De juiste spelling van f

Zo komen we via de zuigeling toch weer uit op de Nederlandse spelling en de problemen die ze veroorzaakt. Iedereen die ooit een dictee heeft moeten maken kan erover meepraten. Voorbeelden zijn er te over. Sommige daarvan hebben we al gezien: ch zijn twee tekens voor één klank, x is één teken voor twee klanken. Ik kan nog meer voorbeelden noemen. Er is een kracht in het Nederlands die verbiedt dat medeklinkers aan het eind van een woord met trillende stembanden klinken: vod wordt uitgesproken als vot, web als wep. De resultaten van die kracht zien we niet terug in de spelling. Volgens een traditionele negentiende-eeuwse opvatting is dat het resultaat van een principe van gelijkvormigheid: we schrijven vod naar analogie van vodden, zoals we kot schrijven naar analogie van kotten, en we schrijven web naar analogie van webben, zoals we step schrijven naar analogie van steppen.

Ik heb al gemeld dat deze traditionele opvatting onverklaard laat waarom we dan niet diev schrijven naar analogie van dieven of kaaz naar analogie van kazen. Er lijkt hier een onlogisch element in de spelling geslopen te zijn en sommige geleerden hebben hierin een aanleiding gezien tot protest. De traditionele opvatting is dan ook onjuist. Er zit wel systeem in de Nederlandse spelling, maar dat systeem heeft maar voor een klein gedeelte te maken met een gelijkvormigheidsprincipe.

De klanken f, s, v, z, ch en g, zijn zogenaamde ruisklanken. De luchtstroom wordt in deze klanken niet helemaal geblokkeerd ÷ zoals bij de p, de t, de k of de b; klanken die we stops noemen ÷ hij wordt slechts zodanig verstoord dat een ruizige klank ontstaat. De relatie tussen stembanden en ruisklanken is een heel bijzondere. In sommige noordelijke Italiaanse dialecten bestaat een proces dat met een technische maar doorzichtige term 'intervocalische s-verstemming' heet. Voor het gemak wordt die term afgekort tot ISV.

ISV is er de oorzaak van dat we in deze dialecten, nooit een s horen tussen twee klinkers. Ook als we haar wel schrijven: casa (huis) klinkt als kaza, isola (eiland) klinkt als izola. De laatste s in dis- blijft een s in discontento (ontevreden) maar hij verandert in een z zodra hij voor een klinker komt te staan: disuguale (ongelijk) klinkt als dizuguale.

Processen die vergelijkbaar zijn met ISV vinden we ook in andere talen. In het Engels bijvoorbeeld wordt een geschreven s uitgesproken als een z: compromising, reason, peasant zijn allemaal woorden met een z-klank. Ook in het Nederlands lijkt een ISV-achtig proces aan het werk. Spreekt u het woord rationalisering en de naam Heeseman maar eens uit. Als u ze met een s zegt bent u waarschijnlijk niet geboren in Nederland, Engeland of Noord-Italië.

Er zijn in het Nederlands vrijwel geen woorden waarin een s tussen twee klinkers staat, als de eerste klinker lang is: er zijn wel woorden zoals kiezel, wezel en hazel maar geen vergelijkbare woorden met een s. Probeert u maar eens *kiesel of *wesel te zeggen. Ik kan maar één uitzondering bedenken: Pasen. Maar dat woord heeft een aa, een klinker die zich wat lengte betreft een beetje eigenaardig gedraagt, zowel in het Standaardnederlands als in het Tilburgs.

Als de eerste klinker juist kort is, krijgen we merkwaardig genoeg precies de tegenovergestelde toestand: we vinden dan wel een s, maar géén z. Het woordenboek barst van de woorden zoals mossel, passer en kessel, maar *mozzel of *kezzel klinken vreemd. In dit geval zijn er twee uitzonderingen: puzzel en mazzel. Het kan geen toeval zijn dat veel Nederlanders het eerste woord uitspreken als puuzel, met een lange klinker. Het kan ook geen toeval dat het tweede woord weer een a bevat. De a en aa gedragen zich ook hier weer als ongewone lange of korte klinkers.

