De ideale taal De zeventiende-eeuwer Gottfried Wilhelm von Leibniz (1646-1716) was onder andere filosoof, diplomaat, bibliothecaris, taal-, mijnbouw- en wiskundige, hoveling en bovendien een van de grondleggers van mijn vakgebied, de interlingu•stiek, of: studie van plantalen. Hij dacht of hoopte dat er wel degelijk een ideale taal bestond en hij wijdde een groot deel van zijn leven aan de ontwikkeling van deze taal, die hij in sommige werken in het Latijn Lingua Generalis noemde.1 De ideale taal zou het mogelijk maken dat alle mensen in Europa in broederlijke eendracht de geheimen van de wereld om hen heen ontraadselden. Het Latijn en de nationale talen voldeden niet omdat ze niet ideaal waren: te moeilijk te leren door de gewone man en bovendien naar Leibniz' gevoel onvoldoende in staat om een precieze en logische manier van denken en spreken mogelijk te maken.

De Lingua Generalis, die overigens nooit voltooid is, zou daarom twee eigenschappen hebben. In de eerste plaats zou de grammatica van deze taal zo eenvoudig mogelijk zijn: allerlei eigenaardigheden die eigen zijn aan natuurlijke talen zouden worden afgeschaft. Alleen datgene wat gemeenschappelijk aan alle talen ten grondslag lag, kon worden gehandhaafd. Een groot deel van Leibniz taalkundige werk is daarom gewijd geweest aan het vinden van een Universele Grammatica, die als basis kon dienen voor zijn Universele Taal.

Hoewel Leibniz waarschijnlijk polyglot was, lijken veel van zijn observaties ontleend aan het Latijn. Deze taal heeft allerlei grammaticale - vooral morfologische - eigenaardigheden, die vele generaties van leerlingen op Latijnse scholen moeten zijn opgevallen en die desondanks nooit veranderden. Het Latijn heeft bijvoorbeeld een aantal naamvallen - het bekendste rijtje is misschien rosa, rosae, rosae, rosam, rosa. Nu is er op zichzelf vanuit taaleconomisch standpunt weinig tegen naamvallen in te brengen. Integendeel: betekenisrelaties in een zin kunnen op allerlei manieren worden uitgedrukt, maar een morfologische casussysteem is daar zeker een van.

Het eigenaardige is alleen dat een leerling van het Latijn niet kan volstaan met het leren van dat ene rijtje. Hij moet er minstens vijf leren: dominus, domini, domino; custos, custodis, custodi; fluctus, fluctus, fluctui; res, rei, rei; enzovoort. Bovendien moet hij voor elk woord uit zijn hoofd leren welke verbuiging hij erop toepassen moet. Met name de verbuiging van het adjectief dat agreement vertoont met het zelfstandig naamwoord, moet domweg uit het hoofd geleerd worden. Hoewel er enkele regels kunnen worden gegeven - woorden op -a nemen vaak een bijvoeglijk naamwoord dat verbogen wordt volgens het rosa-rijtje - is het uiteindelijk onvoorspelbaar in welke verbuigingsklasse een gegeven woord zal vallen: nauta neemt een adjectief dat verbogen wordt zoals dominus, figus een adjectief dat verbogen wordt zoals rosa.2 Leibniz zag geen heil in deze morfologische eigenaardigheden; ze maakten een taal nodeloos ingewikkeld. Om de oude Gottfried Wilhelm maar eens mijn woorden in de mond te leggen: het gebruik van die vijf morfologische klassen is geen compromis, ze komt spreker noch hoorder tegemoet, ze maakt de woorden niet aantoonbaar mooier, of korter, of beter van elkaar te onderscheiden. Tegelijkertijd is dat gebruik ook geen noodzakelijke keuze: talen kunnen heel goed zonder al die morfologische klassen, voor zover we weten. Daarom bezit een ideale taal deze volgens Leibniz niet.

Behalve deze grammaticale eenvoud had de ideale taal van Leibniz nog een opvallende eigenschap: ze was een zogenaamde filosofische taal, waarin elk begrip kon worden uitgedrukt. Bovendien bestond er in de taal een eenduidige relatie tussen vorm en betekenis. Leibniz haalde hiervoor zijn inspiratie uit de wiskunde. Alle natuurlijke getallen kunnen worden neergeschreven als een product van priemgetallen. Op dezelfde manier konden we volgens Leibniz alle complexe ideeën zien als het product van eenvoudiger ideeën. Hij nam deze gedachte heel serieus: de eenvoudige, primaire, begrippen moesten volgens hem letterlijk worden uitgedrukt door priemgetallen. Complexe begrippen konden dan gezien worden als het product van die primaire begrippen.

