De geschiedenis van oo

We keren van het moderne lopen over hete kolen terug naar de oude folianten. De fonologie bestaat als vak nu bijna zeventig jaar. In ieder geval wordt het woord fonologie nu ongeveer zeventig jaar gebruikt en al ongeveer zeventig jaar zijn er taalgeleerden die zich fonologen noemen. De taalkunde is al veel ouder. Eminente geleerden uit de klassieke oudheid, zoals Aristoteles, dachten al na over hun taal en veel westerse denkers als Descartes en Leibniz hebben zich in de loop der eeuwen gebogen over de structuur van talen. Daarnaast was er ook altijd de gewone praktische studie van vreemde talen. Wie een vreemde taal moet leren of onderwijzen, wordt gedwongen om over de verschillen tussen die vreemde taal en zijn eigen taal na te denken. Er is veel wijsheid te vinden in oude leerboeken.

In de negentiende eeuw maakte de taalwetenschap een periode van grote bloei door. De geleerden werkten toen vooral op een gebied dat we nu historische taalkunde noemen, het vak waarin bestudeerd wordt hoe talen zich in de loop der tijd ontwikkelen. Talen veranderen voortdurend, maar wel op een tamelijk regelmatige manier. In de negentiende eeuw ontdekte men een groot aantal van zulke regelmatigheden. Hierdoor kon men oudere fasen van talen reconstrueren.

Het Italiaans, het Frans, het Spaans, het Roemeens en het Portugees hebben één gemeenschappelijke oorsprong: het Latijn. Ook het Engels, het Duits, het Nederlands en de Scandinavische talen hebben zo'n gemeenschappelijke oorsprong: een taal die men Oergermaans noemde. Anders dan van het Latijn hebben we van het Oergermaans geen geschreven bronnen. Maar door veel te studeren op de fragmenten van de oudste fasen van de Germaanse talen die wel overgeleverd waren -- zoals het Oudengels en het Oudnoors -- en door logisch na te denken kon men in de negentiende eeuw toch een taal reconstrueren waarvan men nog steeds aanneemt dat ze veel op de taal van de oude Germanen lijkt.

De geleerden gingen nog een stapje verder en reconstrueerden zelfs in grote lijnen de taal die weer de gemeenschappelijke voorouder moest zijn niet alleen van het Oergermaans en het Latijn maar ook van het Oudslavisch, het Grieks, het Sanskriet en zeer veel andere talen in Europa en delen van Azië. Die oertaal werd Oerindoëuropees genoemd, of ook wel Indogermaans. Ook de hypothesen die aan deze reconstructie ten grondslag liggen worden nog steeds door vrijwel alle taalkundigen voor waar aangenomen.

De historische taalkunde had in de negentiende eeuw een groot succes in wetenschappelijke kring. Tal van vooraanstaande geleerden uit andere takken van wetenschap verwezen naar de taalkunde om hun eigen ideeën te rechtvaardigen. Karl Marx bijvoorbeeld probeerde zijn beeld van de geschiedswetenschap te modelleren naar die van de historische taalkunde. Die laatste kon aan de hand van algemene wetmatigheden wetenschappelijk vaststellen hoe de taal zich ontwikkelde. Op diezelfde manier meende Marx dat de geschiedswetenschap aan de hand van algemene wetmatigheden de loop van de rest van de geschiedenis wetenschappelijk moest kunnen voorspellen.

Ook Charles Darwin verwees in zijn werk herhaaldelijk naar het succes van de historische taalkunde. Zoals oertalen als het Latijn zich in verschillende geografische gebieden verschillend ontwikkelen tot het Frans, het Spaans en het Italiaans, zo konden in de natuur zich ook best verschillende soorten uit één bepaalde stamvader ontwikkelen.

Veel nieuwe takken van wetenschap in de negentiende eeuw wilden de loop van de geschiedenis 'wetenschappelijk' verklaren. De taalkunde had daarbij het grootste onmiddellijke succes. Het is dus niet meer dan logisch dat onderzoekers in andere jonge disciplines hun eigen prestige probeerden te verbeteren door te verwijzen naar het succes van de taalkunde. Het is een ironische speling van het lot dat later --in de twintigste eeuw -- taalkundigen hebben geprobeerd hun eigen imago te verbeteren door omstandig te verklaren dat ze aan 'evolutionaire' of vooral 'marxistische' taalkunde deden.

