De regenboogkleuren van het Nederlands

Ik ben fonoloog. Ik doe geen stemoefeningen als ik 's ochtends opsta, net zomin als de meeste andere mensen. Ik ben ook niet bijzonder muzikaal. Mijn oren zijn niet beter dan die van iemand anders. Ik luister wel graag. Als u met mij spreekt hoor ik u natuurlijk aandachtig aan en ik probeer te begrijpen wat u tegen me zegt. Maar ik luister tegelijkertijd ook naar de manier waarop u spreekt en ik kijk naar uw mond. Ik kijk graag naar monden, vooral als ze spreken.

Alle mensen hebben bij hun geboorte een bijzondere gave meegekregen en als baby hebben ze die gave ook met onbegrijpelijke ijver tot bloei gebracht en geperfectioneerd. Helaas hebben veel mensen daarna alle belangstelling voor hun gave verloren. Ze spreken en ze luisteren de hele dag, ze kijken misschien af en toe naar een bijzondere mond, maar hoe dat allemaal precies toegaat in hun hoofd en in hun spraakkanalen houdt ze niet bezig.

Ik denk ook niet dat fonologische kennis extreem nuttig is op de manier waarop veel mensen dat graag willen. Er zijn maar weinig apparaten die we kunnen bouwen op basis van de huidige theorieën. Iedereen die tegen u beweert dat hij een computer heeft die tegen hem spreekt of die hem kan verstaan kunt u uitlachen. Het is misschien niet onmogelijk dat zo'n machine ooit gebouwd wordt, maar voorlopig is gewone mensentaal te ingewikkeld voor technologie. Ook belangrijke maatschappelijke problemen kunnen niet worden opgelost met fonologie. Ik zou kunnen wijzen op mensen met een hersenafwijking en een taalprobleem, die geholpen zouden kunnen worden met wat fonologische kennis. Ik zou kunnen wijzen op de vele buitenlanders die naar ons land komen en Nederlands moeten leren. Ik zou zelfs kunnen wijzen op de enorme gevaren die onze taal bedreigen, zoals de Europese Gemeenschap en Hollywood. Sommige taalkundigen geven dit soort argumenten als rechtvaardiging voor hun vak. Maar ik geloof er helaas niets van. Voor zover mensen met een hersenbeschadiging en buitenlanders problemen hebben, weet ik niet hoe ze opgelost moeten worden. Over de fonologie is, vrees ik, op dit moment nog te weinig bekend en er zou meer fundamenteel onderzoek nodig zijn om er iets zinnigs over te zeggen. En als ik de hoeveelheid Nederlandstalige tijdschriften, boeken en televisiestations tel, krijg ik niet de indruk dat ik een bedreigde taal bestudeer.

Een andere eis die mensen wel aan de taalkundige stellen is dat hij regels geven moet. Hij moet vertellen wat goede en wat niet-goede taal is. De ware taalkundige kenmerkt zich doordat hij ingezonden brieven naar de krant schrijft om de mensen op hun fouten te wijzen. De onderzoeker moet een taalkundige dansleraar zijn, die de mensen vertelt wat ze wel of niet mogen. De fonoloog komt nooit aan die berispingen toe. Hij heeft het te druk met het bestuderen van die zogenaamde fouten. Wie weigert dit soort nuttigheden te noemen kan nog steeds alleen onderzoek doen als hij zich prins kan noemen zoals Trubetskoj indertijd.

Een grote bijdrage aan het bruto maatschappelijk produkt levert de fonologie dus volgens mij niet. Daar staat overigens wel tegenover dat dit onderzoek ook niet duur hoeft te zijn. Een potlood en een stuk papier volstaan. Met die minimale middelen ontdekt een goede taalkundige een verzameling mirakels en mirakeltjes, die voor niemand ver weg hoeven te zijn omdat ze bij iedereen onder de schedel te vinden zijn. Vrijwel iedereen maakt de hele dag klanken, vrijwel iedereen hoort de hele dag mensen praten. Nog nooit in de vaderlandse geschiedenis zijn er zoveel mensen geweest die Nederlands spraken en nog nooit is de taalkundige variëteit zo groot geweest. Weliswaar verdween een aantal dialecten in de loop der tijd. Daar staat tegenover dat we veel mensen erbij hebben gekregen met een eigen taalkundige achtergrond en een eigen tongval. De wonderen zijn overal om ons heen.

