De verkleining door Couperus

Voor een exotischer taalgebruik zullen we in het verleden moeten zoeken. In de jaren tachtig van de negentiende eeuw kwam een groep jonge dichters in opspraak omdat de leden van die groep meenden dat een aantal zaken in de Nederlandse literatuur veranderd moesten worden. Met name moest er naar hun mening meer schoonheid worden geïntroduceerd. Een van de manieren om die schoonheid te verwezenlijken was de vorming van nieuwe woorden zoals triltintellen, schitterbeven, enzovoort. Deze vorm van creativiteit werd door de dichters zelf aangeduid met de term 'woordkunst'. Strikt genomen omvatte de woordkunst ook het gebruik van nieuwe constructies maar daaraan ga ik verder stilzwijgend voorbij.

Louis Couperus was een randfiguur binnen deze beweging. In zijn romans gebruikte hij slechts een gematigde vorm van woordkunst, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Lodewijk van Deyssel. Couperus wordt echter nog steeds in brede kring gelezen en Van Deyssel niet.

Het is nu interessant om te zien of er een relatie bestaat tussen de verschillende vormen woordkunst van Couperus en de Tachtigers enerzijds en hun huidige relatieve populariteit anderzijds. Ik denk dat die relatie inderdaad bestaat en dat de woordkunst in Couperus' aanvaardbaarder is dan die van zijn generatiegenoten. De vraag rijst dan wat aanvaardbare woordkunst precies is en wat niet. Op die kwestie zal ik hier ingaan.

Ik doe dat op een enigszins impressionistische manier. Ik zou graag de beschikking hebben over volledige lijsten met nieuwvormingen in het werk van de Tachtigers en van Couperus. Zulke lijsten zijn echter niet beschikbaar.

Allereerst moet ik proberen beter te definiëren wat woordkunst precies onderscheidt van de gewone, alledaagse woordvorming. Taalstatistisch onderzoek heeft uitgewezen dat er in een krant als NRC Handelsblad elke dag ongeveer tien nieuwe woorden staan, dat wil zeggen woorden die niet in Van Dale te vinden zijn en die ook nooit eerder in de krant hebben gestaan. De meeste van deze woorden worden ook later nooit meer gebruikt. Toch zullen weinig mensen de taal van NRC Handelsblad als kunst aanmerken. Wat is het verschil tussen een moderne journalist en een Tachtiger?

In de taalkunde maakt men gewoonlijk onderscheid tussen inflectie, derivatie en samenstelling. Die processen werken alle drie op een iets andere manier, ze hebben alle drie een eigen functie in het taalsysteem en zoals ik zal laten zien, zijn ze niet alle drie even geschikt voor artistiek gebruik.

Bij inflectie verandert u een woord zodat het op een grammaticale manier in een zin gebruikt kan worden. Een voorbeeld is de werkwoordsverbuiging. De werkwoordsstam loop is op zich een uitstekende vorm, maar in de zin Hij loop kan hij niet zonder meer gebruikt worden. Daarvoor moet hij eerst geïnflecteerd worden tot loopt. Kenmerkend voor inflectie is dat ze de categorie van het woord waar ze aan vastgeplakt wordt niet verandert. De vorm loop is van de categorie werkwoord en loopt is dat nog steeds. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de zelfstandig-naamwoordsvormen huis en huizen. Een ander kenmerk van inflectie is dat ze extreem produktief is. Dat betekent dat ze onbelemmerd kan worden toegepast op alle elementen van de juiste categorie. Wanneer u een nieuw werkwoord postelen tegenkomt, weet u onmiddellijk hoe u het verbuigen moet: ik postel, jij postelt, hij postelt, enzovoort.

