SAMENVATTING NEIGHBOUR-PROJECT

Het hier voorgestelde Neighbour-project is een initiatief de ÎWerkgroep talenprobleem in de Europese Unie'. Deze werkgroep bestaat uit ambtenaren werkzaam bij instellingen van de Europese Unie (waaronder tolken en vertalers), personen die in verschillende sectoren van het maatschappelijk leven werkzaam zijn, onderwijsdeskundigen en personen, die geïnteresseerd zijn in talen en het onderricht daarvan. De werkgroep komt regelmatig in Brussel bijeen. Nadat de werkgroep haar voorbereidende werkzaamheden had afgerond, heeft zij het project overgedragen aan de leerstoel Interlinguïstiek aan de Faculteit der Geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam.

Zowel de Europese werkgroep als de Amsterdamse leerstoel besteedden en besteden aandacht voor alle aspecten en mogelijke oplossingen van het talenprobleem en wil ook onderzoeken welke rol zogenaamde plan- en hulptalen -- zoals het Esperanto -- zouden kunnen spelen.

Het gaat hierbij om een beperkter gebruik van het Esperanto dan meestal wordt voorgesteld, namelijk als hulpmiddel bij de succesvolle verwerving van 'vreemde' Europese talen door de jonge toekomstige burgers van de landen van de Europese Unie. In de wetenschappelijke literatuur duikt af en toe de stelling op, dat de preliminaire studie van een relatief eenvoudige modeltaal het leren van de eerste vreemde 'natuurlijke' taal zeer vergemakkelijkt en versnelt. Men noemt dit wel de propedeutische waarde van plantalen. In het verleden uitgevoerde experimenten en ervaringen van leerkrachten wijzen hierop. Bestudering van het talenprobleem en onderzoek naar oplossingen hiervoor, vereisen toetsing van een dergelijke belangrijke stelling. Het NEIGHBOUR-project is een voorstel om deze toetsing onder stricte wetenschappelijke controle uit te voeren. Wanneer met een (grootschalig) onderzoeksproject in Europa aangetoond kan worden dat de veronderstelde propedeutische waarde van plantalen reëel is, levert dat een aantal nieuwe perspectieven op. Het zou betekenen dat het leren van een vreemde taal (onnodig) geremd wordt door een aantal kenmerken/factoren typerend voor (de meeste) natuurlijke talen, en die bij de modeltaal niet voorkomrn, en/of dat zo'n modeltaal een aantal kenmerken heeft die andere talen niet hebben.

Ook zou één van de conclusies van een dergelijk onderzoeksproject kunnen zijn dat leerlingen die een vreemde taal moeten leren, de neiging hebben ontmoedigd te raken, als ze te snel met de historisch gegroeide eigenaardigheden van nationale talen en regionale talen geconfronteerd worden. In de grammaticawetenschap wordt onderscheid gemaakt tussen de periferie en de kern van de grammatica van een taal. De periferie van een taal wordt gevormd door het historisch gegroeide of Îaanslibselâ.De kern is daarbij een betrekkelijk 'schoon' gedeelte en bijna universeel voor alle menselijke talen; verschillen tussen talen in de kerngrammatica worden altijd uitgedrukt door duidelijke keuzes voor het een of het ander. Ook het Esperanto maakt natuurlijk keuzes in de kerngrammatica, maar wat de taal bijzonder maakt is dat ze geen periferie heeft. Het historisch gegroeide om twee redenen in deze taal is minimaal: ten eerste bestaat de taal pas iets meer dan 110 jaar, een zeer korte periode voor een taal. Ten tweede wordt de taal steeds door mensen geleerd die haar niet als moedertaal hebben -- dit vertraagt eventuele veranderingsprocessen aanzienlijk. De taal heeft zich bovendien direct in een internationale arena ontwikkeld. Eventuele veranderingen zijn daardoor niet beïnvloed door de grillen en de eigenaardigheden van een bepaalde bevolkingsgroep.

Het NEIGHBOUR-project kan ons leren of het zinniger is om als taalverwerver eerst te begrijpen hoe een kerngrammatica van een andere dan de eigen taal in elkaar zit, zonder eerst met de periferie geconfronteerd te worden. Omdat men tijdens het leren van de modeltaal alleen te maken heeft met hoofdzaken, kan men bij vreemde taalverwerving hoofd- en bijzaken beter onderscheiden.

Wanneer de hier geponeerde stelling juist blijkt, zou het Europese realisatie van het streven om (tenminste) twee vreemde talen naast de moedertaal te leren, dichterbij gebracht kunnen worden.

Het project zal door fondsen in de verschillende landen gefinancierd moeten worden. Het 'SOCRATES' programma van de Europese Unie geeft een goed kader waarbinnen dit projectvoorstel op Europees niveau gefinancierd en uitgevoerd kan worden.

Voor de duidelijkheid zij hier vermeld, dat voor de werkgroep noch voor de universiteit de vraag thans aan de orde is of bijvoorbeeld het Esperanto ingevoerd zou kunnen worden als internationale hulptaal naast de eigen taal. Een discussie over het vóór en tegen van een dergelijke oplossing is zeker van belang, maar heeft in het verleden zelden tot een serieuze behandeling van het onderwerp op (internationaal) politiek niveau geleid. In het algemeen geeft men op dit moment de voorkeur aan een meertalig Europa. Het hier voorgesteld onderzoek beoogt niet anders dan te onderzoeken op welke manier eenvoudige modeltalen in een dergelijk Europa een rol kunnen spelen.

Prof. Dr Marc van Oostendorp

(hoogleraar Interlinguïstiek en Esperanto aan de Universiteit van Amsterdam en tevens projectleider)

correspondentie-adres:
Prof. dr. M. van Oostendorp
Universiteit van Amsterdam
Faculteit der Geesteswetenschappen
Spuistraat 120
1012 VA Amsterdam

telefoon:
+31 20 6211223
+31 20 5277983
+31 348 481932
E-mail: oostendorp@rullet.leidenuniv.nl

Het secretariaat van de werkgroep berust bij Mr J.H.Erasmus, Laan van Oostenburg 40 NL 2271 AP Voorburg,
tel./fax: 31 70 3863529


[Terug][Inhoudsopgave][Verder]