De onbeschaafde ie

'Hebbie dat pakkie gezien?' Mijn neefje uit Rotterdam kijkt me zo stralend aan dat ik het plezier in zijn doosje chocolaatjes niet wil bederven door meteen zijn Nederlands te corrigeren. Hij praat plat, en als u het mij als oom vraagt vind ik dat hij dat niet zou moeten doen. Als u het mij als taalkundige vraagt, wrijf ik in mijn handen van vreugde, want plat praten, dat is voor de taalkundige het mooiste wat er is.

In de moderne taalwetenschap wordt de term 'plat' niet meer gebruikt. Het is ook niet waar dat het absoluut plat is om soms ie te zeggen in plaats van je. Dat valt tamelijk eenvoudig te demonstreren: precies dezelfde wisseling tussen je en ie komt ook voor in een deftige en oeroude taal als het Hebreeuws uit de bijbel. Uit geschriften in die taal kunnen we opmaken dat de oude profeten ook soms ie zeiden en soms je. De schrijvers van de heilige boeken deden hetzelfde als mijn neefje.

Als u goed kijkt is de regel ook nogal ingewikkeld. Allereerst zijn er drie verschillende omgevingen waarin hij van toepassing is. In de zin van mijn neefje die ik hierboven heb aangehaald, staan twee van die omgevingen: heb je bestaat uit een werkwoord en een persoonlijk voornaamwoord, pakje is de verkleinvorm van een zelfstandig naamwoord pak. Het gaat dus steeds om combinaties van twee elementen: een werkwoord en een voornaamwoord, of een woord en een verkleinvorm. De derde omgeving bestaat uit ongelede woorden, woorden die we niet op zo'n manier in kleinere stukken kunnen verdelen. Halozie zegt men in het plat Rotterdams in plaats van horloge (horlozje) en garazie in plaats van garage.

Toch kunt u niet zomaar klakkeloos elke Nederlandse je in ie veranderen als u Rotterdams wilt spreken. Heb je is in het Rotterdams wel hebbie, maar had je niet *hattie of *haddie. Een Rotterdammer kan wel hattie zeggen, maar dat betekent iets anders, namelijk had hij. Voor had je zegt iedereen, ook in het plat Rotterdams, had je.

Het moet iets met de t te maken hebben waarop het woord had eindigt als u het uitspreekt. Er is geen enkel werkwoord dat op die klank eindigt en waarna een Rotterdammer ie zegt in plaats van je: in haat je, moet je en weet je blijft je een je. En precies hetzelfde geldt voor de verkleinwoorden: Rotterdams is katje en niet *kattie en zeetje en niet *zeetie.

Het is nog iets ingewikkelder. De t-klank aan het eind van het woord kan in het Rotterdams, net als in een heleboel andere dialecten, soms verdwijnen. Het woord lust kan worden uitgesproken als lus en het woord vracht als vrach. Het is niet verplicht om die t te laten verdwijnen, een Rotterdammer kan bij tijd en wijle ook gerust lust of vracht zeggen. Die woorden bieden dus een mooie achtergrond om de afwisseling tussen ie en je te bekijken.

Dan blijkt het inderdaad aan de t te liggen. Blijft die weg, dan zegt men in het Rotterdams lussie en vrachie. Maar blijft de t staan, dan zegt men lustje en vrachtje. We hebben nu dus een eerste taalkundige ontdekking gedaan: na de t verandert je niet in ie. Kijken we vervolgens nog even naar het bijbelse Hebreeuws, dan blijken we daar grosso modo een soortgelijke voorwaarde te vinden.

Ik ga nog even door, want over het Rotterdams is het laatste woord nog niet gezegd. Er is nog een belangrijke groep plaatsen waar de je niet in ie verandert. Dat zijn de plaatsen na een klinker. Ga je is in het Rotterdams altijd ga je en nooit ga ie. Ooievaar is oojevaar en niet oo-ievaar.

We kunnen al snel besluiten dat we nog een tweede taalkundige ontdekking hebben gedaan: ook na een klinker verandert je nooit in ie. We kijken dan weer even naar de tale Kanaäns en inderdaad vinden we daar dezelfde restrictie. Ook in de bijbel vinden we nooit het equivalent van ga je.

Wat is hier aan de hand? Hebben we een mystiek verbond aangetoond tussen de inwoners van Rotterdam en het uitverkoren volk? Hebben de Rotterdammers hun bijbel zo goed gelezen dat ze het Hebreeuws in alle opzichten zijn gaan imiteren? Is er bij de taalverwarring rond de toren van Babel iets mis gegaan zodat twee volkeren een soortgelijk klanksysteem ontwikkelde?