Bij derivatie verandert de categorie van het woord juist wel. Een voorbeeld is de groep Nederlandse woorden die eindigen op -baar: eetbaar, drinkbaar, verklaarbaar, aanvaardbaar, benaderbaar, leesbaar. Deze woorden zijn alle bijvoeglijk naamwoorden en ze zijn alle afgeleid van werkwoorden (eten, drinken, verklaren, enzovoort). Van een werkwoord kunnen we dus een bijvoeglijk naamwoord afleiden door er -baar achter te voegen. Derivatie (Latijn voor afleiding) is vaak produktief. Als u ergens leest dat de melk makkelijk te postelen is, kunt u zeggen dat ze postelbaar is, ook al heeft u geen vermoeden van de betekenis van het woord postelen. Niet alle afleidingsprocessen zijn echter vrij uitbreidbaar. Van de bijvoeglijk naamwoorden obsceen, stom en ambigu kunt u de zelfstandig naamwoorden obsceniteit, stommiteit en ambiguïteit afleiden. Maar *smerigiteit, *gekkiteit en *dubbelzinnigiteit zal een spreker van het Nederlands niet snel vormen.

U kunt dus van een woord een ander woord afleiden door er een uitgang (postelt) of een achtervoegsel (postelbaar) achter te zetten. Een andere manier om nieuwe woorden te maken is door twee bestaande woorden aan elkaar te monteren. Het resultaat van zo'n operatie heet samenstelling of compositie. Samenstelling bestaat in grote variëteit. Het Nederlands kent vier hoofdcategorieën van woorden: werkwoorden (voortaan aangeduid met de V van 'verbum'), zelfstandig naamwoorden (met de N van 'nomen'), bijvoeglijk naamwoorden (met de A van 'adjectief') en voorzetsels (met de P van 'prepositie'). Daarnaast zijn er nog wat 'kleine' categorieën zoals lidwoorden, tussenwerpsels en voegwoorden. Die verwaarlozen we hier. Ze doen overigens vaak ook niet mee in de hier besproken woordvormingsprocessen.

We kunnen de hoofdcategorieën op 4 x 4 = 16 manieren met elkaar combineren. (Voor het gemak ga ik ervan uit dat alle samenstellingen uit niet meer dan twee delen bestaan. Voorbeelden die tegen die veronderstelling pleiten zijn overigens moeilijk te vinden, als we er rekening mee houden dat bijvoorbeeld wachtmeestersvereniging moet worden opgevat als wachtmeesters + vereniging, waarbij toevalligerwijze het eerste samenstellende deel zelf ook weer een samenstelling is.) Hierbij geldt een taalkundige wet: een samengesteld woord heeft de categorie van het meest rechtse samenstellende deel. Dus boterzacht, een N-A-combinatie, is zelf een bijvoeglijk naamwoord en daarom een A. Afsluiten, een P-V-combinatie, is zelf een werkwoord, een V.

Sommige samenstellingsklassen zijn erg groot en vrijwel onbeperkt uitbreidbaar. Zowel N-A (hemelsbreed, keihard, bloedmooi, levensmoe) als P-V (doorzetten, afdrukken, inzetten, uitzitten) zijn daar goede voorbeelden van. Andere procédés zijn niet produktief en van sommige weer andere mogelijkheden wordt door het taalsysteem helemaal geen gebruik gemaakt. Vooral combinaties met P als rechterlid zijn uiterst zeldzaam. Over de paar voorbeelden die ik kan bedenken (onderop, volop, bovenin, achteraan) bestaat in de taalkunde bovendien weinig overeenstemming. Een A-P-combinatie valt bijvoorbeeld niet te maken (afgezien misschien van kortom). Wanneer iemand op een sierlijke manier over een hekje springt, zou u misschien willen zeggen dat zij er *fraaiover springt. Maar dat kunt u niet.

Niet alle woordvormingsprocédés geven in even sterke mate aanleiding tot artistiek gebruik. Dit geldt met name voor de meest produktiefste processen, zoals werkwoordsvervoeging. Wanneer u voor het eerst het Nederlandse werkwoord skateboarden hoort en dat eigenhandig middels inflectie weet om te vormen tot het voltooid deelwoord geskateboard, zal men u niet onmiddellijk als woordkunstenaar beschouwen.

