De Tilburgse aa

Ik wil het nog eens over de Tilburger hebben. Een van de vele raadsels die hem omgeven, heb ik in het vorige hoofdstuk ontsluierd. De Tilburger verlengt de a in brand tot een aa om zo het gat te vullen dat dreigt te ontstaan als de n als zelfstandige klank verdwenen is. Het probleem van dit soort verklaringen is dat ze zo dwingend zijn. Nogal logisch dat die aa langer wordt, begint de onderzoeker te denken. Hij kan haast niet anders.

Maar als die verklaring zo dwingend is, waarom verlengt onze Tilburger de klinker in vent dan niet, of die in pint, hond of munt? In al die woorden staat de n gewoon op zijn plaats en blijft de klinker kort. Compensatorische verlenging vinden we in het Tilburgs alleen bij de klankcombinatie -ant. Er moet dus ook iets bijzonders aan de hand zijn met de klank a, iets waardoor deze klinker makkelijker verlengt dan andere klinkers.

Het bijzondere van de lange aa is dat hij een van de hoekpunten van de klinkerdriehoek vormt ÷ en wel de onderste. De korte a ligt erg dicht in de buurt van de aa. Samen zijn ze de laagst in de mond liggende klinkers van het Nederlands. Ze worden samen dan ook meestal aangeduid als de 'lage' klinkers. De e, ee, i, o, oo, u en eu worden dan 'middenklinkers' genoemd en de 'ie', 'uu' en 'oe' zijn hoog. Dat aa en a het laagst in de mond liggen is met eenvoudige middelen vast te stellen. U hoeft er uw mond maar voor open te doen. Deze laagte is dus de meest aangewezen factor die ons tot een verklaring zou moeten kunnen leiden.

De reden hiervoor raakt direct aan een fundamentele vraag van de taalkunde: de zogenaamde leerbaarheidskwestie, de vraag hoe het mogelijk is dat de ingewikkelde regels van taal voor kinderen zo gemakkelijk te leren zijn. Het kind moet al zoveel dingen leren in zijn prille jaren, dat elke besparing meegenomen is. Het leren van de moedertaal gaat elk kind zo gemakkelijk af, dat er wel systeem in die taal moet zitten. Zonder systeem is er geen beginnen aan.

Het is voor een kind niet moeilijk vast te stellen dat aa en a inderdaad laag zijn, gewoon door zijn oren te gebruiken. Als het nu natuurlijk is dat de lage klinkers zich bijzonder gedragen bij verlenging, dan hoeft het kind niet vreemd op te kijken als het in Tilburg opgroeit en wel braand hoort maar geen hoond. Nu bestaat er fysiologisch inderdaad een bijzondere verhouding tussen de twee genoemde factoren. Een lage klinker is altijd langer dan een hoge. De fonologische verklaring daarvoor is vrij eenvoudig: om een lage klinker te maken moet u uw mond verder opendoen dan om een hoge klinker te maken. Aan het eind moet die mond ook weer dicht, als u tenminste een niet al te rare indruk op uw gesprekspartner wilt maken. U hebt dus meer tijd nodig voor het produceren van een aa dan van bijvoorbeeld een ie.

In talen van de wereld zijn lage klinkers dan ook meestal lang, en hoge klinkers meestal kort. Ook in het Nederlands zijn de drie hoogste klinkers ÷ de ie, de uu en de oe ÷ relatief kort, veel korter dan de ee, de eu of de oo, bijvoorbeeld. De aa is de laagste en de langste klinker van allemaal.

Lage klinkers houden dus meer van lengte dan hogere klinkers. Als er ergens in een taalsysteem, zoals in het Tilburgs, een druk ontstaat om te verlengen, zullen lage klinkers daar eerder aan toegeven dan hoge klinkers. Aan de andere kant zijn er redenen om het niet te gek te maken met die lange klinkers. Een lange klinker maken kost meer tijd en moeite dan het maken van een korte klinker. Sprekers zijn over het algemeen zuinig met hun tijd en moeite, als het kan vermorsen ze die liever niet.

Er zijn hier dus minstens twee krachten aan het werk. De ene kracht wil alle klinkers kort houden, de andere kracht wil lage klinkers lang maken. Deze twee krachten werken gedeeltelijk tegengesteld.

