De amusante s

Als hij niet in zijn studeerkamer zit om de Vowel Shift te bestuderen, zit de rechtgeaarde fonoloog rond etenstijd voor de televisie. Op dat moment worden op bijna alle kanalen spelprogramma's uitgezonden. De meeste van die spelletjes hebben iets te maken met letters. De deelnemers krijgen een hoeveelheid letters te zien en moeten daar binnen een bepaalde tijd zo veel mogelijk Nederlandse woorden mee vormen. Zulke programma's zijn voer voor fonologen. De kandidaten beginnen als bezeten de letters in allerlei volgordes te arrangeren. Zodra ze het idee hebben dat de gevonden combinatie weleens een Nederlands woord zou kunnen zijn, roepen ze het en kijken verwachtingsvol naar de spelleider. Als die het woord ook niet kent, verplaatst de aandacht zich naar de deskundige jury. Deze jury krijgen we nooit te zien. Waarschijnlijk bestaat zij uit een redacteur van het programma die het woord intikt in een computer met een grote gegevensbank vol woorden. Staat het opgegeven woord in de computer, dan is het 'goed' en krijgen de kandidaten een punt en een compliment van de spelleider. Staat het woord er niet in, dan is het 'fout' en bijgevolg verstrakken de gezichten. De zaak is voor deze kandidaten verloren.

In de huiskamer zit ik ondertussen op het puntje van mijn stoel. Het mysterie van het menselijk taalvermogen is weer even gedemonstreerd en via het kijkkastje honderdduizenden huizen binnengeslingerd. Een paar willekeurige taalgebruikers hebben een woord bedacht en uitgesproken waarvan iedereen een paar seconden heeft gedacht dat het best een Nederlands woord zou kunnen zijn. Er moest een computer aan te pas komen die 'bewees' dat het woord nooit eerder door iemand bedacht was en op basis van die overweging besloot dat het woord géén Nederlands was.

Laatst zag ik twee mannen die onder andere de letter e, l, o, p, s en t tot hun beschikking hadden. Nadat ze de meer voor de hand liggende vormen zoals step en sloep hadden opgebruikt, riep één van die twee mannen ten slotte postel. Hij maakte van de e een stomme e en sprak die vervolgens uit als een oh-achtige klank, zoals we zouden verwachten.

Ik heb dit woord al enkele malen als voorbeeld gebruikt. Als u het zou horen, zou u ook niet weten of het wel of geen Nederlands is. Het klinkt zeer aannemelijk; uit de klank kunnen we niet opmaken of dit woord ooit eerder is gebruikt of niet. Als de mannen bijvoorbeeld ptlseo! hadden geroepen was er geen computer nodig geweest. Sterker nog, zo'n woord zal nooit iemand in zo'n spelletje bedenken.

We kunnen dus verschil maken tussen drie soorten woorden: bestaande woorden ÷ dat zijn ruwweg de woorden die in de computer staan; mogelijke woorden ÷ dat zijn de woorden die aan de computer worden gevraagd; en onmogelijke woorden ÷ dat zijn de woorden die niemand ooit roept.

De niet-bestaande mogelijke woorden zijn voor een fonoloog het interessantst omdat ze iets vertellen over het menselijke taalsysteem. Nederlanders en Vlamingen hebben kennelijk een intuïtief idee over wat een mogelijk Nederlands woord is en wat niet. Dat ze zo'n intuïtie hebben over het woord fiets heeft waarschijnlijk vooral te maken met hun geheugen. Ze kunnen zich eenvoudigweg herinneren dat ze dat woord ooit hebben gehoord. Bij het woord postel is er iets anders aan de hand. Kennelijk had niemand dat woord ooit gehoord, net zo min als iemand ooit ptlseo gehoord heeft. Het geheugen speelt hier dus geen rol van betekenis.

Merkwaardig is vooral ook dat alle Nederlanders meteen lijken te weten hoe dat woord postel uitgesproken moet woorden. Ik weet zeker dat u die eerste o in gedachten kort hebt gemaakt, ook al lijkt het woord nog zo veel op poster waarvan de eerste klinker in de uitspraak van de meeste mensen lang is. U hebt daarmee onbewust een lettergreepgrens gelegd. U meende dat het woord pos-tel moest zijn en niet po-stel. Waarom dacht u dat? Aan de vorm van de lettergrepen kan het niet gelegen hebben. Op zichzelf zijn po en stel allebei goede lettergrepen en er is geen reden om ze niet bij elkaar in een woord te zetten.