Inflectie is zo'n gewoon proces dat u zich waarschijnlijk van uw eigen creativiteit op dit gebied niet eens bewust bent. Er zijn wel een aantal voorbeelden te bedenken die uitzonderlijk zijn. Zo heeft Gerard Reve eens gedicht:

In Indië waren jonge soldaten,

die niet uit bed wilden.

Ik sleurde ze eruit: 'Vooruit, het

is oorlog. Je moet oorlogen.'

Dezelfde dag nog vielen ze.

Dat oorlogen lijkt een beetje op inflectiekunst. Maar de dichter heeft hier van het zelfstandig naamwoord oorlog een gelijkluidend werkwoord afgeleid. We hebben hier een geval van zogenaamde 'nulderivatie', afleiding zonder een aanwijsbaar afleidend element. Nulderivatie vinden we in de alledaagse taal sporadisch: er bestaat ook een relatie tussen de fiets en ik fiets en tussen de kus en ik kus. In de alledaagse taal is het procédé niet vrij uitbreidbaar: wij oorlogen zal niet snel in de krant komen te staan. Dat is wat opvalt, niet de vervoeging zelf. Als de dichter geschreven had 'Ik oorlog de gehele dag', dan was dat ook opgevallen.

Toch is ook de meeste derivatie niet erg woordkunstachtig. Het laatste woord in de vorige zin, woordkunstachtig, hebt u misschien nooit eerder gehoord en toch zult u er weinig esthetische genoegens aan beleefd hebben. De vorm N-achtig is daar te gewoon voor.

Er zijn echter randgevallen, bijvoorbeeld in het werk van Couperus. Een bekende vorm van derivatie is de verkleinwoordvorming: van huis kunnen we huisje maken, van artikel artikeltje, van boek boekje en zo verder. Voor zelfstandig naamwoorden is dit procédé produktief, maar het kan in een enkel geval op ook op andere woordsoorten worden toegepast, zoals bijvoorbeeld op bijwoorden: koeltjes, netjes, warmpjes. Dit soort woordvorming blijft in het Standaardnederlands echter beperkt tot een handvol woorden. *Mieke schaatst snelletjes, *Leentje brult luidjes of *Leentje waggelt dronkentjes zijn geen van alle gangbare Nederlandse zinnen. Eigenlijk kunt u dit soort dingen alleen maar produceren als u een groot schrijver bent. Maar ook dan moet u zich aan de regels van het Nederlands houden en de goede vorm van de verkleinvorm (-tje, -kje, -pje of -etje) kiezen: *snelpjes, *dronkenkjes, of *luidetjes zijn echt onmogelijke vormen.

Het komt erop neer dat u bepaalde regels van het Nederlands, zoals het verkleinen van bijwoorden, liever niet toepast. Andere processen ÷ -etje aanhechten in luidetje ÷ zijn echt onmogelijk toe te passen. Goede schrijvers, woordkunstenaars, uit het eind van de vorige eeuw zullen regels van de eerste soort wel in hun werk hebben toegepast, maar regels van de tweede soort niet.

Diminutivering van bijwoorden komt bij Couperus herhaaldelijk voor, vooral in passages waarin mannenlichamen beschreven worden. Een voorbeeld vinden we in 'Bébert le boucher en André le pêcheur', het eerste verhaal in Korte arabesken. Hierin staan de volgende verkleinde bijwoorden (ik geef er telkens een klein gedeelte van de context bij):

[...] zit ik te staren en wat weemoedigjes en alleen te dromen.

Het is warmpjes, gezellig en tjokvol met ons drieën.

[we zullen hem] één voor één netjes leggen op de grond, met beide schoudertjes op zijn tapijtje, zonder hem pijn te doen, heel voorzichtigjes weg.

Een aantal van deze vormen is tamelijk gewoon, sommige zijn iets merkwaardiger, andere zijn zeer vreemd. Het woord voorzichtigjes zou een doorsnee taalgebruiker niet gemakkelijk gebruiken. Wat we nergens bij Couperus vinden, zijn vormen als voorzichtigetjes met de verkeerde vorm van het diminutief.

