De Indische i

Geschiedkundigen zouden een uitgebreid onderzoek kunnen doen naar de manier waarop Nederlandse kolonialen gedacht hebben over de oren van Indonesiërs. Het is een algemeen verschijnsel dat mensen luider gaan praten als ze niet verstaan worden, zelfs als dat niet-verstaan aantoonbaar niets te maken heeft met slecht functionerende oren. De voorbeelden van toeristen die in Spanje of Griekenland op steeds luidere toon hun in het Nederlands geformuleerde klachten uitspreken tegen de autochtone hoteleigenaar zijn legio. Maar in de Gordel van Smaragd ontdekten blanke regeringsambtenaren een wel erg vreemde vorm van doofheid. Dat blijkt uit fragmenten als het volgende:

Het is van algemene bekendheid, dat èn de leerlingen èn veel onderwijzers op verkeerde wijze spreken en dat bovendien het Indische kind zeer veel klanken bijzonder slecht hoort en nazegt. We willen hiervan slechts enkele voorbeelden aanhalen, maar merken daarbij op, dat zijn klinkers bijna niet weer te geven zijn door een onzer klanken, het zijn meest alle tonen, liggende tusschen aa en a, ee en e, ie en i, enz.

Dit fragment komt uit een boekje met de titel Beknopte klankleer; Gehoor-, uitspraak- en leesoefeningen voor de Indische scholen. Ook in de titel komen dus weer de gehoorproblemen ter sprake waarmee het Indische kind in de ogen van de Nederlanders te kampen had.

Als we de term 'gehoorproblemen' een beetje ruim begrijpen, valt er misschien wel iets te zeggen voor de opvatting die de schrijver van de Beknopte klankleer verkondigde. Natuurlijk mankeerde er niets aan de oren van de meeste Indische kinderen. Maar modern psychologisch onderzoek wijst uit dat het luisteren naar taalklanken andere delen van de hersenen activeert dan andere vormen van luisteren. Bij het beluisteren van taalklanken leggen mensen de gehoorde klanken over een mal waarmee ze alle klanken die ze horen vergelijken. Die mal bestaat uit de klanken van hun moedertaal. Voor andere geluiden bestaat zo'n mal niet.

Het is moeilijk verschillen tussen taalklanken te horen als uw moedertaal dat verschil niet maakt. Chinezen maken geen verschil tussen een r en een l. In plaats daarvan vormen ze een klank die in onze oren een beetje halverwege tussen de twee liquidae zit. Chinezen hebben er om die reden niet alleen moeite mee om een duidelijke r te maken, ze horen in het begin ook nauwelijks het verschil tussen raad en laad als iemand anders dat maakt. Niet omdat ze slechte oren hebben, maar omdat hun geestelijke mal hun niet toestaat dat verschil te horen.

Uit de inleidende opmerking van de Beknopte klankleer kunnen we afleiden dat Indische kinderen een soortgelijk probleem hadden met klinkers. Ze konden het verschil niet horen tussen een aa en een a en maakten zelf een klank die er voor Nederlandse oren tussenin lag. Ze hadden dus vooral een taalprobleem en geen probleem met hun oren. Dat blijkt ook als we de lijst met voorbeelden uit de Beknopte klankleer bestuderen. Vrijwel al die voorbeelden zijn zonder problemen te begrijpen uit de theorieën die ik eerder in dit boek heb uitgelegd. Ik zal die onderwerpen hieronder één voor één bespreken. De lijst begint veelbelovend:

Rand, iemand, maand wordt raan, iemaan, man.

Staan, gaan, aardig wordt stan, han, ardih.

Deze voorbeelden geven enkele eigenaardigheden te zien de t die verdwijnt, de g die vervangen werd door een h die hieronder nog ter sprake komen. De reden waarom de Beknopte klankleer deze voorbeelden apart noemt, lijkt vooral de verwisseling van aa en a te zijn. Als het echt een 'verwisseling' was, als alle Standaardnederlandse a's consequent aa werden en alle aa's a's, viel de Indische tongval moeilijk te begrijpen, maar waarschijnlijk hadden al deze woorden dezelfde klinker, ergens 'tusschen aa en a'. Het Maleis maakt geen verschil tussen die twee klinkers en heeft zelf inderdaad een klinker die ergens halverwege de Hollandse klinkers ligt. Om precies dit paar van a en aa te horen verwisselen, hoeft men overigens niet naar de tropen te reizen. Ook in Nederlands en Vlaams Brabant, in Tilburg bijvoorbeeld, kan men al enkele honderden jaren horen dat die twee klinkers stuivertje verwisselen.

De Nederlandse onderwijzer hoorde alleen dat die klinker fout was. Hij vond dat het Indische kind rand moest zeggen, maar hoorde een verkeerde klinker. Dat moest dus wel een aa zijn volgens de Nederlandse mal. Vervolgens moest het kind gaan zeggen en gebruikte daarvoor weer de Maleise klinker. Ook hier hoorde de Nederlander weer alleen de fout. Dus moest de klinker volgens zijn mal een a zijn.