De f en de v gedragen zich in het Nederlands ÷ in tegenstelling tot het Noorditaliaans ÷ niet anders dan de s en de z. Ook een f vinden we nooit tussen twee klinkers als de eerste van die twee klinkers lang is. Vergelijkt u kever, lover en steven bijvoorbeeld met *kefer, *lofer en *stefen. Een uitzondering is tafel met ÷ alweer ÷ een aa. En ook een v vinden we nooit tussen twee klinkers als de eerste kort is: moffel, raffel en heffel klinken wel, *movvel, *ravvel en *hevvel niet als gewone Nederlandse woorden.

Dit soort gecompliceerde verdelingen van korte en lange klinkers vinden we niet voor stops: zowel de b als de p komen na lange en korte klinkers voor: giebel, kieper, koppel en dobber zijn stuk voor stuk gewone woorden. Ook de d en de t maakt het niets uit wat voor klinker er voor ze staat. Bitter, middel, kietel en riedel zijn allemaal volstrekt alledaags Nederlands.

Er is dus een verschil tussen stops en ruisklanken. Stops kunnen overal, behalve aan het eind van het woord, naar willekeur voorkomen. Het is daarom zinnig om in de spelling verschil te maken tussen kot en vod omdat in dit geval de meervouden van de twee woorden ook inderdaad verschillend zijn. De d is echt een bijzondere eigenschap van vod, zoals de t een bijzondere eigenschap is van kot. Het meervoud van dief klinkt daarentegen als dieven enkel en alleen omdat de f in het meervoud opeens tussen twee klinkers komt te staan waarvan de eerste lang is. Het meervoud van pof is poffen vanwege de korte klinker die deze f voorafgaat. De keuze tussen f en v wordt dus in dit geval bepaald door welke klanken aan onze f/v voorafgaat. Het wel of niet trillen van de stembanden is geen bijzondere eigenschap van pof of dief. We kunnen dus een willekeurige keuze tussen de twee klanken maken. Omdat we hier nu eenmaal een f horen is het niet zo'n raar idee om hier dan ook een f neer te schrijven.

De bovenstaande redenering is behoorlijk abstract en berust op inzichten die de taalkundigen nog niet zo lang hebben. Noorditaliaanse dialecten werden in het Nederland van de negentiende eeuw, toen onze huidige spellingsregels in grote lijnen werden vastgelegd, nog niet erg nauwkeurig bestudeerd. Bovendien was de spelling destijds gebaseerd op een spellingspraktijk die zich in de loop der eeuwen had vastgelegd. Het is onwaarschijnlijk dat iemand bewust heeft nagedacht over het verschil tussen ruisklanken en stops en op grond van die overwegingen de Nederlandse spellingsregels heeft vastgesteld.

Sterker nog, voor zover er iets is vastgelegd, was dat het gelijkvormigheidsprincipe. Dat principe werkt niet of in ieder geval niet volledig. Gelijkvormigheid is in termen van de optimaliteitstheorie misschien wel een kracht in het spanningsveld van de spelling, maar lang niet de enige, laat staan de sterkste. De negentiende-eeuwse geleerden geloofden desondanks heilig in het gelijkvormigheidsprincipe. Ze meenden dat mensen die regel moesten leren om zich eraan te houden, zonder te merken dat ze er zelf tegen zondigden. Gevallen als de hier besprokene laten zien dat het gelijkvormigheidsprincipe niet zozeer iets voorschreef, als wel dat het iets beschreef. Dat die beschrijving achteraf onvolledig was, doet er minder toe.

Wat zijn dan wel de krachten die ÷ misschien onbewust ÷ een rol hebben gespeeld bij de spelling van onze ruisklanken? In de eerste plaats laten ruisklanken net als klinkers de lucht stromen. Het woord asa is dus met één lange ononderbroken ademtocht te maken. Het is dan erg verleidelijk om ook de stembanden op die ademtocht continu te laten trillen en aza te zeggen. Deze eerste factor verklaart waarom woorden als bazel en kiezen zoveel beter zijn dan basel en kiesen. Maar het verklaart nog niet waarom die factor wegvalt bij moffel en mossel.