Het plausibelste antwoord is dat de taal van de bijbel en het plat Rotterdams zo op elkaar lijken omdat het allebei menselijke talen zijn, die gesproken worden door mensen die uiteindelijk eenzelfde soort hersenen hebben en eenzelfde soort lichaam; hersenen en lichamen met een aantal eigenaardigheden die specifiek zijn voor de mens in het dierenrijk, en die alle mensen met elkaar delen. Zoals u weet lijken alle mensen genetisch zeer sterk op elkaar; zo sterk dat elke poging om de mens in rassen op te delen bij voorbaat gedoemd is te mislukken. De schrijvers van de bijbel en de havenarbeiders van Rotterdam hebben dan ook vrijwel identieke lichamen en vrijwel identieke geesten. Geen wonder dat de klanksystemen die ze daarmee ontwikkeld hebben, zoveel op elkaar lijken.

De Rotterdamse regels moeten dus iets te maken hebben met een bepaald soort voorkeur die in lichaam en geest van alle mensen opgesloten zit. Wat zijn dat dan voor geheimzinnig krachten die mijn neefje enerzijds ie in plaats van je laten zeggen en die hem anderzijds verbieden dat te doen als hij net een t of een klinker heeft uitgesproken?

Voor de combinatie van klinker en je is het antwoord eigenlijk betrekkelijk gemakkelijk te geven. Ik heb al laten zien dat de ideale lettergreep bestaat uit een medeklinker gevolgd door een klinker; ta was de ideale lettergreep.

Het Rotterdams en de taal van de bijbel streven naar het ideale. Als ze de keuze hebben tussen ga je en ga ie kiezen ze voor de eerste omdat die twee mooie lettergrepen heeft terwijl de tweede lettergreep in de tweede vorm bestaat uit enkel en alleen een klinker.

Als de werkwoordstam eindigt op een klinker (zoals bij ga), vinden we dus altijd de vorm je. Als de stam op een medeklinker eindigt is dat niet nodig. Wanneer we moeten kiezen tussen heb je en heb ie kunnen we best voor de tweede vorm kiezen, want die bestaat evengoed uit twee mooie 'complete' lettergrepen: he en bie.

Andere factoren kunnen dan dus een rol spelen in het maken van de keuze. In het Rotterdams en in de Bijbel valt die keuze uiteindelijk uit ten gunste van de vorm met ie, terwijl het Standaardnederlands kiest voor de vorm met je.

Dat na een klinker je gekozen wordt in plaats van ie, kunnen we dus begrijpen. Maar dat in het Rotterdams je ook gekozen wordt na een t is minder makkelijk in te zien. Bij oppervlakkige beschouwing lijkt de lettergreep tie in het taalsysteem beter dan zijn concurrent tje. De laatste combinatie komt in het Standaardnederlands eigenlijk niet voor, behalve nu juist in verkleinwoorden en combinaties van werkwoorden met persoonlijk voornaamwoorden als je. Er zijn bijvoorbeeld geen woorden die met tje beginnen in het Nederlands. Er is een redelijk groot aantal woorden die met tie beginnen: tiran, titaan, titel, type, tien, enzovoorts. Die woorden heeft het Rotterdams ook en met een identieke uitspraak.

We zouden dus zeggen dat het Nederlands als het even kan voor tie kiest in plaats van voor tje ÷ behalve dan in dit ene specifieke geval in het Rotterdams. Wat is er aan de hand? Voor een antwoord moeten we naar de individuele klanken kijken die hier in het spel zijn: de t, de ie, de j en de stomme e. Dat de ie en de je elkaar kunnen afwisselen, dat hebben we zojuist gezien. De interessante verhouding is die tussen de twee klanken ie en t.

Zowel de t als de i zijn allebei coronaal, ze worden allebei uitgesproken door de voorkant van de tong iets op te heffen. Bij de t gaat het daarbij wel om het uiterste puntje van de tong, terwijl de ie vereist dat de rug van de tong zich een beetje kromt, zodat de voorkant van de rug bijna tegen het verhemelte ligt. De ie ligt dus iets meer naar achteren dan de t, ook al liggen ze allebei redelijk vooraan in de mond.

De lettergreep tie bestaat kortom uit twee coronale klanken. Daar komt nog bij dat de ie een klinker is die relatief sterk op een medeklinker lijkt. Dat hebben we hierboven al gezien: het is precies de ie die makkelijk kan afwisselen met de medeklinker j. De t en de ie vertonen dus een grote gelijkenis: ze zijn allebei coronaal en allebei min of meer medeklinkerachtig.

