De logica van ee

Het is moeilijk te schatten hoeveel talen er in Nederland gesproken worden. Hun aantal zal snel in de honderden lopen. De wereld wordt steeds kleiner en iedereen komt bij iedereen over de vloer. Uit alle windstreken komen mensen hierheen gestroomd met de interessantste moedertalen. Als ze in groepjes komen, zullen ze die boeiende talen nog in ieder geval een tijdje blijven gebruiken, in ons Babylon in de polder.

Naar één wel zeer exotische taal heb ik een paar jaar geleden zelf een onderzoekje gedaan. Het is een taal met naar schatting tussen de vijftigduizend en de vijfhonderdduizend sprekers, waarvan hooguit duizend personen kunnen zeggen dat het hun moedertaal is. Die sprekers wonen verspreid over de gehele wereld, al is er een sterke concentratie in Oost-Europa. Het opmerkelijkst aan die taal is eigenlijk haar geschiedenis; ze is pas honderd jaar oud. Ook heel bijzonder is dat de meeste sprekers een bedoeling hebben met hun taal: ze willen er de wereld mee verbeteren.

Er zijn in Nederland niet erg veel mensen die het Esperanto als hun moedertaal hebben. Het zijn er zeker niet meer dan vijftig en ze hebben altijd ook nog minstens één andere moedertaal --meestal is dat natuurlijk het Nederlands. De Esperanto-beweging bestaat nog steeds, al is ze niet bijzonder groot. Nog steeds organiseert die beweging elk jaar wel ergens op de wereld een congres, waar dan zo'n twee- of drieduizend mensen op afkomen. Het gebeurt bijvoorbeeld wel eens dat een jonge Nederlander een jonge Poolse ontmoet, dat ze verliefd worden en een gezin stichten. Uit idealisme besluiten ze dan thuis alleen het Esperanto te gebruiken, ook als er kinderen geboren worden. Later leren die kinderen er natuurlijk ook in ieder geval de taal bij van het land waarin ze wonen, van de kinderen met wie ze op straat spelen, van de school waarop ze zitten. Maar de basis is gelegd in het Esperanto. Ze zijn de rest van hun leven op zijn minst tweetalig.

Volgens Chomsky en zijn aanhangers zijn alle talen die als moedertaal geleerd worden in essentie gelijk. Alle talen hebben dezelfde rare kronkels die corresponderen met de rare kronkels die van nature zitten in het hoofd van het kind dat de taal moet leren. Een kunsttaal die als moedertaal fungeert is daarom een contradictio in terminis. Zamenhof, de laat-negentiende-eeuwse bedenker van het Esperanto, wilde nu juist een taal scheppen die zo logisch mogelijk was. Hij hanteerde daarbij een nogal rigide opvatting van het begrip logisch: zonder uitzonderingen, zonder kronkels. Het Esperanto moest in zijn opvatting een taal zijn zonder grammatica.

Ik wilde nu onderzoeken wat er zou gebeuren als kleine kinderen deze 'logische' taal als hun moedertaal zouden leren. Volgens de theorie van Chomsky zouden die kinderen alle eigenaardigheden die menselijke talen nu eenmaal van nature hebben, invoeren. Het Esperanto zou daardoor minder 'logisch' worden. Een taal zonder grammatica kan in deze opvatting niet bestaan.

Ik keek in mijn onderzoek naar verschillende aspecten van de taal, naar de grammatica, naar de manier waarop nieuwe woorden werden gevormd en naar de betekenis van woorden. Maar ik bekeek natuurlijk ook de klankstructuur.

Nu is er met de fonologie van deze taal nog iets heel bijzonders aan de hand. Het Esperanto was namelijk in het begin vrijwel uitsluitend een geschreven taal. Het eerste boekje verscheen in 1887. De infrastructuur was toen nog niet zo goed dat mensen elkaar gemakkelijk konden bezoeken. Radio, cassettespeler, telefoon en televisie bestonden nog niet. Wat Zamenhof te zeggen had over de uitspraak van zijn taal, kon hij dan ook alleen schriftelijk doen. Bovendien mocht hij geen technische termen gebruiken omdat hij nu juist een zo groot mogelijk publiek wilde bereiken.