De spelling geeft ons wel een aanwijzing. We schrijven in deze woorden steevast een dubbele medeklinker. De reden daarvoor is niet dat we op die plaatsen echt twee losse s'en of f'en dan wel één lange s of f horen. We horen één klank van normale lengte die deel lijkt uit te maken van twee lettergrepen. De structuur van mos-sel zouden we als volgt kunnen tekenen:

L L
A R A R  
| |\ / |\  
m o s e l

Het raadsel is hiermee bijna opgelost. De s staat in deze woorden noodgedwongen ook aan het eind van een lettergreep. In die positie trillen stembanden liever niet. Daarom laten ze dat ook in dit geval na. Het blijft dan de vraag waarom die stembanden wel zo lustig trillen in hobbel. Kennelijk zijn stops minder afhankelijk van de omliggende klinkers voor hun stembandvoorziening dan ruisklanken. Ook dat zal wel iets met de ademtocht te maken hebben die bij stops wel en bij ruisklanken niet onderbroken wordt.

Twee ruisklanken heb ik tot nu toe de gehele tijd consequent terzijde geschoven: de ch van lachen en de g van klagen. In veel dialecten van het Nederlands is het verschil tussen die twee klanken niet of nauwelijks nog te horen, maar vooral in de varianten van onze taal met een zogenaamde 'zachte' g wordt het verschil nog wel gemaakt. In lachen trillen de stembanden daar niet, in klagen doen ze dat wel. In dialecten waarin het verschil niet meer zo duidelijk gemaakt wordt, worden zowel de ch als de g zonder stembandtrilling uitgesproken. Waarom precies deze ruisklanken verdwijnen, valt gemakkelijk te begrijpen. Velaire medeklinkers zijn nu eenmaal in alle talen van de wereld de minst gemakkelijke ÷ en van velaire stops heeft het Nederlandse er ook maar één: de k. De Engelse g uit goal is wat dat betreft in onze taal de Nederlandse g al voorgegaan.

Toch moet elke Nederlander nog diep in zijn hersenschors een restant van het verschil tussen ch en g voelen. Dat zien we aan de manier waarop hij zijn verleden tijden maakt. De verleden tijd wordt in het Nederlands in de regel gevormd door -de of -te aan het eind van de stam toe te voegen: kende, stopte. Of u de eerste of de tweede vorm kiest is afhankelijk van de zogenaamde kofschip-regel zoals u weet. Precies in die gevallen waar de stam eindigt op een medeklinker uit de woorden 't kofschip, kiest u -te. In alle andere gevallen kiest u -de. Nu hebben de eerste medeklinker van -te en alle medeklinkers in het woord kofschip één ding gemeen: ze zijn allemaal stemloos. De medeklinker van het achtervoegsel past zich dus aan de voorafgaande medeklinker aan.

Voor zover ik weet zondigt niemand die met het Nederlands is opgegroeid ooit tegen deze regel. Ook niet als het gaat om het verschil tussen een stemhebbende g en een stemloze ch. Geen volwassen Nederlandstalige zegt ooit ik lachde of ik veegte.

Dat het verschil tussen de ruisklanken ch en g toch een heel bijzondere is, blijkt uit het feit dat dit verschil anders dan bij de paren s/z en f/v wél in de spelling behouden blijft aan het eind van het woord. We schrijven lieg niet als liech. Het blijkt ook uit het feit dat er relatief veel gewone woorden zijn met een korte klinker voor een stemdragende g: biggel, rogge, leggen (legde), zeggen (zegde), raggen (ragde). Aan de andere kant is er geloof ik geen enkel woord met een lange klinker voor ch: *laachte en *kuuchte klinken zeer merkwaardig.

Het verschil tussen de ch en de g is al met al aan het verdwijnen. Ook het verschil tussen s en z en het verschil tussen f en v staat onder druk. Vooral in de Randstad zijn er veel mensen die niet lijken te weten of ze nu sent of zent moeten zeggen, feest of veest. Omdat de randstedelijke tongval in Nederland een zeker prestige heeft, al is het maar omdat de meeste presentatoren van radio en televisie zo'n tongval hebben, breidt dit verschijnsel zich verder uit.

De spellinghervormers kunnen zich de moeite besparen. We hoeven geen diev te schrijven. Over honderd jaar bestaat het verschil tussen de v en de f misschien niet eens meer. Dan kunnen we één van de twee letters wegdoen.

terug / inhoudsopgave / vooruit