Het priemgetal '2' stond zo voor 'dier' en het priemgetal 3 voor 'ratio'. Het begrip 'mens' kon worden weergegeven met het getal 6, want de mens is een redelijk wezen en 6 is 2x3. Men kon de betekenis van een woord dus uitrekenen. Door de rede zou alle mensen die deze taal beheersten, dichter tot elkaar komen. ''Als er onenigheid ontstaat, is woordenstrijd tussen twee filosofen net zo min nodig als tussen twee boekhouders. Want ze hoeven slechts achter hun lei te gaan zitten, de griffel ter hand te nemen, en (eventueel met een vriend als getuige) te zeggen: 'Laten we rekenen.' '' Een voorbeeld van zo'n rekensom is dat we de waarde van het subject van een propositie kunnen delen door de waarde van het predikaat. Een ware propositie levert in zo'n geval een geheel getal op, zonder rest. Stel dat een filosoof zegt 'alle mensen zijn dieren'. In de taal van Leibniz zegt hij dan zoveel als '6/2'. We kunnen nu nagaan dat de filosoof de waarheid spreekt door uit te rekenen dat 6/2=3. Omdat 3 een geheel getal is, is de propositie waar.

Uiteindelijk stuitte Leibniz, net als zijn tijdgenoten die probeerden een ideale taal te maken op moeilijke filosofische problemen: hoe maak je een classificatie waar de hele wereld in past? Hoe bepaal je wat de primaire begrippen zijn? En wat is de precieze getalswaarde van complexe begrippen zoals 'Amsterdam'? Om die waarde vast te stellen, zouden we alles over Amsterdam moeten weten, maar dat is voor ons mensen niet weggelegd; dat kan alleen God. Het komt er dus op neer dat ook Leibniz' ideale taal in ieder geval door mensen niet gebruikt kan worden. Wij moeten het met een benadering, een compromis, doen.

Een ander probleem met Leibniz' taal was dat hij moeilijk uit te spreken was: hij bestond immers alleen uit getallen. Maar hier had Leibniz een interessante oplossing voor gevonden. Hij stelde voor de negen cijfers weer te geven met de eerste negen medeklinkers van het Latijnse alfabet: b, c, d, f, g, h, l, m, n. De klinkers gaven weer of we te maken hadden met eenheden, tientallen, honderdtallen, duizendtallen, enzovoort: ba is 1, be 10, bi 100, bo 1000 en bu 10.000. Voor grotere getallen zouden diftongen gebruikt worden. Het getal 1998 kon dus worden uitgesproken als boninema. Maar omdat de klinkerkwaliteit als het ware al de onderliggende positie van een lettergreep in het woord weergaf, waren permutaties van deze lettergrepen hieraan equivalent: manibone en nibonema betekenden ook 1998. Leibniz zag interessante mogelijkheden op het gebied van de dichtkunst voor zijn taal.

Een alternatief voor dit systeem was de tata-taal geweest: het woord 'dier' hadden we kunnen uitspreken als tata, en het woord 'mens' als tatatatatata. Dat was niet praktisch geweest. Iemand die een complex begrip als 'Amsterdam' had willen uiten, was daar misschien zijn hele leven mee bezig geweest, en liep dan nog het gevaar halverwege te overlijden, zodat niemand ook maar een flauwe notie had gehad wat hij eigenlijk had willen zeggen. Als er nog iemand geluisterd had.

Leibniz bleef dicht bij de ideale lettergreepstructuur; de lettergrepen waren denk ik niet voor niets ba, be, en bi en niet ab, eb, en ib. Leibniz was een mens en ook Leibniz moet daarom de intuïtie hebben gehad dat ba een betere lettergreep is dan ab. Als je kunt kiezen, kies je ba. Bij de selectie van de medeklinkers liet Leibniz zich echter meer leiden door de kunstmatige volgorde van de letters in het alfabet dan door een fonologische intuïtie; de t zit nog niet eens bij de verzameling medeklinkers, terwijl er wel bijvoorbeeld zowel de m en de n in zitten. Er is geen natuurlijke taal bekend die een dergelijk systeem heeft. De taal van Leibniz was meer een geschreven dan een gesproken taal.

We moeten er natuurlijk voor oppassen om Leibniz' werk achteraf belachelijk te maken. Uit zijn werk aan de ideale taal zijn uiteindelijk veel nuttige toepassingen voortgekomen, zoals de mathematische logica, computertalen en catalogussystemen voor bibliotheken. Een beter voorbeeld dat schijnbaar hopeloos abstract werk uiteindelijk toch min of meer 'nuttige' toepassingen kan opleveren bestaat volgens mij niet.

Hoe dit alles ook zij, één les kunnen we uit Leibniz' levenswerk trekken: dat een groot deel van de eigenaardigheden van menselijke taal 'niet nodig' zijn en dat een taal ook best zonder kan. Maar tegelijkertijd kunnen we er de conclusie uit trekken dat de ideale taal niet bestaat, of dat ze in ieder geval niet door mensen gebruikt kan worden.

1 Large (1985), Eco (1993)
2 Aronoff (1995)

[universele grammatica]