Voor zover ik weet heeft hij maar twee dingen gezegd over de klanken van zijn nieuwe taal. De eerste regel luidde: de klemtoon valt altijd op de één na laatste lettergreep van het woord. En de tweede: alle woorden worden uitgesproken zoals ze geschreven zijn.

De eerste regel is gemakkelijk genoeg. De klemtoon in esperanto ligt op ran, de klemtoon in telefono op fo, de klemtoon in familio op li. Hoewel er talen zijn met een veel ingewikkelder klemtoonpatroon, zijn er genoeg talen met dezelfde regel als het Esperanto. Het Pools is een voorbeeld van zo'n taal. Dat is waarschijnlijk geen toeval. Tijdens mijn onderzoek ontdekte ik dat Zamenhofs 'taal zonder grammatica' in veel opzichten leek op een taal met een Slavische grammatica. Het feit dat deze oogarts in zijn eigen leven meestal Russisch of Pools sprak, zal daar wel iets mee te maken gehad hebben. Veel mensen denken dat hun eigen taal de eenvoudigste en de meest logische ter wereld is.

De tweede uitspraakregel heeft in ieder geval voor heel wat meer problemen gezorgd onder esperantisten. Want wat betekent dat: alle woorden worden zo uitgesproken als ze geschreven zijn? Zamenhof lijkt gedacht te hebben dat alle volkeren ter wereld pakweg hetzelfde zeggen tegen een a of een v. Omdat dat niet zo is -- de ene wereldburger zegt vah tegen va, de ander waa -- neemt de verwarring met dit soort regels alleen maar toe. Voor de liefhebbers van een correcte uitspraak viel er daarom nog veel te stechelen.

Een ander gevolg van Zamenhofs regel was dat men alle letters in een woord altijd op dezelfde manier moest uitspreken, door welke andere klanken ze ook gevolgd of voorafgegaan werden. Nu werkt geen enkele bekende menselijke taal op die manier. Als we alleen maar de verschillende klanken van een woord in een rijtje achter elkaar zetten, krijgen we een hoogst onnatuurlijke klankcombinatie. Het woordje beer bestaat niet alleen maar uit drie klanken b, ee en r, die u zonder meer aan elkaar plakt. Zamenhofs regel is daarom voor een jong kind onhoudbaar, zouden we zeggen. Klanken zullen hier en daar onder invloed van elkaar veranderen. En dat is precies wat ik gevonden heb.

Een interessant geval was hierbij de uitspraak van de klinkers e en de o. Er zijn, als we naar de talen van de wereld kijken al minstens twee verschillende voor de hand liggende uitspraken van deze klinkers: ee en oo of e (van pet) en o (van pot). Welke van deze mogelijkheden zouden de kinderen kiezen?

Het antwoord is: allebei. In sommige gevallen kozen ze de ee en de oo, in andere gevallen kozen ze de e en de o. Dat was afhankelijk van het soort lettergreep waarin de klanken voorkwamen. Er moest daarbij verschil gemaakt worden tussen open en gesloten lettergrepen. Open lettergrepen eindigen op een klinker, gesloten lettergrepen eindigen op een medeklinker. De lettergrepen in telefono zijn allemaal open, de eerste en de derde lettergreep in esperanto zijn beide gesloten. De vijf kinderen die ik onderzocht heb, zeiden ee en oo in open lettergrepen en e en o in gesloten lettergrepen: teeleefoonoo, maar espeerantoo en kontaktoo.

Toevallig was er over deze kwestie een discussie geweest in kringen van esperantisten. Twee deftige heren, een Fransman en een Hongaar, hadden een dik boek geschreven over de grammatica van de kunsttaal, waarin ze onder andere beweerden dat een juiste uitspraak van het Esperanto een verschil moest maken tussen open en gesloten lettergrepen voor de e en de o. Ze baseerden zich daarbij niet op onderzoek bij kinderen, ze baseerden zich op hun eigen taalgevoel.