De verwisseling was dus het resultaat van twee paar oren die elkaar verkeerd begrepen. Het Indische kind hoorde het verschil tussen a en aa niet en de Nederlandse onderwijzer hoorde alleen dat het kind het overal 'anders' deed. En iets anders doen dan een Nederlandse onderwijzer wil is per definitie fout.

Volgens de inleiding van de Beknopte klankleer verwisselden Indonesiërs ook de ie en de i, de ee en de e. Als we de voorbeelden bestuderen die op die inleiding volgen, zien we dat die opmerking niet helemaal accuraat is:

deze, lees, weet wordt disse, lis, oewit.
visch, mis wordt vees, mees.

Het zijn de ee en de i die met elkaar verwisseld worden. Dat is ook precies wat we verwachten als we niet kijken naar de spelling (waar inderdaad i een paar vormt met ie, en e met ee), maar naar de klinkerdriehoek. De i en de ee staan veel dichter bij elkaar in de mond dan bij de ie of de e.

De volgende voorbeelden hebben eveneens te maken met klinkers:

zijn, wijs, kijk wordt sen, oewes, kek.
vuil, ruil wordt vul, rul.

Ook voor deze 'fouten' hoefde men nooit naar Nederlands Indië te vertrekken. We hebben hier te maken met diftongen en zo te zien werden die door de Indonesiërs op min of meer dezelfde manier behandeld als door de Hagenaars: alleen het lage deel van de klinker werd uitgesproken. Overigens hadden de meeste Indische kinderen waarschijnlijk nog nooit een Hagenaar gehoord. Dat ze dezelfde oplossing kozen had dan ook alleen maar te maken met het feit dat hun monden en hun geest hetzelfde gebouwd waren als die van de gemiddelde inwoner van Den Haag.

Dat het Indisch Nederlands ook kon lijken op het Nederlands dat weer in een heel ander deel van de wereld, ver weg van zowel Europa als Indonesië, gesproken werd, blijkt uit voorbeelden zoals de volgende:

wat, dat, lat wordt oewaat, daat, laat.
water, woord wordt oewattèr, oewor.

Waarschijnlijk moeten we de spelling van de w-klank hier interpreteren als de klank die ik Surinaamse w genoemd heb. Ook Indische kinderen maakten de w met hun lippen, in plaats van dat ze hun tanden op hun onderlip plaatsten. Het voorbeeld oewattèr is bovendien interessant om een andere reden: het accent op de laatste klinker. In het Europees Nederlands is die klinker een sjwa, maar dat accentje wijst erop dat het in het Indisch Nederlands waarschijnlijk de klinker uit pet was.

Waarschijnlijk had dat te maken met een andere Indische 'fout', die verder in het lijstje van de Beknopte klankleer niet voorkomt maar die door veel Nederlanders wel als een van de kenmerkendste eigenschappen van het Indisch Nederlands werd gezien: de klemtoon lag altijd op de laatste lettergreep. Welbekende woorden werden daarom uitgesproken bijvoorbeeld als poskantóór, amtenáár en klemtóón.

Ook in water werd die klemtoon op de laatste lettergreep gelegd. Nu is een stomme e zoals ik heb laten zien niet te verenigen met klemtoon. In de meeste talen van de wereld staat die klinker nooit in een beklemtoonde lettergreep. Dat geldt onder andere voor het Nederlands en voor het Indonesisch. Als nu de klemtoon op de laatste lettergreep moet vallen, is het beter om een andere klinker in die lettergreep te zetten. De e van pet bijvoorbeeld.

Het Indisch Nederlands verschilde in dat opzicht niet veel van het Frans. Ook in die taal valt de klemtoon altijd op de lettergreep en ook in die taal verandert een stomme e in een e als in pet wanneer hij in de laatste lettergreep komt te staan. In het woord appeller (noemen) staat er bijvoorbeeld een stomme e tussen de p en de l. Als we de uitgang -er eraf halen, houden we appelle over. De klemtoon ligt nu op de lettergreep pel, en de klinker verandert in de e van pet. Hetzelfde deden de Indische kinderen. Anders dan de Fransen maakten ze overigens wel een verschil tussen verschillende soorten stomme e. In de volgende voorbeelden kregen de stomme e's bijvoorbeeld geen klemtoon en ze veranderden niet in de e van pet:

lachen, pochen wordt laahen, pohhen.

Wat is het verschil tussen de e in water en die in lachen? Het feit dat de tweede een deel van de inflectie is (lach-en, poch-en) en de eerste een deel van de stam zou hier van invloed kunnen zijn. Het is mogelijk dat de kinderen liever geen klemtoon legden op de inflectie. In sommige talen die in Indonesië gesproken worden kan dat nog altijd niet, dus het is niet erg buitenissig om dat te denken.