Een rijtje voorbeelden van een andere merkwaardige derivatie vinden we op één en dezelfde bladzijde van de roman Iskander: verdwenen, verschitterden, verglinsterden. Op dezelfde bladzijde vinden we verschemerde. Ook deze woordformatie hoort niet tot de meest toegepaste regels van het Nederlands. De regel 'ver+werkwoord wordt een werkwoord' bestaat wel in het Nederlands. We hebben immers werkwoorden als verslapen, verdraaien en verbouwen, die alle drie zijn afgeleid van een werkwoord. Maar erg vaak gebruikt wordt het procédé niet.

Het tweede dat opvalt is dat Couperus alleen werkwoorden gebruikte die een bepaalde toestand aanduiden. Wanneer een bepaald voorwerp schittert of glinstert gebeurt dat voor onbepaalde tijd en is dat voorwerp bovendien niet zelf actief aan het schitteren. U kunt de sterren niet bevelen een uurtje te schitteren.

Anders ligt dat bijvoorbeeld voor het werkwoord inzien, want dat gebeurt in een flits en heeft geen onbepaalde duur, of het werkwoord hoesten, want ik kan best tegen u zeggen dat u eens moet hoesten. Mijn hypothese is dat werkwoorden als verinzien en verhoesten niet voorkomen bij Couperus. Of de hypothese klopt weet ik niet zeker. Iemand zou het verzameld werk systematisch moeten doornemen. Maar ik ben zulke vormen in ieder geval nooit tegengekomen.

Het begint erop te lijken dat de voorbeelden van woordkunst die gebaseerd is op derivatie en inflectie tamelijk zeldzaam zijn. Bij samenstelling zijn de artistieke vrijheden groter. Derivatie en inflectie zijn als het ware gemaakt om nieuwe woordvormen te bouwen. Iedereen kan het. Het maken van een geslaagde samenstelling vereist meer creativiteit.

Zoals gezegd zijn er zestien logischerwijs mogelijke vormen van woordvorming door samenstelling. Die klassen worden in de taal niet allemaal even frequent gebruikt. Ik concentreer me nu op de werkwoordelijke composita, dat wil zeggen op de samenstellingen die eindigen op een werkwoord. Hiervan bestaan logischerwijs vier klassen: P-V, A-V, N-V en V-V. Men verdeelt de werkwoordscomposita bovendien ook op een andere manier in twee groepen: scheidbaar samengestelde werkwoorden (óndergaan, zoals in de zon gaat langzaam onder, waar dus de twee delen gescheiden kunnen worden) en onscheidbaar samengestelde werkwoorden (ondergáán, zoals in: hij ondergaat zijn ontslag gelaten). Van die onderverdeling zal ik hier afzien.

P-V-composita zijn in het Nederlands van u en mij het meest alledaags. Er zijn er honderden. Doorzetten, overzetten, inzetten, aanzetten, opzetten, afzetten, bijzetten, binnenzetten, buitenzetten, uitzetten, zijn een paar voorbeelden met het werkwoord zetten. Het procédé is bovendien produktief, vooral met voorzetsels zoals door. Als u eenmaal postelen gehoord hebt, kent u doorpostelen ook.

N-V-composita zijn niet produktief. Er zijn er wel relatief veel van: buikspreken, agentjepesten, lesgeven, houthakken, ademhalen. Maar nieuwe vormen worden niet gemakkelijk gemaakt. Bovendien is met de meeste wél bestaande vormen iets eigenaardigs aan de hand. Ze hebben een zogenaamd defectief paradigma, dat wil zeggen dat ze maar beperkt geïnflecteerd kunnen worden. Probeert u maar: *ik buikspreek, *jij agentjepest, het lukt niet.