Tegen deze grammatica is veel protest gekomen. Zo vonden sommigen dat hij met ruim vijfhonderd bladzijden te dik was en daarmee een slecht propaganda-instrument voor de taal. Anderen hadden vooral bezwaren tegen de methode die de schrijvers gehanteerd hadden. Een grammatica van deze omvang moest niet gebaseerd zijn op de toevallige oordelen van zijn schrijvers, maar op nauwkeurige studie van de belangrijkste Esperanto-auteurs en dan vooral van het werk van Zamenhof. De uitspraakregels die de grammatici opstelden werden genegeerd of weggehoond. Men dacht dat het hier een typisch Hongaarse of Franse eigenaardigheid was die de chauvinistische grammatici aan anderen wilden opleggen. Maar nu bleek uit mijn onderzoek dat de kinderen het op precies dezelfde manier deden. Het maakte daarbij niet uit wat de achtergrond van de kinderen of hun ouders was. Sommigen spraken Hongaars of Frans, maar anderen spraken talen waarin geen soortgelijke regel voorkomt. Sommige ouders hadden de omvangrijke grammatica gelezen maar vonden haar onzinnig, anderen hadden niet eens kennis genomen van de inhoud ervan. Het maakte geen enkel verschil.

De onlogische kronkel van de grammatici is dus door de kinderen opnieuw uitgevonden. De eenvoudige regel van Zamenhof hebben ze vervangen door een ingewikkelder regel: ee en oo in open lettergreep, e en o in gesloten lettergreep. Dit roept minstens twee vragen op. Ten eerste: waarom bestaat dit verschil tussen open en gesloten lettergrepen? En ten tweede: waarom alleen de e en de o en niet de andere drie Esperanto-klinkers i (= ie), u (= oe) en a (= aa)?

Voor het antwoord op beide vragen moeten we kijken naar de achterkant van de tong. Het verschil tussen ee en e -- of tussen oo en o, maar ik zal me voor het gemak nu even op het eerste paar klinkers concentreren -- is vooral daar gelegen. Met de achterkant van de tong bedoel ik dan vooral wat taalkundigen noemen de tongwortel: het gedeelte waarmee de tong achter in uw mond, eigenlijk al in uw keel, vastzit aan de rest van uw lichaam. Bij de e trekt u deze tongwortel iets meer naar achter dan bij de ee, net zoals u hem bij de o iets meer naar achteren trekt dan bij de oo.

In vele talen kan de tongwortel alleen naar achteren getrokken worden in gesloten lettergrepen. Een woord mag in die talen niet eindigen op een klank met een teruggetrokken tongwortel. Het is moeilijk uit te maken waarom dat zo is. We kunnen in ieder geval vaststellen dat ook andere soorten klanken niet aan het eind van een woord of een lettergreep kunnen voorkomen. In het Nederlands zijn dat bijvoorbeeld de klanken d, z, b, en v. Waar een d of b aan het eind van het woord staat (hond, eb) zeggen we t en p (hont, ep). De v en de z vinden we helemaal niet aan het eind van een woord, ook niet in de spelling. We schrijven niet *huiz of *huiv, maar huis en huif.

Het verschil tussen een p en een b maakt u op vrijwel dezelfde manier. Het enige onderscheid tussen die twee klanken is dat u voor de b uw stembanden even moet laten trillen. U kunt dat voelen als u uw vingers tegen uw adamsappel plaatst en een paar keer p zegt en daarna een paar keer b. Hetzelfde verschil kunt u op dezelfde manier voelen tussen de t en de d, tussen de f en de v, de s en de z.

U moet dus meer moeite doen om een b, v, z of d te maken dan voor een p, f, s of t. U moet ook iets meer moeite doen voor een e dan voor een ee, iets meer moeite voor een o dan voor een oo. Bij de eerste klanken moet u immers de achterkant van uw tong bewegen. Aan het eind van lettergrepen en aan het eind van woorden wilt u die moeite kennelijk niet doen. De reden daarvoor is niet precies bekend. Het heeft misschien iets te maken met het feit dat mensen bij het luisteren meer aandacht besteden aan het begin van woorden en het begin van lettergrepen dan aan het einde ervan. Bij experimenten is vastgesteld dat die onduidelijkheden die kunstmatig zijn aangebracht op geluidsbanden, voor meer verwarring zorgden als die onduidelijkheden aan het begin van woorden waren aangebracht dan wanneer ze aan het eind van woorden stonden.

