De uitgeschreven x

De x is eigenlijk geen onderwerp van de klankleer en toch is ze een bijzonder ding. Hoewel we haar als één letter schrijven, spreken we haar uit als twee klanken: ks. Er is geen speciale reden om die klankcombinatie fonologisch als iets bijzonders te zien, of als iets anders dan ps of ls. Een raar overblijfsel is deze letter, een relict uit lang vervlogen tijden.

Nee, dan kunnen we beter een voorbeeld nemen aan de Grieken. Die gebruiken het teken x voor één klank waar wij nu juist weer twee letters voor nodig hebben: de ch. We zouden kunnen zeggen dat in een ideaal spellingsysteem elke klank door één letterteken wordt weergegeven en omgekeerd dat elk letterteken één klank weergeeft. Het Nederlands is wel erg ver af van dat ideaal. Het Spaans komt ÷ wat dit betreft ÷ iets dichter in de buurt.

Spelling is het onderwerp waar onbekenden meestal over beginnen te praten als ze horen dat ik fonoloog ben, en het lijkt het enige taalkundige onderwerp dat werkelijk hartstochtelijke interesse kan opwekken bij zowat elke Nederlander die een beetje lezen en schrijven kan. Dat fonologie over klanken gaat en niet over letters wil er vaak niet in. Veel mensen hebben het idee dat die twee dingen hetzelfde zijn. Spelling is geen onderwerp voor de fonoloog, maar hij wordt er wel doorlopend over gevraagd.

Er komt bij dat spellinghervormers soms een beroep doen op de fonologie. Sommige onder hen zeggen bijvoorbeeld dat ze een 'fonologische' spelling voorstaan. Het belangrijkste principe van zo'n spelling is dan het hierboven aangehaalde: elke letter geeft één klank weer en elke klank wordt weergegeven door één letter. In een consequent 'fonologische' spelling zouden we volgens deze hervormers bijvoorbeeld ginekooloox schrijven, sjampanju, kompjoetur, en zei wort mienistur-preesiedent.

Bij mijn weten zijn dit soort radicale voorstellen nooit gedaan, zelfs niet door de fanatiekste aanhangers van de fonologische spelling. In de meeste spellingsystemen zijn nog twee andere principes aan het werk: analogie en geschiedenis.

De geschiedenis zorgt ervoor dat we champagne schrijven terwijl we het woord heel anders uitspreken dan we op grond van de lettercombinatie zouden verwachten. We hebben het woord, inclusief zijn spelling, op een goede dag overgenomen van de Fransen en daarna hebben we er niets meer aan veranderd. Het Frans en Engels hebben allebei spellingsystemen waarin het historische principe haast tot in het absurde is doorgedreven: in het Engels schrijft men wine in plaats van wajn en street in plaats van striet, enkel en alleen omdat men vele honderden jaren geleden wel letterlijk wine en street zei. In het Frans schrijft men maître en école met vreemde streepjes die niets toevoegen aan de manier waarop het woord tegenwoordig uitgesproken wordt, en die alleen maar aangeven dat die woorden ooit een s hadden die nu verdwenen is (maistre, escole). Dat accent circonflexe (zoals op de i van maître) vervulde bij sommige negentiende-eeuwse schrijvers in ons taalgebied overigens eenzelfde functie. Men schreef neêr en leêg om aan te geven dat men verkorte vormen schreef van neder en ledig. In dit geval was het dus een weggevallen combinatie van een d en een stomme e die door het accent werd uitgedrukt.

Analogie zorgt er in de huidige Nederlandse spelling voor dat we dt schrijven in hij wordt. De d staat daar naar analogie van de d in de vormen worden en geworden, de t staat er naar analogie van werkwoordsvormen zoals hij heeft en hij slaapt. Het principe van de analogie zorgt ervoor dat woorden die op de een of andere manier verband met elkaar houden er op papier ook zoveel mogelijk hetzelfde uitzien. Het is een van de belangrijkste maar tegelijkertijd een van de meest omstreden principes van de Nederlandse spelling.

De gedachte van spellinghervormers is nu dat het fonologisch principe boven de andere moet worden gesteld. Zoals gezegd zijn de meeste hervormers daarbij niet zo radicaal dat ze die andere principes volledig willen afschaffen maar het fonologisch principe zien ze als het belangrijkst. De vraag is wat er nu zo bijzonder is aan het fonologisch principe dat het al bijna een eeuw zo'n sterke aantrekkingskracht heeft op spellinghervormers. Waarom zou een fonologische spelling beter zijn dan historische of analoge?