We hebben hier dus een regel die slechts in zeer bijzondere omstandigheden kan worden toegepast. Een braakliggend terrein voor de woordkunst. Een niet onbelangrijk deel van Couperus' woordvormingen bestaat dan ook juist uit N-V-samenstellingen. We vinden in het eerder genoemde Iskander woorden als zonnestralend, starlichtend, licht-trillend. Opvallend genoeg zijn dit bijna allemaal tegenwoordig deelwoorden; ook enkele infinitieven ÷ werkwoorden in de 'onbepaalde wijs' ÷ komen voor. Nu zijn deelwoorden en infinitieven precies de vormen die we bij agentjespesten en buikspreken vinden: hij kan buikspreken, de agentjepestende kinderen werden verjaagd. Ook voor N-V-samenstellingen geldt dat de woordkunstenaar veel nieuwe dingen kan bedenken, maar dat er ook grenzen zijn aan de creativiteit. Die grenzen worden gesteld door de wetten van de taal.

Wat voor N-V-samenstellingen geldt, geldt ook voor A-V-samenstellingen. Er zijn er maar weinig van (volbrengen, klaarmaken, loskopen en nog zo wat). Het proces is niet produktief en veel van de bestaande vormen komen alleen in infinitief- of deelwoordvorm voor. Bij Couperus is het niet veel anders, alleen vindt u bij hem wat meer van zulke vormen dan bij de gewone taalgebruiker.

V-V-samenstellingen ten slotte zijn in het Nederlands zeer zeldzaam. Er is maar een handvol voorbeelden te bedenken: zweefvliegen, zingzeggen, spelevaren en lachen en regenen in verschillende gradaties: glimlachen, schaterlachen, bulderlachen, stortregenen en gietregenen. Dan is de voorraad uitgeput. Couperus heeft aan de verzameling ook niet veel meer toegevoegd. In Iskander vinden we schreeuwjuichen als uitzondering.

De woordkunstenaar Couperus houdt zich tijdens het scheppingsproces kennelijk aan de grenzen van het taalsysteem. Maar is dat niet alleen maar de beschrijving van een kunstgreep die ook door veel minder goede kunstenaars zou kunnen worden toegepast? Er zijn immers ook slechte woordkunstenaars geweest, die allerlei nieuwvormingen maakten maar nu niet meer gelezen worden.

Mijn veronderstelling is: hoe slechter de woordkunstenaar, hoe meer hij de hierboven beschreven wetten overtrad. Natuurlijk is er discussie mogelijk over de vraag wat slechte woordkunst precies is. Ik zou hier namen kunnen noemen ÷ Van Deyssel, Frans Erens ÷ maar allicht is er nog ergens in een studeerkamer iemand die de werken van deze twee met genoegen leest. Deze persoon wil ik beslist niet voor het hoofd stoten.

Minder controversieel is het om een bekende parodie op het genre als voorbeeld te bestuderen. Die vinden we in de roman Vincent Haman, de sleutelroman over de Tachtigers van Willem Paap. In dit boek staan een aantal passages die bedoeld zijn om de woordkunst belachelijk te maken. Zo komt er een passage in voor over een zekere Helmers, die schrijver wil worden en daarom stukken naar tijdschriften opstuurt:

Maar steeds werden ze geweigerd, tot hij in latere dagen op het voorbeeld van Vincent en anderen in plaats van: De zon schijnt op de daken ging schrijven: Zon op de daken schijnen, waardoor hij steeg tot de hoogte der mannen van '80 en zijn stukken werden opgenomen.

Op deze zin volgt een passage waarin beschreven wordt hoe Helmers in het café zit. Deze is geheel geschreven in een woordkunst-achtige pastiche:

Helmers, schuin-onder de flikkerende pit-vlam, die stak uit de wand boven het tafeltje, zat daar, hel het licht gesmeten op de rechterhelft van het rossige hoofd, donker de linker, als een bruin-geel-gouden en bruin-vaal-donkere rembrandtieke Helmers. Woest Helmers was, nijdig hij was. Hij de bierpot nu nemen van het hout van de tafel, wit-glinsteren het schuim, bruin-glanzen het bier met lichtspatten van glanzige oker. [...] en achter zuigende lippen en schuim-bekransde rossige knevel rode tong wielewalen op en neer, heen en terug, naar links, naar rechts, dat vocht klokt door slokdarm en bruin-glanzend bier met lichtspatten van glanzige oker klok-valt in maag.