Het is ook wel te begrijpen dat luisteraars dat doen. De taak die we bij het luisteren hebben is zo snel mogelijk te begrijpen wat de ander zegt. Zodra die ander de eerste klanken begint te vormen, proberen we al te raden wat er volgen zal. In de meeste gevallen lukt dat ook en kunnen we al voordat de laatste klank gesproken is, raden wat het woord zal zijn.

Als dit allemaal waar is, heeft het weinig zin om aan het eind van een woord nog allerlei ingewikkelde bewegingen uit te voeren met de wortel van de tong of met de stembanden. Omgekeerd geldt dat we door de tongwortel nu juist wel te bewegen, kunnen aangeven dat er nog een medeklinker volgt. Als u le zegt met de e van pet, weet de luisteraar dat hij nog even moet opletten omdat er nog een medeklinker volgt -- dat is misschien een s, misschien een k, maar in ieder geval is de lettergreep nog niet afgelopen.

Dat brengt me bij de tweede vraag: waarom zijn nu juist de middenklinkers e en o speciaal gevoelig voor deze effecten? Waarom doen i, oe, en aa niet mee? Ook hier moet ik eerst opmerken dat het Esperanto niet de enige taal is die de zaken op deze manier georganiseerd heeft. Integendeel. Als er in enige taal een verschil wordt gemaakt met de tongwortel, dan bestaat dat verschil in ieder geval voor de middenklinkers. Een zeer groot aantal talen in Afrika bijvoorbeeld heeft de klinkers aa, ee, oo, e, o, ie, oe. Dat is dus precies dezelfde verzameling als we vinden in het Esperanto.

Voor een antwoord op de tweede vraag moeten we nogmaals naar de tongwortel kijken. Het grote verschil tussen aa, ie en oe aan de ene kant en ee en oo aan de andere, is dat voor de eerste drie de tong in een extreme positie is en voor de laatste twee niet. Nu zit de tongwortel vanzelfsprekend aan de tong vast. De bewegingen van de één hebben dus invloed op de bewegingen van de ander. Het is zelfs onmogelijk om tong en tongwortel onafhankelijk van elkaar te bewegen en het is verreweg het gemakkelijkst om de positie van de één stabiel te houden wanneer de ander beweegt. Omdat de tong voor de middenklinkers niet hoeft te bewegen, is het dus het gemakkelijkst om daar een verschil te maken.

Het is al met al dus helemaal niet zo vreemd wat die Esperanto-lerende kinderen doen en wat de schrijvers van de dikke grammatica hadden opgeschreven. Ze maakten de taal weliswaar minder 'logisch' volgens de rigide negentiende-eeuwse opvattingen die Zamenhof daarvan had, maar ze brachten hem wel meer in overeenstemming met de interne logica die elke menselijke taal eigen is.

Voor de esperantisten is dat waarschijnlijk een verontrustende ontwikkeling. Als hun taal eens echt geaccepteerd zou worden, zou ze misschien al snel haar relatieve eenvoud en 'logica' verliezen. Ik moet toegeven dat die eenvoud nu inderdaad aanwezig lijkt. Ik heb mezelf die taal in het kader van het onderzoek binnen enkele maanden aangeleerd en mijn beheersing ervan is -- schat ik -- niet veel slechter dan die van het Frans, ook al heb ik aan die laatste taal vele jaren studie op school besteed en ben ik zeer vaak bij Franstaligen over de vloer geweest. Maar ik vrees dat zo'n invloed niet zou overleven bij een massale acceptatie van die taal.

Als taalkundige vind ik het Esperanto fascinerend, vooral omdat het laat zien dat al te simplistische ideeën over wat een logische taal is, uiteindelijk niet voldoen. We kunnen achter onze schrijftafel regeltjes opstellen zoveel we willen -- de schoonheid der natuur passeert toch alle kunst.

terug / inhoudsopgave / vooruit