Het duidelijkste antwoord dat de hervormers op die vraag geven, is: leerbaarheid. Een kind hoeft volgens hun voorstellen alleen bij elke klank die hij uitspreekt het bijbehorende teken te leren. Het Nederlands heeft ongeveer dertig klanken en dus is het kind na het leren van dertig lettertekens voor de rest van zijn leven klaar. Wanneer datzelfde kind daarentegen een analoge spelling moet leren, zal het eerst het hele taalsysteem moeten doorgronden voor het kan beslissen hoe het woord dat klinkt als wort geschreven wordt ÷ en als het kind een historische spelling leren moet, staat het voor de bijna onmogelijke taak om de spelling van vrijwel elk individueel woord apart te leren. Volgens de spellinghervormers moet zo weinig mogelijk tijd in het onderwijs worden besteed aan spelling, omdat er zo meer tijd overblijft voor het schrijven van opstellen en het houden van spreekbeurten.

Het is een makkelijk te begrijpen redenering en zo op het oog lijkt er weinig tegenin te brengen. Dat wil niet zeggen dat er niet in de loop van de tijd een hoop tegenin gebracht is, en ook een hoop onzinnige redeneringen.

De schrijver Harry Mulisch heeft bijvoorbeeld ooit een boekje geschreven (Soep lepelen met een vork) waarin hij betoogde dat er zoveel betekenis verloren zou gaan met het invoeren van een nieuwe spelling. Hij had eerder al een werkje geschreven onder de naam De verteller verteld. Hij was kennelijk zelf erg trots op de vondst in de titel van dit boek en hij meende dat dit boek nog vele herdrukken zou verdienen, ook na de invoer van een eventuele spellinghervorming. Die hervorming zou naar de mening van de schrijver rampzalig zijn voor de titel van zijn boek. Het zou immers worden De verteller vertelt, en dat betekent ÷ zoals wij allen volgens Mulisch zouden weten ÷ iets heel anders. Was de verteller nog lijdend voorwerp van het vertellen in de oorspronkelijke titel, in de nieuwe versie zou hij onderwerp zijn. Eerst werd de verteller verteld, nu vertelde de verteller zelf.

Deze redenering houdt tegen enige analyse volstrekt geen stand. Onder de nieuwe spelling zou De verteller vertelt natuurlijk niet opeens zijn oude betekenis verliezen. Het woord vertelt zou niet alleen de passieve betekenis hebben die het nu als verteld al heeft, maar het zou er ook de actieve betekenis bij krijgen. De titel zou nu niet alleen betekenen dat de verteller door iemand anders verteld werd, maar ook dat hij aan het vertellen was. Het enige dat zou gebeuren is dat de titel dubbelzinniger werd -- net als de titel van een boekje dat de literatuurwetenschapper Frans de Rover enkele jaren geleden over de schrijver publiceerde: Harry Mulisch ontdekt. Dat zou een schrijver als Mulisch toch moeten aanspreken.

Een andere veelgehoorde redenering is dat spellingsvernieuwing leidt tot onleesbaarheid van oudere auteurs. Als wij met ons allen anders beginnen te schrijven, dan leest over vijftig jaar niemand meer in het werk van Mulisch of Möring, precies zoals nu iedereen vreselijk wordt afgeleid van het lezen van P.C. Boutens en Frederik van Eeden door alle malle menschen en zoovelen die deze auteurs neerschreven.

De aanhangers van deze redenering wijzen er graag op dat de spelling van het Engels en het Frans de afgelopen paar honderd jaar nauwelijks veranderd zijn. Volgens hen is er een direct verband tussen dit feit en de hoge verkoopcijfers die Wordsworth en Rousseau nog steeds halen. Nu kan men deze redenering erg gemakkelijk weerleggen, bijvoorbeeld door de werkelijke verkoopcijfers van Wordsworth en Rousseau eens op te vragen en die te vergelijken met de getallen van Multatuli, door de Duitsers erbij te halen die een veel radicaler verandering hebben doorgevoerd (van gotisch naar romeins schrift) en desondanks vlijtig Goethe blijven lezen, of door simpelweg eens een paar oude teksten te lezen en te merken hoe snel we eigenlijk aan die paar eigenaardigheden gewend raken.