Wanneer we de opmerkelijke zinsbouw in dit fragment buiten beschouwing laten, valt allereerst de grote frequentie van het aantal woordkunstvormen op. Op één pagina staat bij wijze van spreken meer woordkunst dan in een hele roman van Couperus. Zo hoort het natuurlijk ook in een parodie.

Bovendien worden de hierboven beschreven regels van het Nederlands frequenter geschonden. Voor Couperus geldt: hoe zeldzamer in het alledaagse Nederlands, des te zeldzamer bij de schrijver. In de parodie van Paap is het eerder omgekeerd. Zo vinden we een tamelijk groot aantal V-V-combinaties. Behalve het klok-valt uit de geciteerde passage vinden we op dezelfde pagina nog lach-antwoorden en brom-antwoorden. Opvallend is ook dat klok-vallen in tegenstelling tot buikspreken kennelijk geen defectief paradigma heeft en rustig tot klok-valt kan worden. Hetzelfde geldt, in iets mindere mate, voor de A-V-combinaties: zeldzaam in de alledaagse taal, zeldzaam bij Couperus, maar in ruime mate voorhanden in Paaps beschrijving van Helmers.

Een andere opmerkelijke trek van deze beschrijving is de bijzondere versatiliteit van de voorzetsels. Ik heb al laten zien dat deze categorie woorden in de regel niet bruikbaar is voor samenstelling: A-P-, P-P-, N-P- of V-P-combinaties zijn onbestaanbaar of in ieder geval zeldzaam. Hetzelfde geldt voor inflectie: u kunt wel zeggen de melk is op, maar niet *de oppe melk.

In de beschrijving van Helmers vinden we al aan het begin het woord schuin-onder ÷ een A-P-combinatie die in het Nederlands normaliter niet als één woord wordt beschouwd. Een bladzijde verder kan zelfs een voorzetselgroep verbogen worden, in het monsterachtige voor-goed-gemaakt-en-uitte, en nog een bladzijde wéér, in over-elkare-knieën.

De enig mogelijke conclusie is dat in Paaps beschrijving van Helmers, anders dan in het werk van Couperus, woordkunstige dingen gedaan worden die expliciet in strijd zijn met de regels van het Nederlands, of die in ieder geval veel oneigenlijker zijn aan die regels.

Ik kan nu een bescheiden literatuurwetenschappelijke theorie opstellen. Deze noem ik de wet van de taalkundige gehoorzaamheid. Die wet zegt dat een woordkunstenaar weliswaar creatief is, maar altijd gehoorzaamt aan de ongeschreven regels van de Nederlandse grammatica. Hoe gehoorzamer de schrijver, hoe beter hij de tand des tijds doorstaat.

Het gaat dan vooral om tamelijk subtiele dingen, zoals het feit dat V-V-combinaties wél en P-V-combinaties níet zeldzaam zijn. Het is zeer waarschijnlijk dat Couperus nooit zo expliciet over werkwoordscomposita heeft nagedacht. Hij is alleen uitgegaan van zijn eigen taalgevoel, van zijn intuïties over de taal. Dat taalgevoel blijkt nu ÷ honderd jaar later ÷ veel adequater geweest te zijn dan dat van zijn generatiegenoten die door Paap geparodieerd werden.

Helaas geeft mijn wet in zijn huidige vorm nog geen antwoord op de oorspronkelijke vraag, namelijk wat het verschil is tussen een journalist van NRC Handelsblad en Louis Couperus. De wet zegt zelfs dat die journalist een beter woordkunstenaar is dan Couperus, omdat hij een nog grotere mate van taalkundige gehoorzaamheid betracht.

Maar het werkelijke verschil lijkt te zijn dat de laatste alléén regels gebruikt die zeer produktief zijn terwijl de eerste het zich veroorloofde om regels te gebruiken die in de gangbare taal slechts voor een beperkte groep woorden gebruikt konden worden. Die regels spoorde Couperus intuïtief op en hij gebruikte ze. Maar hij overtrad ze nooit.

terug / inhoudsopgave / vooruit