Er is onder fonologen een populaire theorie die zegt dat het leren van een taal niet veel anders is dan het doorlopend stellen van prioriteiten. In alle talen werken dezelfde fonologische krachten. In alle talen hebben bijvoorbeeld lage klinkers de neiging lang te worden en in alle talen willen sprekers klinkers graag kort houden. De enige manier waarop talen kunnen verschillen is de manier waarop die twee prioriteiten gewogen worden.

Volgens deze theorie, die optimaliteitstheorie genoemd wordt, zijn perfecte taalvormen bijna nooit mogelijk. Doorlopend zijn er tegenstrijdige taalkundige krachten aan het werk, die niet tegelijkertijd bevredigd kunnen worden. Een spreker wil tegelijk het een en het ander. Elke taal kan daarom weinig anders doen dan voor elk woord de best mogelijke, de optimale vorm kiezen. Doordat de verschillende krachten elkaar behoorlijk kunnen tegenwerken, kunnen er enorm dramatische verschillen tussen talen ontstaan in de keuze van die optimale vorm. De klankvorm van totaal verschillende talen als het Chinees en het Nederlands zijn het gevolg van dezelfde taalkundige krachten, die in de twee talen op verschillende manier zijn gerangschikt. Die krachten kunt u zien als onbewuste wilskrachten in het hoofd van de spreker. Wie spreekt wil van alles tegelijk: zijn woorden uitspreken, verstaan worden, niet te veel moeite doen, zijn klanken duidelijk maken. Elk van die wensen geldt als een kracht. Samen bepalen die krachten de uiteindelijke klankvorm.

Ook verschillen tussen dialecten kunnen we beschrijven als verschillen in het relatieve gewicht van krachten. In het Tilburgs wint het verlangen van lage klinkers het van de conservatieve kracht die alle klinkers kort wil houden, in het Standaardnederlands is de ordening van krachten omgekeerd. We zouden dat als volgt kunnen opschrijven:

Tilburgs:Laag=Lang > VerlengNiet

Nederlands:VerlengNiet > Laag=Lang

Namen van krachten worden in de optimaliteitstheorie meestal geschreven in kleine kapitalen, om ze typografisch te onderscheiden van andere woorden. Het 'groter dan'-teken geeft aan dat de ene kracht sterker is dan de andere.

Talen veranderen voortdurend. We kunnen aannemen dat het Tilburgs en het Standaardnederlands een gemeenschappelijke voorouder hebben, een heel oude vorm van Nederlands die bij wijze van spreken gebruikt werd door de Batavieren toen deze Nederland binnen kwamen roeien. Vervolgens vestigden sommige Batavieren zich in de buurt van Tilburg en besloten na verloop van vele eeuwen dat de kracht Laag=Lang het zwaarst moest wegen. Andere Batavieren gingen in Amsterdam wonen en namen daar het besluit dat juist VerlengNiet winnen moest.

Een taalsysteem is een wankel geheel. Er hoeft maar iets te gebeuren, één kracht hoeft maar te winnen of juist verliezen aan gewicht, twee krachten hoeven maar te wisselen van plaats en ineens ziet de grammatica er totaal anders uit.

Dat talen doorlopend veranderen valt in de optimaliteitstheorie dan ook eenvoudig te vatten. Veel alternatieve theorieën die niet uitgaan van krachten in competitie, hebben het probleem dat de meeste taalveranderingen die we in de loop van de geschiedenis zien, beschreven kunnen worden als verbeteringen. Die wens tot verbetering lijkt dan ook een belangrijke reden achter veel taalveranderingen. De Romeinen zeiden vroeger bonus maar de Fransen zeggen tegenwoordig bon omdat dat korter is. Nederlanders zeiden vroeger wien met een lange ie, maar tegenwoordig wijn omdat een lange hoge ie niet wenselijk is. Als het begrip verbetering in de taalkunde absoluut was, viel er moeilijk te begrijpen waarom niet iedereen op de wereld allang dezelfde volmaakte taal spreekt. Bovendien is het moeilijk in te zien waarom de mensen ooit op het idee zijn gekomen om met zo'n onvolmaakt systeem als het Latijn of het Oudnederlands te beginnen, waarom al die verbeteringen niet al lang geleden zijn ingevoerd.

