De kracht van tj

Het opsporen van nieuwe taalvormen is niet alleen voorbehouden aan grote schrijvers of nijvere taalkundigen. Emiel Ratelband is een voorbeeld. Deze meneer beweert dat hij doet aan neuro-linguïstisch programmeren, als hij tenminste niet over hete kolen aan het rennen is en een enthousiaste stemming probeert te creëren bij groepen managers. Nu komt er weinig houtskool kijken bij het beroep van fonoloog en ook is mij nog niet vaak gevraagd mijn wijsheid uit te stallen voor de machtigen der aarde. Het is dan ook enkel en de naam die het hem doet. Een taalkundige die plechtig wil doen, zegt dat hij linguïst is. Dat de taalkunde voor een belangrijk gedeelte gaat over de hersenen, en dus over neuronen en andere hersencellen, heb ik al omstandig uiteengezet. Dat weet mijn moeder ook allemaal ÷ en dus denkt ze dat ik ook iets doe aan dat vermaledijde neurolinguïstisch programmeren.

Ik weet niet precies wat dat programmeren precies inhoudt, maar met mijn vak heeft het weinig te maken. De term klinkt natuurlijk wel enorm interessant en wetenschappelijk. Moeilijke woorden zijn gratis. Aan de fonoloog heeft Emiel Ratelband maar één woord te zeggen: tsjakkaa! Dat woord lijkt niet toevallig ook een bijzondere neurolinguïstische betekenis te hebben. Ratelband heeft het zelfs als handelsmerk laten registreren. Een platenmaatschappij die een plaat wilde uitbrengen onder die titel moest aan de programmeur een fors bedrag betalen. Er lijkt magie te zitten in die kreet.

Omdat het woord niets betekent, is de magie waarschijnlijk in de klank ervan te zoeken. Voor zover ik kan afleiden uit wat ik over de patenthouder van dit woord weet, moet het een grote hoeveelheid energie en moed en levenskracht uitdrukken. Ik neem aan dat de klinkers daar hun bijdrage aan leveren. Dat geldt dan vooral voor de laatste, die een spreker zo lekker lang kan aanhouden met zijn mond wijd open zodat de lucht naar buiten stroomt.

Verder lijkt het woord opmerkelijk veel op het ideale woord tata. Het heeft twee lettergrepen, die lettergrepen bestaan allebei uit een medeklinker en een klinker, en de klemtoon valt op de juiste lettergreep. De klinkers zijn bovendien ook allebei ideaal ÷ de tweede is een aa, net als in tata en de eerste klinker, een a, is niet erg veel anders.

Alleen over de medeklinkers valt iets nieuws te zeggen. Ratelband heeft ervoor gekozen geen t's te gebruiken. Ik denk dat met name te maken heeft met de kracht die de twee medeklinkers k en tj uitdrukken. Ik zal hier niet te bespreken waarom de k beter in staat is die kracht uit te drukken dan de t. Liever wil ik iets zeggen over de kracht van tsj.

Ik moet u er dan aan herinneren dat we uit de studie van het Rotterdams hebben geleerd dat de verwante tj wel degelijk één klank is. We schrijven hem weliswaar met twee letters ÷ en tsj met drie ÷ maar dat zegt niet zo veel. Er zijn meer klanken die we met twee letters schrijven: ch, eu, ng.

Toch is er een verschil tussen tj enerzijds en deze klanken anderzijds. Als u goed luistert merkt u dat tj iets anders begint dan hij eindigt. Hij begint als een t-klank om in de buurt van de j te eindigen. Klanken als ch, eu en ng zijn veel gelijkvormiger: zij klinken aan het einde hetzelfde als aan het begin. Ook dat is op zichzelf geen argument om de tj als twee klanken te zien. Er zijn meer klanken die anders beginnen dan ze eindigen ÷ in het Nederlands zijn dat bijvoorbeeld de ei, de ui en de au. Dat soort klinkers noemen we 'diftongen'. Medeklinkers als tsj noemen we 'affricaten'. Een andere bekende affricaat is ts. Als een Griek wil zeggen dat hij iets snel doet, zegt hij dat hij het doet sto tsaka-tsaka. De gelijkenis met de kreet van Ratelband is opvallend.

Wat zijn nu de redenen om tj als in dit geval een affricaat te beschouwen en niet als een combinatie van twee medeklinkers? Allereerst is er een fonetisch argument. Wie goed luistert, hoort dat tj klinkt als één medeklinker. Ook met het oog is dat vast te stellen. Er bestaat computerapparatuur waarmee geluidsgolven zichtbaar gemaakt kunnen worden. U spreekt in een microfoontje en op een beeldscherm verschijnt een plaatje dat met de voortgebrachte geluiden correspondeert. Wie het geluidssignaal bekijkt dat iemand voortbrengt als hij pakweg tr of kl zegt, kan daar na enige studie nog wel twee afzonderlijke klanken in onderscheiden. Bij de combinatie tj is dat onmogelijk.

Maar er zijn ook solide fonologische argumenten. Als tj een groep medeklinkers was, zou het moeten voldoen aan alle eisen die de taal aan zulke groepen stelt. Dat is niet het geval. Eén eis is dat een medeklinker aan het begin van een lettergreep niet dezelfde plaats van articulatie mag hebben als de klank die erop volgt. Ik heb al laten zien dat dit de oorzaak is waarom het Nederlands geen woorden heeft die met tl of met pw beginnen en waarom in het Rotterdam haat je niet wordt tot haatie.