Het succes van de historische taalkunde was overigens vooral wat we nu fonologisch zouden noemen. De meeste wetmatigheden die ontdekt werden hadden te maken met klankverschuivingen, de manier waarop de ene klank in de andere kon overgaan. Een bekende 'klankwet' werd bijvoorbeeld ontdekt door de Duitse gebroeders Grimm, dezelfden die ook de volkssprookjes hebben opgetekend. Met deze klankwet konden een aantal verschillen tussen groepen Indo-europese talen begrepen worden. Vooral kon men duidelijk maken waarom bepaalde klanken in de Germaanse talen anders waren dan in vergelijkbare woorden in andere Indo-Europese talen. Schematisch kan een deel van de klankverschuiving als volgt worden weergegeven:

p -> f

b -> p

f -> b

De p in het Indo-europees werd een f in de Germaanse talen (het Latijnse pater correspondeert met het Engelse father); de b werd een p (het Latijnse scabere correspondeert met scheppen); en de f werd een b (het Latijnse ferre correspondeert met het Engelse to bear).

Het merkwaardige aan deze taalverandering is dat de drie klanken aan een soort boompjeverwisselen hebben gedaan. Aan het einde van de ontwikkeling waren er nog steeds dezelfde klanken als aan het begin, alleen stonden ze in andere woorden. Negentiende-eeuwse taalkundigen als de gebroeders Grimm lieten zien dat dit soort boompjeverwisselen vaak voorkwam in de geschiedenis van menselijke talen. Het is jammer dat Karl Marx hier nooit naar verwezen heeft.

Aan het begin van die twintigste eeuw begonnen sommige taalkundigen zich een beetje te vervelen. Men had het idee dat het historisch taalkundig onderzoek zo'n beetje klaar was. De belangrijkste klankwetten waren wel ontdekt en natuurlijk viel er hier en daar een punt of een komma te verbeteren maar de echte grote ontdekkingen leken niet meer te maken. Overigens zijn er tot op deze tijd mensen die waardevol werk doen met een methode die fundamenteel de negentiende-eeuwse is; zij hebben voor bijvoorbeeld Indiaanse en Afrikaanse talen classificaties opgesteld die minstens even ingenieus beargumenteerd zijn als het werk aan de Indo-europese talen.

Een van de taalkundigen die begon te voelen dat er een nieuwe weg ingeslagen moest worden, was de Zwitser Ferdinand de Saussure. Deze geleerde had al veel briljant werk gedaan. Zo had hij door scherpzinnig te redeneren ontdekt dat een aantal vreemde woorden in enkele ietwat obscure talen in de gezamenlijke voorouder met een bepaalde klank moesten beginnen, ook al kwam deze klank in geen enkele der overgeleverde talen voor. Aanvankelijk werd deze bevinding door sommige collega-taalkundigen met spot en hoon begroet. Totdat men vele jaren na de analyse ergens in de woestijn een steen vond met een inscriptie in een taal waarvan men al snel kon zien dat hij dezelfde oorsprong moest hebben als de talen van De Saussure. En deze taal bleek precies een letterteken te hebben op de plaats waar De Saussure een klank had voorspeld. In alle andere talen was deze klank in de loop der eeuwen afgesleten, maar de Zwitserse taalgeleerde had er toch nog voldoende sporen van gezien.

Ferdinand de Saussure had dus recht van spreken. Hij voelde dat het anders moest. Aan het eind van zijn leven, dat samenviel met het begin van de twintigste eeuw, gaf hij een serie colleges waarin hij demonstreerde hoe men onderscheid kon maken tussen diachrone taalbeschrijving, die de ontwikkeling van een taal door haar verschillende stadia beschrijft en tot op dat moment de dominante tak was geweest, en synchrone taalbeschrijving, die probeert een beschrijving te maken van het complete taalsysteem op één bepaald moment. Veel belangrijker was nog dat hij in diezelfde lezingen liet zien hoe interessant die synchrone taalbeschrijving kon zijn. Daarna stierf hij. Studenten en medewerkers stelden van de collegeaantekeningen een postuum boek samen, Cours de linguistique générale. Het taalkundig structuralisme was geboren.

Ook dit structuralisme heeft wetenschappelijk gezien een groot succes gehad. Ook nu weer begonnen andere wetenschappen zich 'structuralistisch' te noemen om dat succes op zich af te laten stralen. Vooral sociologen en antropologen mochten zich een tijdlang graag als zodanig betitelen.