Net als de deelnemers aan de quiz hebt u naar alle waarschijnlijkheid ook nog gedacht dat de tweede klinker wel als een stomme e zou klinken. U had daar ook aan een volle e kunnen denken, zoals in de tweede lettergreep van herstel, maar ik weet bijna zeker dat u dat niet gedaan hebt.

Ik denk dat deze twee onwillekeurige keuzen allebei te begrijpen zijn. Allereerst heeft u het nieuwe woord natuurlijk zoveel mogelijk willen laten lijken op het ideale woord tata. De klemtoon moest daarvoor komen te liggen op de eerste lettergreep. Nu is de stomme e een uitstekende klinker om onbeklemtoonde plaatsen in een woord te vullen. Sterker nog, wie een beetje snel en zorgeloos praat heeft de neiging om alle onbeklemtoonde klinkers tot stomme e's te maken en fonelegie te zeggen in plaats van fonologie, zoals we hebben gezien. Het is dus niet zo vreemd dat u de tweede lettergreep onbeklemtoond maakt en dat u de tweede lettergreep daarom als een stomme e uitspreekt.

Dan blijft de vraag waarom u de eerste klinker niet als een lange oo uitspreekt. In de eerste plaats hangt dit samen met het feit dat u de s kennelijk als deel van de eerste lettergreep ziet, en niet als deel van de tweede. Maar waarom doet u dat? We hebben al gezien dat coronale medeklinkers een bijzondere rol in de lettergreepstructuur spelen. Ze kunnen op plaatsen staan waar andere medeklinkers dat niet kunnen. In het bijzonder de s kan zowel aan het begin (strop) als aan het eind (groots) als extra medeklinker aan de rand van een lettergreep staan waar andere medeklinkers dat niet kunnen.

We zouden de lettergreepstructuur van de woorden strop en groots als volgt kunnen tekenen:

 
L
  A R
  /\ /\
s tr op

 

L
 
A R  
/\ /\  
g r o o t s

De s staat in beide gevallen buiten de eigenlijke lettergreepstructuur. Het merkwaardige is nu dat het hierbij vooral gaat om de randen van woorden. Binnen in een woord zetten we de s liever in een 'gewone' lettergreepplaats. Dus hoewel st aan het begin van een woord best een mogelijke aanzet van een lettergreep kan zijn, vinden we deze combinatie vrijwel niet als aanzet van lettergrepen die middenin een woord staan. Hooguit vinden we dan woorden als herstel ÷ dat woord heeft echter een duidelijke relatie met stellen waar de combinatie st weer wel aan het begin voorkomt.

Het woord poster is wat dat betreft een uitzondering. Het is dan ook een Engels woord. Bovendien hebben de mensen die woorden graag op z'n Nederlands uitspreken ÷ zoals sommige Vlamingen ÷ de neiging om ook in dat woord de eerste klinker uit te spreken als in post en de lettergreepstructuur enigszins te normaliseren.

In de rest van de Nederlandse woordenschat staat de lettergreepgrens tussen de s en de t als die twee klanken naast elkaar staan: pasta, koster, pastel. Ik heb het dan overigens over ongelede woorden. In een woord als gestampt staat de lettergreepgrens ergens anders. Maar dat woord is dan ook geleed. Het bestaat immers uit twee te onderscheiden delen: een werkwoordstam stamp en een voorvoegsel ge-. Het ligt minder voor de hand om aan te nemen dat postel geleed is. Wat zouden de samenstellende delen kunnen zijn? Daarom hebben de deelnemers aan het spelletje en u gezamenlijk besloten dat de eerste klinker kort moest worden.