Ik heb in dit boek willen vertellen over de stand van zaken in mijn mooie vakgebied, vooral waar het gaat over enkele taalvarianten die in Nederland gesproken worden. Ik heb daarbij veel overgeslagen, en bijvoorbeeld niets gezegd over het Fries, en ook veel Nederlandse dialecten en veel immigrantentalen overgeslagen, maar op zijn minst heb ik toch een indruk willen geven van de vragen die de fonoloog bezighouden en de houding die hem kenmerkt. Een houding van belangstelling voor de manier van praten van anderen en daarmee uiteindelijk van zichzelf. Ook als die belangstelling niet onmiddelijk een machine of een therapie oplevert. Een belangrijke conclusie uit al het onderzoek is dat alle menselijke talen in essentie gelijk zijn. Ogenschijnlijk vreemde klankeigenschappen van een taal kunnen vrijwel nooit worden teruggevoerd op culturele of raciale eigenschappen van de mensen die de taal spreken. Het zijn eigenlijk altijd eigenschappen die volgen uit het algemeen-menselijke taalvermogen dat iedereen heeft, afgezien van enkele mensen met een ernstige aangeboren afwijking.

Helaas gaat het niet goed met het Nederlandse onderzoek naar de fonologie. De afgelopen vijftien jaar zijn er doorlopend strenge bezuinigingen doorgevoerd op de letterfaculteiten. Met name de meer fundamentele vakken zoals de klankleer zijn hiervan het slachtoffer geworden. Een gevolg is dat er in Nederland geen groep fonologen is die niet met opheffing bedreigd wordt. Een ander gevolg is dat er bij mijn weten geen onderzoeker in dit vak is onder de veertig met een serieuze betrekking bij een Nederlandse universiteit. Sommigen werpen zich op het onderzoek dat wordt toegepast op computers of taalonderwijs, ook al biedt dat weinig hoop op resultaten zolang we niet meer weten over de fundamentele eigenschappen van taal. Anderen trekken weg naar het buitenland. Omdat het ook steeds moeilijker wordt om geld te vinden voor promovendi is de angst gerechtvaardigd dat het vak zeer donkere tijden tegemoet gaat. Nederland heeft in de twintigste eeuw een rijke traditie aan taalkundig onderzoek opgebouwd, enkele van de beroemdste fonologen waren en zijn Nederlanders. Op de top van de berg Nebo wordt het onderzoek nu met een onbarmhartig einde bedreigd.

Ik wil niet eindigen op een treurige noot. Voor de oorlog schreef de taalkundige Jacques van Ginneken een boek over taal dat hij De regenboogkleuren van het Nederlands noemde. Elke tongval gaf een extra kleur aan het palet. Sinds die tijd is het aantal kleuren op het palet alleen maar toegenomen. Er zijn zoveel mensen naar Nederland gekomen met zo veel verschillende manieren om hun tong te bewegen dat alles wat mogelijk is ook inderdaad lijkt voor te komen. Niemand hoeft ver te reizen om de prachtigste klanken te horen. Wat mogelijk is, gebeurt hier. En er is veel mogelijk.

Toch zit er systeem in al die verschillen. Een systeem dat ons iets kan leren over ons lichaam en onze geest. Met die nieuw verworven kennis kunnen we geen apparaten bouwen, geen sociaal werk verrichten en geen regels opstellen. Maar we kunnen er wel van genieten.

terug / inhoudsopgave / vooruit