Er is dus veel onzin te berde gebracht tegen de wenselijkheid van een spellingshervorming. Maar dat betekent nog niet dat we ook inderdaad nu naar een puur fonologische spelling moeten verlangen. Het is namelijk maar de vraag of die spelling werkelijk zoveel meer voordelen biedt.

De spellinghervormers lijken ervan uit te gaan dat 'gemak' altijd betekent 'schrijfgemak'. Dat is een makkelijk te maken vergissing. De traditionele manier om iemands kennis van spelling te testen is het dictee, een schrijfoefening. Aan de andere kant is er waarschijnlijk geen Nederlander die meer woorden schrijft dan leest. Het leesgemak van een spellingssysteem moeten we daarom ook in de beschouwing betrekken. Op veel punten biedt de oude spelling juist een groter leesgemak dan de alternatieve voorstellen. De zinsneden hij wordt en ik word zijn makkelijker te lezen omdat u als lezer ook aan de werkwoordsvorm kan zien over welke persoon we het hebben.

Dat argument van leesgemak geldt niet voor champagne versus sjampanje. Natuurlijk leest de eerste vorm beter dan de tweede, omdat we de eerste nu eenmaal gewend zijn. We hebben hem vaker gezien en we kijken er daarom minder van op. Woorden waar we niet van opkijken, die laten nu eenmaal sneller en gemakkelijker lezen. Maar als we allemaal een paar jaar sjampanje zouden lezen en schrijven, raakten we daar aan gewend.

Dus moeten we toch maar de wet en het Groene Boekje veranderen en voortaan sjampanje schrijven? Ik weet het niet. Ik heb hier eigenlijk een mening over die de meeste mensen die ik het vertel in grote woede doet uitbarsten. Er is helemaal geen wet en geen Groen Boekje nodig. 'Ja maar,' hoor ik mijn gesprekspartners dan meestal roepen, 'dan wordt het toch een chaos? Dan gaat iedereen toch schrijven wat hij wil?' En geërgerd draaien ze me dan de rug toe.

Ik ben fonoloog en vooral geïnteresseerd in klanken. Over de 'juiste' uitspraak van het Nederlands bestaat gelukkig geen wet en geen Groen Boekje. Toch is er op dat gebied naar mijn indruk nooit een puinhoop ontstaan. Iedereen spreekt zoals hij wil, en wie verstaan wil worden conformeert zich automatisch aan een soort niet-officiële standaard. Het is mij niet duidelijk waarom dat op het gebied van de spelling niet zo zou kunnen zijn, waarom we opeens een wet nodig zouden hebben om 'correct' te kunnen schrijven waar die niet nodig is bij het spreken. Van de meeste woorden weten de meeste mensen wel hoe ze gewoonlijk geschreven worden. Er zijn een paar woorden waar mensen wat onzeker over zijn ÷ maar u kunt zich afvragen waarom uitgerekend de Staat of de Taalunie over die woorden met alle geweld een beslissing moet nemen. Het is absoluut niet erg dat er een beetje variatie bestaat. Nogmaals, die variatie bestaat ook op het gebied van de uitspraak.

Overigens ligt het misverstand niet zo zeer bij de wetgever, als bij de taalgebruikers. De wet is op zichzelf nog wel te rechtvaardigen. Hij schrijft de officiële spelling voor ambtenaren en voor scholen voor. Dat ambtenaren zich aan een bepaalde spelling moeten houden valt te billijken: zo kan de burger gemakkelijker een woord opzoeken dat hij in een officieel stuk vindt en niet begrijpt. Dat op scholen die officiële spelling aangeleerd moet worden lijkt me al iets minder zwaar te wegen, tenzij men uitgaat van de veronderstelling dat de basisschool een vooropleiding dient te zijn voor het ambtenaarschap. Maar dat iemand die geen ambtenaar is en ook niet op school zit, zich aan dezelfde wet zou moeten houden, is een even treurig misverstand als de gedachte dat iedereen zou moeten spreken als Joop van Zijl.

Ik ben fonoloog, maar dat betekent niet dat ik een voorstander ben van een 'fonologische' spelling. Ik ben voorstander van geen enkele officiële spelling, zoals ik ook geen officiële uitspraaknorm propageer.

terug / inhoudsopgave / vooruit