Binnen de structuralistische taalkunde werd het gebruikelijk om een onderscheid te maken tussen fonetiek en fonologie op de manier waarop wij dat nu nog doen. Fonetiek gaat daarbij over de concrete natuurkundige en fysiologische manier waarop spraakklanken zich manifesteren. Een foneticus ontleedt soms een oor of een mondholte, en meestal is hij bezig om spraakklanken op band vast te leggen en vervolgens met een computer te analyseren. De fonetiek is daarmee een takje van de natuurwetenschappen. De fonologie is eerder een tak van de taalkunde, en uiteindelijk van de psychologie. Een fonoloog wil verklaren hoe taalklanken in ons hoofd zitten en wat de relatie is tussen de manier waarop ze in dat hoofd zitten en de manier waarop ze gemaakt worden.

De fonetische manier van klanken noteren is vanwege de verschillen tussen de twee vakken veel rijker en complexer dan de fonologische manier om dat te doen. De k-klank in kier verschilt bij nauwkeurige observatie van die in koer. De eerste wordt een klein beetje meer voor in de mond gemaakt dan de tweede, en wie frequenties, amplitudes en intensiteiten van de twee klanken vergelijkt vindt grote verschillen. Om die reden schrijven fonetici de twee klanken met verschillende symbolen.

Aan de andere kant is er geen enkele reden om aan te nemen dat de twee klanken in onze geest ook maar enigszins verschillend opgeslagen zijn. Mentaal worden ze op precies dezelfde manier behandeld en veel taalgebruikers zullen zich nooit bewust worden dat er een onderscheid bestaat. Een fonoloog gebruikt daarom ook maar één symbool voor beide klanken: de k.

Hoewel veel historische taalkundigen uit de negentiende eeuw al onderzoek deden dat in de moderne terminologie veel meer fonologisch dan fonetisch van aard was, werd de scheiding tussen de twee vakken pas expliciet gemaakt aan het begin van deze eeuw. Vrijwel onmiddellijk daarna maakte de fonologie een belangrijke bloeiperiode door. De Russische revolutie speelde daarbij een doorslaggevende rol. Taalstudie is een vak dat nog nooit iemand rijk gemaakt heeft en het was daarom in Rusland voorbehouden aan leden van gegoede adellijke families. Slechts wie rijk genoeg was om zich geen zorgen te hoeven maken over bronnen van inkomsten, kon het zich veroorloven om zich te buigen over de klanken van zijn taal. Uiteraard maakte de revolutie een einde aan deze stand van zaken. De adel werd verdreven of vermoord en bourgeois ideeën over het structuralisme werden vervangen door een historisch-materialistische visie. Zelfs Stalin heeft zich op een gegeven moment met de taalkunde bemoeid, met alle rampzalige gevolgen van dien.

Enkele verdreven Russische geleerden vonden elkaar terug in Praag en stichten daar de zogenaamde Praagse School. Onder hen bevonden zich de twee belangrijkste grondleggers van de moderne fonologie: Roman Jakobson en Nikolaj Trubetskoj. Allebei waren ze van aanzienlijke en gefortuneerde afkomst. Het eerste inleidende handboek over de taalkunde waarin niet vermeld wordt dat Trubetskoj de titel van prins mocht dragen moet bijvoorbeeld nog geschreven worden. De leden van de Praagse School hadden ook contacten elders in Europa, vooral ook in Nederland. Ook toen waren er veel Nederlandse taalgeleerden die openstonden voor nieuwe ideeën. Een aantal hoogleraren had nauwe banden met de Russische emigranten, vooral met Trubetskoj. Zij probeerden de nieuwe ideeën ook toe te passen in de analyse van het Nederlands. Een van de beste boeken in de structuralistische traditie is zelfs geschreven door een Nederlandse hoogleraar, en in het Nederlands: Phonologie, door Nicolaas van Wijk. Als u een exemplaar bij een antiquaar ziet liggen, moet u het zeker meenemen.

Een van de belangrijkste problemen die Van Wijk behandelde was het verschil tussen onder andere de oo en de o, de ee en de e in het Nederlands. Dat verschil was het onderwerp van veel discussie voor de fonologen en het is dat tot op de dag van vandaag gebleven. Ik zal het hieronder ook uitgebreid bespreken. Eerst wil ik daarbij uw aandacht vestigen op soortgelijke verschijnselen in een meer exotische taal, waarover Van Wijk waarschijnlijk weinig wist.

terug / inhoudsopgave / vooruit