Waarschijnlijk gaf de Beknopte klankleer de zojuist aangehaalde voorbeeld niet om hun boeiende klemtoon, maar om een ander verschijnsel dat we in een paar voorbeelden ook al hadden zien opduiken: in plaats van g of ch zeiden de Indische kinderen kennelijk h. De g is zo ongeveer de meest Nederlandse klank is die er is. Veel Europeanen kunnen ook geen Scheveningen zeggen. Dat de h in plaats komt van die moeilijke klank is ook niet zo bijzonder. Dat is immers een soort minimale ruisklank.

Ook de volgende voorbeelden hoeven geen verbazing te wekken voor iedereen die iets weet over de dialecten van het Europees Nederlands:

beeld, deelt, eens wordt bil, dil, ins.
hij zegt, vraagt, heeft wordt seh, vrah, hif.
ik loop, speel wordt lopt, spilt.

De eerste voorbeelden laten zien dat de Indische kinderen een t aan het eind van een woord weglieten. Op zichzelf is dat niet zo vreemd. Vormen als kas in plaats van kast, zach in plaats van zacht, heb in plaats van hebt vinden we ook in een groot aantal Nederlandse dialecten. Het enige bijzondere is dat in het Indisch Nederlands de t ook na een sonorant als de l of de n kon verdwijnen. In de meeste Europese dialecten is dat niet mogelijk: *beel in plaats van beeld zeggen, of *kan in plaats van *kant hoort u een Hollander nog niet doen.

De voorbeelden hij seh, vrah, hif en ik lopt, spilt wijzen nog op iets anders, namelijk dat de inflectie van het Indische werkwoord wat anders was dan die van de standaardtaal. Waarschijnlijk hadden alle vormen in het enkelvoud een t: ik loopt, jij loopt, hij loopt. Die t kon vervolgens soms verdwijnen, net zoals ze verdween beel en kas.

Dit verschijnsel is ook bekend uit Zuidhollandse dialecten, waarin de t aan het eind van een woord vrijwel willekeurig weggelaten kan worden. In sommige dialecten kan iemand ook zeggen: ik loopt. Die dialecten zijn tamelijk populair bij komieken. Als u iemand humoristisch hoort doen, is de kans groot dat hij ineens ik loopt begint te brullen. Zonder dat hij daarbij een Indisch kind wil imiteren.

Een andere mogelijke verklaring is dat de kinderen de Nederlandse werkwoordsinflectie te moeilijk vonden. Hun moedertaal maakte geen verschil tussen eerste, tweede of derde persoon van het werkwoord zoals het Nederlands doet. Het Indonesische kind had dus ongeveer hetzelfde probleem als veel Nederlandstaligen hebben met Duitse naamvallen. Die verwisselen ook weleens een datief met een accusatief.

Voor het laatste voorbeeld uit de Beknopte klankleer hebben we wat minder aanknopingspunten in de Europees Nederlandse dialecten. Toch is ook die 'fout' niet zomaar een willekeurige afwijking van de uitspraak die de meeste Nederlanders van die woorden hebben.

plannen wordt pelanen.

Waarschijnlijk is de e tussen de p en de l hier een stomme e. In ieder geval wordt die klinker tussengevoegd in soortgelijke woorden die het Indonesisch uit het Nederlands of andere westerse talen heeft overgenomen. Het woord voor school is bijvoorbeeld sekolah met een stomme e.

We hebben hier te maken met een goed voorbeeld van svarabhakti. Een klinker wordt gevoegd tussen twee medeklinkers om de lettergreep beter te maken. In het Europees Nederlands gebeurt dat niet in het woord plannen, omdat in die taal twee medeklinkers in een aanzet van een lettergreep mogen staan. In het Indisch Nederlands mocht dat niet, net zo min als het in het Indonesisch mag. Dus werd er een lettergreep bij gemaakt door een stomme e tussen te voegen.

Het 'foute' Indisch Nederlands leek in de klemtoon op het Frans, in de inflectie op het Rotterdams, in de behandeling van de w op het Surinaams en in de behandeling van de diftongen op het Haags. Maar vooral had het natuurlijk allerlei unieke eigenschappen waarover we van alles hadden kunnen leren over het menselijk taalvermogen.

De schrijver van de Beknopte klankleer laat de lijst die ik hierboven opgesomd heb volgen door een venijnig zinnetje: 'Die gebreken kunnen verholpen worden'. Het is een wrede speling van de geschiedenis dat op het moment dat niemand meer over de Indische uitspraak zou schrijven als een gebrek, al die interessante verschijnselen op het punt van verdwijnen staan. Er zijn nog maar weinig mensen die deze variant van onze taal spreken. Die mensen zijn oud en hebben hun hele leven lang geprobeerd hun taal aan te passen aan de Europese variant van het Nederlands. Het is spijtig dat niemand indertijd de moeite heeft genomen om het Indisch Nederlands te bestuderen in plaats van het zo snel mogelijk uit te roeien. En het is te hopen dat iemand de moeite neemt om de resten van het Indisch Nederlands op te tekenen, nu het nog kan. Over een paar jaar is er niets meer van over en zullen we het moeten doen met de koloniale ideeën van de Beknopte klankleer.

terug / inhoudsopgave / vooruit