Nu zien we in veel talen dat medeklinkers en klinkers die te sterk op elkaar lijken elkaar als gelijkgepoolde magneten afstoten. Ze hebben enige onderlinge afstand nodig en kunnen niet naast elkaar in een lettergreep staan. In sommige dialecten van het Chinees bijvoorbeeld kunnen geen lettergrepen bestaan als poe en tie, omdat de eerste bestaat uit twee labiale en de tweede uit twee coronale segmenten.

Ook al heeft het Nederlands wel lettergrepen als poe en tie, we kunnen beginnen te vermoeden dat een soortgelijk effect hier aan de gang is. De lettergreep tie is minder gelukkig omdat ie en t elkaar afstoten. We krijgen hiervoor extra aanwijzingen als we kijken naar de groepen medeklinkers die een lettergreep kunnen beginnen. Hierbij kan de coronale t op de eerste plaats staan van een groep van twee medeklinkers: twee, tree. De eveneens coronale l kan in zo'n groep op de tweede plaats staan: klein, plein. Maar de twee coronale consonanten kunnen niet samen de begingroep van een lettergreep vormen: *tlee bestaat niet en klinkt zelfs erg weinig Nederlands.

Ook de labiale p kan op de eerste plaats in zo'n groep staan: plaat, praat. Op de tweede plaats kan ook een labiale klank staan: twee, kwee. Maar alweer kunnen de twee niet samen voorkomen in het Nederlands: *pwee en *pwaat klinken absurd. Nog een voorbeeld van dit effect hebben we al gezien: de lettergrepen *jie en *wuu komen eigenlijk niet voor in het Nederlands. Al deze feiten over medeklinkergroepen hebben waarschijnlijk direct te maken met het afstotend effect tussen klanken die te veel op elkaar lijken.

Nu zouden de t en de j in tje elkaar natuurlijk net zo goed moeten afstoten als de t en de i, of de t en de l. Zo gezien is tje helemaal niet zoveel beter dan tie. Het probleem waar we hier in getrapt zijn is er een van spelling. De lettergreep waar ik het over heb, schrijven we weliswaar als tje, maar zo spreken we haar niet helemaal uit. We schrijven haar alsof hij met twee medeklinkers begint maar er zit ÷in het Rotterdams ÷ eigenlijk maar één klank aan het begin. Dat is een zogenaamde palatale medeklinker, een t-achtige klank die meer naar achter wordt uitgesproken, meer als een ie, meer met de voorkant van de rug van de tong de met het puntje ervan. Als u eens een Hollander katje laat zeggen, hoort u precies wat ik bedoel.

We nemen dus de t en de ie ÷ of de t en de j ÷ en we maken er één klank van. Een klank die het extreme medeklinkerachtige karakter van de t combineert met de plaats van articulatie van de i. De resulterende klank, die we kunnen schrijven als tj, heeft weinig of niets gemeen met de stomme e. Het afstotend effect tussen de twee klanken van tie vinden we hier dan ook niet.

De ene oplossing roept de volgende vraag op. Als tje zo prachtig is, waarom zeggen we dan niet *tjeran of *tjetaan? Dat zouden toch net zo goed mooie woorden moeten zijn. Kennelijk vindt de verandering alleen plaats in heel bijzondere omgevingen: alleen in verkleinvormen of in combinaties van een woord met een persoonlijk voornaamwoord je dat de tweede persoon enkelvoud aanduidt.

De palatale uitspraak tj in katje is in de Hollandse dialecten overigens waarschijnlijk al enkele honderden jaren oud ÷ evenals de al even palatale uitspraak sj in kusje, waaraan we hier stilzwijgend voorbij zijn gegaan. We weten dit uit de studie van zeventiende-eeuwse auteurs die stukken in het Hollandse dialect hebben geschreven ÷ zoals Bredero.

In stukken als De Spaansche Brabander Jerolimo en Moortje voert Bredero meerdere figuren in die een plat Hollands dialect spreken. De verkleinwoorden van die personen schrijft hij als kopjen, takjen, kusgen, katgen. Andere schrijvers uit die tijd zoals Hooft en Huygens gebruiken een soortgelijke spelling. Nu ligt de articulatieplaats van de g ÷ zeker van de zachte g die tegenwoordig zuiderlingen nog gebruiken ÷ heel dicht tegen het palatale aan. Als u de combinaties sg en tg snel probeert uit te spreken, krijgt u algauw een palatale klank. De merkwaardige spellinggewoonten van onze zeventiende-eeuwse auteurs kunnen bijna niet anders verklaard worden dan door aan te nemen dat hun taalgebruik ook al tj (en sj) tot één klank samenkneep.

Mijn Rotterdamse neefje bevindt zich in goed gezelschap. Niet alleen in dat van Mozes en koning Salomo, maar ook in dat van Bredero en Huygens.

terug/ inhoudsopgave / vooruit