere zin elke vreemde taal een propedeutisch effect, een derde taal schijnt in de regel makkelijker te leren te zijn dan een tweede taal, maar er zijn misschien redenen om te vermoeden dat dit voor een optimale taal als het Esperanto nog wat sterker ligt.

Als deze stelling waar is, zou dat wellicht iets te maken kunnen hebben met het gebrek aan bijzondere morfologie. Een kenmerk van die morfologie is immers dat ze vooral voorkomt bij volstrekt alledaagse en eenvoudige woorden, zoals de werkwoorden zijn en gaan, of bij de zelfstandig naamwoorden roos en meneer. Dit zijn allemaal woorden die we niet gemakkelijk kunnen overslaan bij een eerste kennismaking met een taal. Wie een vreemde taal leert, moet dus in eerste instantie vooral vreemde dingen leren - dingen die met het taalgevoel weinig te maken hebben.

Een verklaring voor dit soort propedeutisch effect van een geplande taal is dan dat de leerling veel sneller resultaat boekt, veel eerder het gevoel krijgt dat hij iets kan zeggen, en daarom veel eerder kennismaakt met het plezier van een vreemde taal. Wie op deze manier eenmaal geraakt is, is ook eerder bereid bij volgende talen wel de nodige hobbels te nemen om datzelfde genoegen weer te kunnen smaken. Een andere verklaring zou nog kunnen zijn dat het leren van zo'n eenvoudige taal als het ware spelenderwijs inzicht biedt in de hoofd- en bijzaken van talen: dat het laat zien welke verschillen tussen talen zijn toe te schrijven aan de Universele Grammatica, en welke verschillen aan de bijzondere morfologie.

Op dit moment wordt een project voorbereid waarin deze kwestie met Europese gelden kan worden uitgezocht: leren kinderen beter en sneller Engels als ze eerst Esperanto hebben geleerd, dan wanneer ze eerst Frans hebben geleerd, of zelfs al hun tijd aan het Engels hebben besteed? En als dat zo is, wat zijn precies de factoren die dit succes veroorzaken en verklaren? Een nieuwe leerstoel Ik ben de eerste die in Nederland een leerstoel mag bekleden op het gebied van de Interlingu•stiek en het Esperanto. Daar ben ik trots op. Ik hoop uiteraard niet alleen dat deze leerstoel tot in lengte van jaren, vele generaties lang mag blijven bestaan, maar ook dat hij in de loop der jaren uitgebreid mag worden, en dat er aan alle universiteiten van Europa veel onderzoekers mogen komen. Er is enorm veel werk te doen, vele malen meer dan een mens doen kan, tenzij hij misschien filosoof, diplomaat, bibliothecaris, taal-, mijnbouw- en wiskundige en hoveling tegelijkertijd is.

17 Crystal (1997)

[een nieuwe leerstoel]