De j heeft dezelfde plaats van articulatie als de t en de i. Sterker nog, de j is precies dezelfde klank als de i, hooguit is hij iets korter. Als tj uit twee klanken zou bestaan, zou hij dus anders zijn dan tl of dl of andere niet-bestaande groepen medeklinkers. Hetzelfde argument geldt voor de spelling tsj. Bovendien geldt daar dat een Nederlandse lettergreep nooit met drie klanken begint, tenzij de eerste van die drie klanken een s is (zoals in straat). Dat is hier niet het geval.

Ook aan de andere kant van het woord kunnen we argumenten vinden om tj als één klank te beschouwen ÷ in ieder geval als we kijken naar het dialect van Midden-Limburg, de streek rond Roermond. In dat dialect komen we woorden tegen als:

hontj (hond) geltj (geld)

puntj (punt)voltj (volt)

bantj (band)bultj (bult)

Ook de klankvorm van deze woorden zou weer zeer verbazingwekkend zijn want in groepen van drie medeklinkers is de laatste klank anders nooit een j.

Uit die Limburgse woorden kunnen we nog meer argumenten halen. De tj-klank aan het eind van het woord vinden we in dat dialect altijd na een n of een l. Dat zijn allebei coronale klanken. Bovendien kunnen we zeggen dat die tj vinden op plaatsen waar in het Standaardnederlands een t staat. Bovendien treffen we in het Limburgs nooit een t aan na een n of na een l, terwijl we hem wel na alle andere medeklinkers kunnen horen.

Er zijn dus redenen genoeg om aan te nemen dat t in het Limburgs tj wordt na een coronale klank. De vraag rijst nu waarom die verandering plaats zou grijpen. De meest voor de hand liggende verklaring ligt hier in een al besproken kracht: twee te sterk op elkaar lijkende klanken zijn ongewenst. Voor het gemak noem ik deze kracht voortaan Ongelijk. We hebben haar nu al meermalen aan het werk gezien. Kennelijk is ze in de taal van Roermond en omstreken sterk genoeg om de t te veranderen in tj.

Als tj nu uit twee afzonderlijke klanken bestond, had de hele operatie weinig zin. In het woord hontj staan de n en de t net zo goed naast elkaar als in hond. Het is niet te begrijpen wat we ermee opschieten als we die j toevoegen aan het eind van het woord. Maar als tj één klank is, dan begrijpen we de operatie wel. De tj is niet coronaal ÷ hij is wat we noemen palataal. De plaats van die klank is meer naar achter in de mond dan die van de n, de l of de t Hij is voldoende anders om aan de belangrijke eis dat twee medeklinkers niet te veel op elkaar mogen lijken te voldoen.

We zien dus vrijwel dezelfde kracht aan het werk in steden die enkele honderden kilometers van elkaar afliggen langs de Maas. Deze kracht werkt op verschillende plaatsen in het woord, maar het resultaat is in beide gevallen dezelfde: een tj-klank. In Rotterdam duikt hij op in hondje, in Roermond in hondj.

Het heeft dus zin aan te nemen dat tj inderdaad geen groep van twee (of zelfs drie) medeklinkers is, maar één ingewikkelde klank. Uit de mond van Ratelband klinkt die als een klank met een inherente beweging, een affricaat tsj; zoals de ingevoegde s nog eens extra duidelijk maakt, de meeste Limburgers en de meeste Rotterdammers maken er overigens een meer stabiele klank van, een echte tj, maar Ratelband heeft zijn eigen opvattingen en beweegt. De beweging die hij maakt gaat ook nog eens van voor naar achteren in de mond. Tijdens het uitspreken van de tsj glijdt de tong over het verhemelte iets weg van de tanden.

Het is precies die beweging die zorgt voor de energieke indruk die tsjakkaa! maakt. U duwt met uw tong aan het begin van het woord de uitstromende lucht gedeeltelijk weer terug naar binnen. Als uw mond vervolgens opengaat voor de eerste a, ontstaat een explosie. De lucht die achter in uw mond en in uw keel zit wordt vervolgens nog een keer tegengehouden door de achterkant van uw tong als u de k zegt, maar bij de laatste aa kan hij eindelijk onbelemmerd weg. Meer lucht dan gemiddeld spat uw mond uit. Dat is het begin van alle neurolinguïstisch programmeren.

Een soortgelijke kracht wordt uitgedrukt in het woord hatsjie. Ook dat woord moet natuurlijk een explosie uitdrukken, een explosie in de mond. Alleen eindigt dit woord op een ie, een veel minder open klinker. Wie niest, houdt zijn mond zoveel mogelijk dicht, de explosie wordt gesmoord. In de spelling van hatsjie zien we de overigens weer de s opduiken die we kennen uit Ratelbands schrijfwijze van tsjakkaa. Het verschil tussen de t en de s is dat de eerste niet aangehouden kan worden en de tweede wel. Nu begint tj als gezegd als een t-achtige klank en schuift daarna meer naar achter. Als dat verschuiven niet al te snel gaat, blijft de tong een tijdje op de plaats hangen waar de t gemaakt wordt. We krijgen dan een aangehouden t. Dat is niets anders dan een s.

Het merkwaardige van de tj-klank in het Nederlands is dat hij alleen voorkomt in tussenwerpsels als hatsjie of om tegemoet te komen aan sterke taalkundige krachten, zoals we in het Rotterdams en Limburgs zien. Wanneer geen sprake is van een dergelijke strikte noodzaak, vinden we de klank niet. We hebben wel een paar woorden als tjoel en tjirpen maar het eerste is een leenwoord uit een vreemde taal (het Fries) en het tweede is een klanknabootsend woord dat een karakteristiek geluid van een specifieke vogel imiteert. Zulke woorden permitteren zich wel meer klankeigenaardigheden.

Ik geloof niet dat Emiel Ratelband een groot linguïst is. Maar dat hij op het woord tsjakkaa gekomen is, siert hem wel.

terug/ inhoudsopgave / vooruit