De optimaliteitstheorie geeft wel een antwoord op dit soort vragen: een verbetering in het ene opzicht is meestal een verslechtering in een ander opzicht. De volmaakte taal bestaat dus niet. Het is het lot van menselijke talen om voortdurend heen en weer geslingerd te worden tussen allerlei extremen. Elke verandering is tegelijkertijd een verbetering en een verslechtering. Door de Latijnse uitgang -us te negeren zijn de Fransen wel bepaalde informatie kwijt geraakt; aan de vorm van het woord is bijvoorbeeld niet meer te zien wat de grammaticale functie van dat woord in de zin is. De uitspraak wijn heeft twee klinkers ÷ een klinker die lijkt op de e in pet en een korte ie ÷ waar wien er maar één heeft.

In de klassieke mechanica geldt dat alle natuurwetten omkeerbaar zijn in de tijd. Als we een gebeurtenis op film opnemen, kan de mechanica de verschijnselen zowel verklaren als we het filmpje in de gebruikelijke richting afdraaien als wanneer we het terug draaien. Een soortgelijke situatie geldt volgens de optimaliteitstheorie ook voor taalveranderingen. Dat wien in de loop der tijd verandert in wijn valt volgens de theorie te begrijpen: de kracht die zegt dat er geen lange hoge klinkers mogen zijn wint. Maar als ooit wijn zou terugveranderen in wien, viel dat ook te begrijpen: de kracht die zegt dat één klinker per lettergreep beter is dan twee zou weer terrein winnen. Het zou pas onbegrijpelijk worden als wien opeens in won zou veranderen omdat er geen enkele taalkundige kracht is die in die richting werkt.

De verschillen in ordening tussen de krachten van de Nederlandse standaardtaal en die van het Tilburgs zijn de enige oorzaken van de verschillen in uitspraak tussen de twee dialecten. In de standaardtaal is de kracht VerlengNiet oppermachtig. Elke verlenging wordt daarom al van te voren geblokkeerd, wat de omstandigheden ook mogen zijn. Korte klinkers blijven altijd kort. De enige lange klinkers zijn de klinkers die altijd lang waren en die daarom niet speciaal verlengd hoeven te worden.

In het Tilburgs is er een reden om een onderscheid te maken tussen land en lint. In het eerste geval heeft de kracht Laag=Lang het voor het zeggen. Deze bepaalt dat de lage klinker lang moet zijn, wat VerlengNiet daar ook over zeggen mag. Het resultaat is laand. Ook voor de uitspraak van het woord lint is Laag=Lang in het Tilburgs misschien de sterkste kracht. Alleen heeft die kracht geen enkel effect, omdat er geen lage klinker voorhanden is. De kracht VerlengNiet kan hier haar werk doen. Omdat ze niet in strijd is met Laag=Lang, kan ze er alsnog voor zorgen dat verlenging van niet-lage klinkers voorkomen wordt. In het Tilburgs kunnen we dus het effect van beide krachten aan het werk zien. Maar alleen als Laag=Lang geen reden heeft om te werken, zien we het effect van VerlengNiet.

Overigens zien we omgekeerd in een paar gevallen de effecten van Laag=Lang in de standaardtaal. Ook in die variant van het Nederlands vinden we soms een lange aa op plaatsen waar andere lange klinkers niet zijn toegestaan. Zo vinden we normaal gesproken geen lange klinkers voor de medeklinkercombinatie lf: er zijn wel woorden als elf en golf, maar *eelf en *goolf klinken vreemd. De aa is de enige lange klinker die deze twee medeklinkers achter zich duldt, en dat dan nog maar in één woord, twaalf.

Ook vinden we midden in een woord eigenlijk nooit lettergrepen waarin een lange klinker gevolgd wordt door een medeklinker. Terwijl er wel woorden zijn als horzel, zijn er geen woorden als *hoorzel. Ook hier is de uitzondering weer de aa in aarzel.

Voor allebei deze gevallen geldt wel dat ze in de standaardtaal nogal geïsoleerd zijn. Er zijn niet bepaald veel woorden als aarzel of twaalf. Dat ze er zijn is alleen een teken dat de Nederlandse standaardtaal ooit in haar geschiedenis getwijfeld heeft. Er is waarschijnlijk een korte periode geweest waarin de krachtenverhoudingen in deze taal hetzelfde lagen als in het huidige Tilburgs. De woorden twaalf en aarzel dragen daar nog de sporen van. Zo exotisch is de Tilburger helemaal niet.

terug/ inhoudsopgave / vooruit