Verantwoording

Ik heb twee redenen om deze verantwoording te schrijven. De eerste reden is om eer te doen toekomen aan wie het toekomt. De taalkundige literatuur is behoorlijk uitgebreid. Het Nederlands hoort daarbij tot de best bestudeerde talen. Veel van de dingen die ik in dit boek beweer zijn ontleend aan of gebaseerd op het werk van anderen. De belangrijkste werken van die anderen wil ik hier noemen. Ik probeer iedereen zoveel mogelijk recht te doen. De tweede reden is om u in staat te stellen verder te lezen. Ik heb in dit boek een overzicht willen geven van een aantal interessante klankverschijnselen die voorkomen in talen die in Nederland gesproken worden. Omdat de ruimte beperkt is en veel lezers waarschijnlijk weinig geduld hebben voor al te uitgebreide nuanceringen of samenvattingen van omvangrijke specialistische discussies, heb ik een keuze gemaakt. Ik heb altijd mijn eigen favoriete theorie gekozen, tenzij die theorie te excentriek was. Hier wil ik u de mogelijkheid geven om ook andere meningen te horen. Omdat de literatuur zo omvangrijk is, blijft ook dit uiteindelijk maar een selectie.

Allereerst wil ik een aantal algemene boeken noemen. De beste inleiding in de ideeën die in de moderne taalkunde die geïnspireerd is door het werk van Chomsky, opgeld doen, is The language instinct van Steven Pinker (verschenen als Penguin-pocket, 1994; een Nederlandse vertaling verscheen in 1995 bij uitgeverij Contact onder de naam Het taalinstinct). Een Nederlandstalige inleiding in de fonologie is Universele fonologie van Anneke Neijt (Uitgeverij Foris, 1992). Mieke Trommelen en Wim Zonneveld schreven samen een zeer interessant inleidend boek met het door mij juist nogal verwaarloosde onderwerp van Nederlandse klemtoon als centraal thema: Klemtoon en metrische fonologie (uitgeverij Coutinho, 1991). Het Engelstalige boek The phonology of Dutch, van Geert Booij, hoogleraar aan de vrije Universiteit in Amsterdam (uitgegeven bij Oxford University Press, 1995), geeft een overzicht van bijna alle bekende feiten over de klanken van het Nederlands. Iemand met serieuze ambities zich in het vak te verdiepen kan Generative phonology van Michael Kenstowicz lezen (Uitgeverij Basil Blackwell, 1995). Een uitstekende inleiding in de fonetiek is Spreken en verstaan (uitgeverij Van Gorcum, 1989) van S.G. Nooteboom en A. Cohen. De meest recente Nederlandstalige inleiding in de morfologie, de theorie over inflectie, derivatie en samenstelling, is Morfologie van Geert Booij en Ariane van Santen (Amsterdam University Press, 1995); een uitgebreide beschrijving van ongeveer alles wat bekend is op dit gebied wordt gegeven in het Morfologisch Handboek van het Nederlands van Wim de Haas en Mieke Trommelen (uitgeverij SDU, 1994). Veel van de theorieën die in dit boek verkondigd worden zijn ontleend aan de optimaliteitstheorie (hiervoor heb ik gebruik gemaakt van veelal ongepubliceerd werk van de Amerikaanse taalkundigen Alan Prince, Paul Smolensky en John McCarthy; de meest prominente Nederlandse voorstander van deze benadering is de Utrechtse onderzoeker René Kager). De hier gepresenteerde ideeën over de manier waarop articulatorische factoren van invloed zijn op de manier waarop spraakklanken fonologisch gestructureerd worden, zijn sterk beïnvloed door het boek Grounded Phonology van Diane Archangeli en Douglas Pulleyblank (MIT Press, 1995).

De kleurentheorie uit hoofdstuk 2 wordt het meest geprononceerd uitgewerkt in de fonologische theorieën die Government Phonology en Dependency Phonology heten. De beste inleiding in het gedachtengoed dat deze theorieën vertegenwoordigen vindt u in het recente boek English Sound Structure van John Harris (uitgeverij Basil Blackwell, 1995). Dat boek gaat bovendien uit van een vergelijkbare gedachte als hier verdedigd is: bijna alles wat interessant is aan fonologische processen kan volgens Harris ook ergens in het Engels worden aangetroffen.

De observaties over kindertaalfonologie in hoofdstuk 3 zijn ontleend aan het proefschrift On the acquisition of place dat Claartje Levelt in 1994 verdedigde aan de Universiteit van Leiden en dat ook aldaar te krijgen is.

Over gebarentaal heeft de taalkundige Liesbeth Koenen een zeer toegankelijk boek geschreven dat Gebarentaal heet (uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, 1994). Aan het eind van haar boek geeft Koenen bovendien een lijst verwijzingen die ook de lezer van dit boek zullen interesseren. Mijn kennis over de fonologie van die taal ontleen ik geheel aan Harry van der Hulst, die er overigens eigen, zeer oorspronkelijke, ideeën over dit onderwerp op na houdt.

Het werk over het bijbels Hebreeuws in hoofdstuk 6 is ontleend aan de Israëlische taalkundige Outi Bat-El (met name aan haar artikel 'Onset violation in Tiberian Hebrew' in de bundel Phonology in Santa Cruz 1994, verschenen bij de Universiteit van Californië).