Ik wil het nog even hebben over de bijzondere plaats van s in het woord. Ik heb zojuist mogelijk de suggestie gewekt dat die bijzondere plaats alleen aan de rand van een woord voorkomt. Dat is niet helemaal correct, zoals u kunt zien als u de lettergreepvormen van het woord extra bekijkt. Die vormen zien er als volgt uit:

L L
R A R
ek str aa

 

Als we aannemen dat aanzetten en rijmen in het Nederlands maximaal twee plaatsen kunnen bezetten, is er geen enkele plaats in de lettergreep voor de s over. Aangezien er geen reden is om dat niet aan te nemen, moet ze wel buiten de lettergreep blijven staan. Dat de s wat dit betreft uniek is, hoort u als u haar probeert te vervangen door andere vergelijkbare klanken: woorden als ekfpra of ekchtra zien er op zijn best uit als verbasteringen van het oorspronkelijke woord, als weergaven van een spraakgebrek, niet als woorden die op zichzelf mogelijk zouden zijn. Bij een televisiespelletje zou niemand ze laten opzoeken door de jury.

Waarom kan de s nu wel in die bijzondere positie staan als ze voorafgegaan wordt door een medeklinker, maar niet als ze voorafgegaan wordt door een klinker? In de verklaring van dit merkwaardige feit komt de optimaliteitstheorie ons weer te hulp. Er zijn in dit geval twee krachten aan het werk. De ene kracht ÷ laten we haar S noemen ÷ zegt dat de s altijd in een lettergreep moet worden opgenomen. De andere kracht ÷ die noem ik C ÷ zegt datzelfde over andere medeklinkers. De laatste kracht wint het in het Nederlands. Overigens zou bij een nauwkeurige analyse waarschijnlijk blijken dat C moet worden opgevat als een samenstelsel van ongeveer even sterke krachten: één voor k, één voor r, enzovoort.

In het woord ekstra moeten dus volgens C in ieder geval de k, de t en de r in een lettergreep komen te staan. Dat er vervolgens geen ruimte voor de s overschiet, dat is dan jammer voor die s.

In een woord als postel heeft de kracht C geen invloed. Ze eist dat de p, de t en de l in de lettergreep staan. Dat is mogelijk, maar er is dan nog steeds een plaatsje over voor de s:

L
L
A
R
A
R
p
os
t
e l

Andere krachten zorgen ervoor dat een o in een lettergreep een teruggetrokken tong heeft.

Al dit soort overwegingen spelen een rol bij de spelletjes die rond etenstijd op de televisie vertoond worden. Ze tonen aan dat de kennis die we over onze taal bezitten niet alleen maar bestaat uit een lijst woorden. Als dat zo zou zijn, dan zouden we al die dingen over postel niet weten, dan zouden u en ik niet zo creatief zijn in het bedenken van nieuwe woorden als we kennelijk zijn.

Met die creativiteit doen we, zoals we hebben gezien, maar weinig als we geen woordkunstenaar zijn. Weliswaar vormen we aan de lopende band nieuwe woorden ÷ maar die woorden bevatten vrijwel altijd al bestaand materiaal: voordeurdeler is wel een nieuw woord maar het is door middel van een bestaande samenstellingsregel gevormd uit de reeds sinds jaar en dag bekende stammen voordeur en deler. Het zijn nieuwe samenstellingen of afleidingen. Een enkele keer zijn het woorden die geleend worden uit het Engels, zoals training.

Slechts heel zelden wordt een geheel nieuw woord bedacht. In de jaren vijftig is er nog een periode geweest dat reclamebureaus zaten te springen om nieuwe woorden als postel, omdat er aan de lopende band nieuwe merknamen bedacht moesten worden. Toen kon een fonoloog misschien nog rijk worden met zijn vak. Helaas is die tijd voorbij. Nog steeds zijn er nieuwe merknamen nodig, maar die namen moeten nu zo Engels mogelijk klinken.

Buiten de merknamen is het al helemaal droevig gesteld met de vorming van geheel nieuwe woorden. Een computer wordt een computer genoemd, en niet een postel of een doela. Het epibreren was een van de laatste activiteiten en de fiets was misschien wel een van de laatste uitvindingen die een eigen Nederlandse naam kreeg. Maar dat was ergens diep in de negentiende eeuw en bovendien wordt ook over dat woord beweerd dat het eigenlijk een ingewikkelde verbastering is van het Franse bicyclette.

U en ik bezitten een talent waarmee we nooit iets doen. Als de televisie niet bestond, kwam veel creativiteit nooit aan het licht.

terug / inhoudsopgave / vooruit