Mijn ideeën over spelling zijn gedeeltelijk beïnvloed door Anneke Neijt. Om kennis te nemen van haar eigen ideeën kan de lezer kennis nemen van het eerder genoemde boek Universele fonologie, en naar het door haar geredigeerde boek De spellingcommissie aan het woord (uitgeverij SDU, 1994).

Sommige observaties over het Tilburgs in de hoofdstukken 8 en 9 zijn te danken aan Dirk Boutkan en na te slaan in het door deze geleerde in samenwerking met M. Kossmann samengestelde boekje Het stadsdialekt van Tilburg; Klank- en vormleer, dat wordt uitgegeven door het P.J. Meertensinstituut te Amsterdam. Alles wat ik in dit boek over het Limburgs rapporteer, heb ik ontnomen aan het werk van en gesprekken met Ben Hermans. Zijn eigen ideeën zijn te vinden in zijn VU-proefschrift The composite nature of accent en een artikel van zijn hand 'Palatalisatie in een Limburgs dialekt' in de door Geert Booij en J. van Marle voor het Meertensinstituut samengestelde bundel Dialectfonologie.

Over de geschiedenis van de twintigste-eeuwse fonologie bestaat voor zover ik weet maar één compleet boek. Maar dat is meteen ook bijzonder goed en zeer toegankelijk: Stephen Anderson's The history of phonology, een uitgave van University of Chicago University Press (1990).

Battus' Opperlandse taal- en letterkunde (Querido, 1983) is ook te gebruiken voor wie geïnteresseerd is in de Nederlandse taalkunde. De dikke grammatica over het Esperanto heet Plena analiza gramatiko en is geschreven door K. Kalocsay en G. Waringhien (uitgeverij Universala Esperanto Asocio, Rotterdam, 1985).

Over de r is veel geschreven; u kunt proberen het R-nummer van het dialectologische tijdschrift Taal en Tongval te bemachtigen dat geheel aan deze ene klank gewijd is (verschenen in 1995).

Jan Nijen Twilhaar (zijn proefschrift Generatieve fonologie en de studie van de Oostnederlandse dialecten verscheen bij het Meertensinstituur, 1991), Leo Wetzels ('Umlaut en verkleinwoordvorming in het Schinnens' in Gramma, 1991) en Clemens Bennink in ongepubliceerd werk bestudeerden de Nederlandse umlaut. Mieke Trommelen en Harry van der Hulst zijn de autoriteiten op het gebied van de Nederlandse lettergreep sinds de verschijning van hun proefschriften: respectievelijk getiteld The syllable in Dutch (Universiteit Utrecht, 1983) en Syllable structure and sress in Dutch (Rijksuniversiteit Leiden, 1984). De Franse lettergreep is behandeld door Ronald Noske in zijn proefschrift A theory of syllabification and segmental alternation, dat verscheen bij de uitgeverij Niemeyer in Tübingen (1993). Over de manier waarop die lettergrepen verworven worden schreef Paula Fikkert haar proefschrift On the acquisition of prosodic structure (Rijksuniversiteit Leiden, 1994).

De analyse van tonen in het Kikuyu is ontleend aan John Goldsmith's book Autosegmental and metrical phonology (Basil Blackwell, 1990).

Wim Zonneveld is de onderzoeker die ontdekt heeft dat klemtoon de afgelopen 700 jaar nauwelijks veranderd is op basis van de metrische structuur van de Lutgart-legende (een artikel over deze kwestie verscheen in Spektator, 1994). De manier waarop de zuigeling zijn problemen oplost en de methode waarop de onderzoeker daar achter komt, zijn beschreven in een ongepubliceerd werk van Marina Nespor.

Voor een klein gedeelte is de hier gepresenteerde spellingsanalyse ontleend aan het werk van Jet Wester ('De Tao van taal' in Gaat het Nederlands teloor?, ECI, 1989). Alles wat ik weet over Noorditaliaanse intervocalische s-verstemming, heb ik uit Prosodic phonology van Marina Nespor en Irene Vogel (uitgeverij Foris, 1986).

De geschiedenis van de debatten over het verschil tussen A-klinkers en B-klinkers, over diftongen en over sjwa zijn zo lang dat ik liever verwijs naar de literatuurlijst van mijn eigen proefschrift Vowel quality and phonological projection (Katholieke Universiteit Brabant, 1995).

Over de bijzonderheden van coronale medeklinkers zoals s en t kunt u, ten slotte, The special status of coronals lezen (een bundel artikelen onder redactie van Carole Paradis en J.F. Prunet, verschenen bij Academic Press, 1991).

Zoals veel disciplines heeft ook de taalwetenschap het Internet ontdekt als een middel om snel informatie te verspreiden. Vrijwel alle recente (Engelstalige) artikelen op het gebied van de optimaliteitstheorie en de algemene fonologische theorie zijn verkrijgbaar via het Rutgers Optimality Archive: ftp://ftp.ruccs.rutgers.edu/pub/OT/TEXTS/.

terug / inhoudsopgave / vooruit